Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 31-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Zuidbroek

Zuidbroek, op zijn Gronings Zuudbrouk, is een dorp en tot 1965 de hoofdplaats van de gelijknamige gemeente Zuidbroek met de dorpen en gehuchten Uiterburen, Het Veen, Spitsbergen, Westeind en Tusschenloegen. In de middeleeuwen werd het Suthabroke (het zuiden van Broek) genoemd. Broek is moerassig land met (moeras)bos. Noordbroek en Zuidbroek zijn waarschijnlijk van oorsprong randveennederzettingen die met de toenemende bodemvernatting ten gevolge van ontginningen opschoven.

In 1965 smolt Zuidbroek samen met de gemeente Noordbroek tot Oosterbroek waar het ook de hoofdplaats van was. De plaats ligt aan het Winschoterdiep (1628), de spoorlijn Groningen-Nieuweschans en de rijksweg A7(E35), voorts aan het Muntendammerdiep.

Evenals Noordbroek en Uiterburen kan Zuidbroek worden gerekend tot de categorie wegdorpen met grootschalige bebouwingselementen (J. de Boer, 1987). Behalve de in Noordbroek en Uiterburen eveneens aanwezige hoofdweg, zijn enkele infrastructurele elementen van invloed geweest op de stedebouwkundige ontwikkeling van Zuidbroek. Ten eerste zorgt het Winschoterdiep, samen met het Muntendammerdiep, aan het einde van de19de eeuw als belangrijke waterweg voor veel bedrijvigheid.
Dit wordt bevorderd door de aanleg van de spoorlijn Groningen-Nieuwe Schans (1868), die tevens het dorp in het zuiden begrenst. Omstreeks 1850 heeft Zuidbroek twee bebouwingskernen. In het zuiden kruist de hoofdweg, hier Kerkstraat geheten, het Winschoterdiep en ten westen hiervan splitst het Muntendammerdiep zich af. In de direkte omgeving van de kruising ontwikkelen zich langs het westelijk gedeelte Winschoterdiep en langs de hoofdweg (na de kruising Spoorstraat genaamd) stroken bebouwing die hoofdzakelijk uit woonhuizen, winkels en bedrijfjes bestaan.
De tweede kern is gesitueerd in de omgeving van de Middeleeuwse kerk. De hoofdweg maakt ter plaatse van deze kerk een bocht naar rechts en volgt nu de van west naar oost lopende Heiligelaan. Na ca. 900 meter maakt de verharde hoofdweg opnieuw een bocht, nu naar het noorden, en volgt de Hoofdstraat naar Uiterburen en Noordbroek. Op de T-kruising van de Kerkstraat met de Heilige laan bevindt zich in 1850 rondom de kerk en toren een bebouwing bestaande uit de pastorie (invent.nr.211), losstaande woonhuizen (invent.nr.212) en een paar boerderijen. In de tweede bocht staan enkele woningen en een molen. Ten noorden hiervan liggen enkele boerderijen met daartussen arbeiderswoningen. Het deel van de Kerkstraat dat tussen de beide kernen inligt, wordt aan de westkant voornamelijk geflankeerd door iets achteruitliggende boerderijen. De oostzijde is nauwelijks bebouwd.

1850-1900
In de tweede helft van de vorige eeuw verdicht de bebouwing langs de verharde hoofdweg zich. In het noorden, langs de weg naar Uiterburen en langs de Galgeweg, breiden de stroken woonhuizen zich uit. Aan de noordzijde van de Heiligelaan staan een school, nu bedrijfspand, en een grote boerderij met tuin, Vredenburg. Ook de bebouwing bij de kerk heeft zich uitgebreid, zowel langs de Kerkstraat, de Nieuwe weg als langs de Heilige laan. Langs de Kerkstraat zijn aan de oostzijde enkele vrijstaande burgerwoningen gebouwd. Ten noorden van de zuidelijke kern zijn langs de laan die loodrecht op de Kerkstraat staat een aantal krimpjes gebouwd met de nokrichting haaks op de weg. Aan de Kerkstraat zelf is aan westzijde rond 1890 een Gereformeerde kerkzaal in gebruik genomen (invent.nr.79). De bebouwing langs de hoofdweg ten zuiden van het Winschoterdiep, de Spoorstraat, is eveneens toegenomen.
Aan de oostkant is rond 1890 het kantongerecht neergezet (invent.nr.85). Daarnaast bevinden zich in het hoofdlint verschillende winkels en kleine bedrijven, zoals o.a. een bierbrouwerij, leerlooierij, wolkammerij, smederijen en verschillende molens. Ook zijn er in Zuidbroek een aantal fabrieken. Aan het einde van de Vlaslaan is een vlasfabriek (in 1926 afgebroken). Verder zijn er een beenzwart-, sago-, en siroopfabriek die eigendom zijn van W.A. Scholten, evenals de aardappelmeelfabriek "Motké" in het Westeind (gebouwd 1859, nu verdwenen). In de omgeving van de in 1868 aangelegde spoorlijn, ten oosten van de Spoorstraat en ten westen van het Muntendammerdiep, ontstaan lanen met aan weerszijden krimpjes. Tegenover het station staan twee hotel-restaurants (invent.nr.86).

1900-1940
Rond 1940 heeft zowel de bebouwing ten noorden als ten zuiden van het station zich uitgebreid. In het zuiden zijn in de jaren dertig langs het spoordok een aantal lossstaande woningen en een paar bedrijven gebouwd. Ten oosten van de Spoorstraat begint men in dezelfde periode met de aanleg van een woonwijk met een orthogonaal stratenpatroon tussen het Winschoterdiep en de spoorlijn, net zoals in Hoogezand-Sappemeer. Tegen 1940 is deze wijk nog maar voor een klein deel gerealiseerd en wordt in de jaren vijftig en zestig geheel volgebouwd. Aan de noordkant van het Winschoterdiep zijn aan het begin van deze eeuw een aantal woningen, type krimpjes, met elk een stuk land neergezet. Het gebied tussen de beide kernen is weinig veranderd.
Alleen de strook woningen aan de oostzijde van de Kerkstraat breidt zich uit. De Heiligelaan is omstreeks 1940 aan de noordzijde bijna helemaal volgebouwd met voornamelijk losstaande burgerwoningen en winkels. Op de T-kruising met de hoofdweg naar Uiterburen en langs de Galgeweg heeft de bebouwing, bestaande uit woningen, zich verder uitgestrekt. Aan de Nieuwe weg wordt in de jaren dertig, evenals in Noordbroek, een nieuw N.H.-kerkhof aangelegd. Tegenwoordig vindt men in de zuidelijke bebouwingskern van Zuidbroek niet zoveel meer van het oude karakter terug. Aan beide zijden van de Spoorstraat heeft men in de achterliggende open gebieden nieuwbouw gepleegd. Dit is eveneens het geval met het gebied in de hoek van het Winschoterdiep met de Kerkstraat, waardoor het lanengebied, net zoals in Noordbroek, is verdwenen. De bebouwing aan het zuidelijk deel van de Kerkstraat en aan de Spoorstraat is grotendeels vernieuwd of afgebroken.

In de noordelijke kern is het oorspronkelijke karakter beter bewaard gebleven. Hoewel men in de jaren zestig aan de oostkant een woonwijk heeft gerealiseerd, waardoor de zuidkant van het landschap is afgesloten.

Kerk van Zuidbroek

De aan Petrus gewijde hervormde kerk is een kruiskerk uit het eind van de 13de eeuw. Ze is nog geheel overwelfd. De vrijstaande klokkentoren stamt uit dezelfde periode. De kerk bezit een preekstoel met snijwerk van C. Struiwig (1736), een herenbank en kerkbank uit 1671, een een koorafsluiting met drostenbanken van Allert Meijer en Mencke Mollaan, met snijwerk van Jan de Rijk (1709). Het orgel is van F.C. Schnitger en H.H. Freytag (1739-94).
Bij een kerkrestauratie in 1997 en het daarop volgende archeologisch onderzoek werden resten van levensgrote gepolychromeerde zandstenen beelden gevonden, respectievelijk een Christusbeeld en een Mariabeeld. Deze maakten waarschijnlijk deel uit van een laat 15de of vroeg 16de-eeuwse calvariegroep die op het kerkhof stond opgesteld. Aannemelijk is dat de beeldengroep werd vernield toen in 1568 de troepen van Lodewijk van Nassau door het gebied trokken, waarna de resten in de kerk werden begraven. Een andere mogelijkheid is dat dit gebeurde toen in 1569 en 1574 watergeuzen het gebied teisterden, waarbij o.a. het klooster te Midwolda werd geplunderd.

Moeras bij Zuidbroek
Doar nou 't Hogezaand en Sapmeer liggen mit aal heur drokte en lewaai, doar was 't veur drijmoal honderd joar nog 'n stille, grode, ainzame haide. Elk waait, doar zat hoogveen onder, dat doudestieds nog nait aan de snee was. Doar zag ie ook niks van; wat ie zaggen was dat was 'n haideveld, roeg en wild, doar nooit wat op verbaauwd wör, doar ook gain volk op woonde, omdat ter niks was doar ze van leven konden. Sapmeer, dat was in dei tieden wezenliek ook een meer. En om dat meer tou was 't apmoal moeras. Le mozzen deur rait en roegte de weg net waiten deur dei paalternaksie hin, aans kwam ie der nooit langs. Der kwam ook nait veul volk, mor der wazzen toch aaltied gounent dei noa Slochtr of noa Zubrouk tou mozzen. En 't is voak genog gebeurd, dat 't pad nait dudelk genog was en dat er ain in 't moeras wegzonk en der nooit weer oetkwam. - (E.J. Huizenga-Onnekes, Groninger Volksverhalen)

Ons Zuidbroek

Tekst: H.E. Buurma
Muziek: Joh. P. van Mullem
Waar de Dollardstroom eens woelde,
Aan de rand van veen en zand,
En met kleislib overspoelde,
Ligt ons Zuidbroekster land.

Refrein:
Samen willen wij bezingen
Met een heldre jubelklang
't Oude dorp hier in het noorden,
Ons Zuidbroek, het leve lang

Waar de schone kruiskerk eeuwen
Al de tand des tijds weerstond
Blikt het haantje van de toren
Over Oud-Zuidbroekster grond.

(Refrein)

Wil nu mee met ons getuigen
Wil vertolken door de zang,
Dat in 't harte steeds zal blijven
Warmte voor ons dorpsbelang.

(Refrein)

Geschiedenis Zuidbroek

In 1666 overleden veel mensen in het gebied aan de pestilentie: in Noordbroek 716 en in Zuidbroek 736.

De snik

Toen de stad Groningen in 1628 een kanaal liet graven naar Zuidbroek, was een van haar eerste besluiten het instellen van een regelmatige veerdienst. Die dienst heeft bestaan tot plusminus 1800. Daarna werd het vervoer verzorgd door veerdiensten van Groningen naar Winschoten, Veendam, Wildervank, Stadskanaal, Meeden en de Pekela's. Die doorgaande schippers deden dan Zuidbroek aan. In het zogenaamde Oldambtster veerhuis namen zij verteringen op. Daar werden de goederen uitgewisseld en daar konden de passagiers in- en uitstappen. Ook is er een tijd geweest, dat zij zich daar konden laten scheren. Omstreeks 1870 woonde daarin Abel Smit, die naast kastelein ook barbier was.
In 1874 kocht Karel Martens dit veerhuis en begon hij zelf een veerdienst op Groningen. Hij noemde zijn snik 'De Jonge Jakob'. Deze snik was in hoofdzaak bestemd voor vervoer van goederen en dieren. Voor personenvervoer zorgde toen al de trein. Toch werden wel eens passagiers meegenomen naar Groningen. Martens deed dit voor een kwartje. Dat was goedkoper dan met de trein.
De snik had een scherp toelopende boeg en gleed gemakkelijk door het water. Daardoor kon het trekpaard in draf rijden als de snik niet te zwaar beladen was.
Op het paard zat de snikjong, die met een hoorn de nadering aankondigde. Hij blies dan allerlei deuntjes,

bijvoorbeeld:

Mouder, is de koffie kloar?


Snikke komt van Stad.


En as de koffie nait kloar is,


Den krigst doe wat veur 't gat.



Snik en paard hebben het uitgehouden tot de komst van de motorboot. Dat was de tijd van W. de Vries, E. Schothorst en H. Kroeze. Het oude veerhuis is in 1966 afgebroken en de plaats is ingericht als parkeerterrein bij het gemeentehuis.
Het Westeind van Zuidbroek heeft vroeger nog een eigen snikkevaarder gehad.
Dat was Willem Pentum. Die woonde in het tegenwoordige huis Westeind 114. Hij had zijn snik achter zijn huis liggen in het Kostverlorenerdiep. Daar kon men vroeger inkomen vanuit het Winschoterdiep even ten oosten van de Zwarteweg. Laer kreeg het zijn ingang vanuit het Noordbroeksterdiep.

De postwagen



De snik kon niet aan alle behoeften aan communicatie voldoen. Daardoor kwamen ook de postwagens op, die sneller gingen, ook konden komen waar geen water was en des winters niet dezelfde lasten hadden van het weer als de snikken.


In 1771 werd er een rijdende postdienst ingesteld Groningen en Oost-Friesland over Zuidbroek naar Weener, vanwaar diensten reden naar Leer, Oldenburg en Bremen. Die postdienst werd ingesteld bij een overeenkomst tussen de stad Groningen en de Königliche Preuszische Staats- und Kriegsminister und General-Postmeister Freiherr von Derschau. De vóór dat jaar bestaande boden werden afgeschaft.

Een bode beroofd

Voordien werden brieven en geldswaarden per bode overgebracht. De boden maakten vaak gebruik van begeleiders, die hen van de ene naar de andere brachten. Op zekere avond kwam de bode bij de begeleider van Zuidbroek, die aan de Vlaslaan woonde en van beroep slager was. De bode deelde mede, dat hij een belangrijke som geld moest overbrengen naar Winschoten en hij vroeg begeleiding. De bode met geld kwam niet over, maar hij werd een paar dagen later met uitgesneden hals gevonden in een sloot aan de Trekweg tussen Zuidbroek en Scheemda.


De postwagen reed op maandag en donderdag, vertrok des morgens om acht uur uit Groningen en moest om vier uur des middags te Weener aankomen. Er konden naast de poststukken zes personen mee vervoerd worden.

Particulieren konden zich opgeven
voor de uitoefening van zo'n veerdienst. Maar dan moest men beschikken over een wagen die aan de gestelde eisen voldeed, wat betreft model, afmeting en soliditeit. Verder moest men vier sterke paarden hebben. Als de wegen minder goed waren, waren die alle vier nodig om de wagen te trekken. Zij werden wel naast elkaar voor de wagen gespannen en ook wel twee bij twee. Op een van de paarden van het voorspan zat vaak een jongen, die de paarden in toom moest houden en aandrijven.

Het tarief voor een brief van Groningen naar Oost-Friesland was 4 stuiver. Als de wegen des winters onbegaanbaar waren, reed de wagen niet, maar werden de brieven vervoerd door een postillon te paard. De route liep van Zuidbroek over Krommerakken naar Scheemda.

De Franse tijd


Op 1 februari 1795 vertrokken de Engelse soldaten over Zuidbroek naar Oost-Friesland. Ongeveer 25 februari daaropvolgend kwamen achthonderd Franse soldaten met bagage en geschut te Zuidbroek aan.

In 1798 werd het recht van de roomsen en van de doopsgezinden op de kerkgebouwen afgekocht. Verrekening vond plaats naar het aantal leden. De hervormde kerk van Zuidbroek moest aan de roomsen zevenhonderd gulden betalen.

In 1799 werd te Zuidbroek beroepen Ds. G.A. Abbring. Een van de voorwaarden van het beroep was: 'voorts zal de predikant zoveel turf mogen graven als hij tot huisnooddruft van node heeft, mits dat hij de dallen weer laat slichten om tot behoorlijk land gemaakt te kunnen worden. Hij mag deze graverij niet om de derde of vierde turf aan andere overdoen.'

In 1800 werd de kruidenierswinkel annex boekweit- en mosterdmalerij van D.M. Ubbens te Zuidbroek verkocht.

Van 1798 tot 1808 zijn Noord- en Zuidbroek een gemeente geweest. In 1808 kwam Noordbroek weer apart. Van 1808 tot 1811 was Zuidbroek met Meeden en Muntendam verenigd.

De winter van 1809 was zeer streng, evenals die van 1740. Te Zuidbroek werd een schaatswedstrijd gehouden om een gouden oorijzer. Een verslag vermeldde, dat er ook ongetrouwde vrouwen en meisjes aan meededen. 'Hetwelk voor die sexe gevaarlijke gevolgen zou kunnen hebben, naar men meende. Daarvan is echter niets bekend geworden'.

Van de bevrijding in 1813 kan het volgende verteld worden. De Fransen maakten dat zij wegkwamen voor de kozakken hier waren. De burgemeester van Zuidbroek vermeldde in een rapport, dat de langgewenste veranderingen zonder de minste verstoring der goede orde voltooid waren en dat er gedurende de ommekeer geen personen waren gearresteerd. In de avond van 23 november kwamen er zeshonderd kozakken te Zuidbroek. Die stonden onder commando van de Russische kolonel Lapuchien. De volgende dag trokken zij weer verder. Maar op 12 november waren hier al twee kozakken te paard gekomen; die bleven tot 16 december. De burgemeester heeft later aan de legerautoriteiren de volgende kosten in rekening gebracht: de gemeente, voor haver, hooi, brood en vlees 850 gulden; H. Koops, kastelein, voor gefourneerde diensten en voor stro en haver 47 gulden en 10 stuiver; Wed. W.A. Boersma, kasteleinse, wijnen, bollen, thee en koffie 35-17; S.S> Muller, kastelein, idem 194-11; S. Haykens, voor touwwerk 4-7; H. Klugkist, fijne wijnen 28-16; S. Cremer, brandewijn 27-10; Jacob van der LAan, voor 20 pond vlees voor de honden van de generaal 2-10.

De kozakken in Zubrouk
Dou de Franzen nog in Zubrouk laggen, is 't es 'n moal gebeurd, dat ze der op uut trokken en dat ze weeromkwamen mit 'n kou; 'n rooie kou was't, moar 'n beste. Ze harren hom opdoan doar achter Tussenlougen, noar dij kant van Muntendam tou. Of ze hom koft harren of stolen of vonnen, dat dut ter nou niks tou; ze harren hom en hai zol der vot aan, as ze in Zubrouk kwammen. Moar doar binnen ze nooit kommen, tenminste de kou nait. Want dou is 't gebeurd, dat 'n koppeltje Muntendammers doar net langs kwammen; joa, woar komt 'n Muntendammer nou nait langs? De Franzen wazzen mit 'n man of drei en Muntendammers wazzen der wel 'n half stieg. Zodat dat wör van dei gevolgen, dat de kou dei gong ander kant op en de Franzen moggen nog bliede wezen, dat zai weer in Zubrouk kwammen. Ze vertrouwden de boudel toch al naait, want de Kozakken wazzen al in Winschoot. - (K. ter Laan, Fransen en Kozakken)

Over Beerte kwammen ze binnen; ze luipen in ale hoezen in en oet. maar ze deden overal gain kwoad. Dokter zien vrauw lag in 't waarm ber; dei roegge kerels gongen vot om waig toe stoan, bokten zok veurover, keken mit grode ogen en gongen bedoard weer vot. Mor as ze aan 't vechten wazzen, din wazzen 't net Duvels. Dou ze in Zubrouk kwammen, wozzen de Franzen nait, hou haard dat ze lopen mozzen. 'n Haile troep is van benauwddheid in de onderoardse gaang onder Zubroukster kerk vlogen en der eerst in Noorbrouk weer oet kommen.

Moar aans nee, zo deurbaankweg wazzen ze nait zo kwoad as ze der oetzaggen. In Zubrouk kwammen ze in 't hoes van meneer Spandau. Doar was 'n mooie spaigelkaast; dei zaggen ze veur 'n Haailigdom aan en ze gongen der veur op kneien liggen. Zok roar volk was 't. - (E.J. Huizenga-Onnekes, Groninger Volksverhalen)

De postillon en de burgemeester
In december 1814 kreeg schout (burgemeester) Eppo Edze Tonkes een kwestie met de postillon over het rijden op het voetpad.
in de avond van 21 december 1814 surveilleerden de bos- en veldwachter Atzema en twee nachtwachten in de gemeente, op de tijd dat de postillion gewoonlijk passeerde. Deze reed te paard en bracht zesmaal per week de brieven van Groningen en Winschoten en terug. Teon bleek dat hij niet gebruik maakte van de weg maar van het voetpad, werd hij aangehouden door Atzema en zijn helpers. Zoals dat toen gebruikelijk was, kon hij onmiddellijk de boete betalen of hij moest mee naar de wacht. De postillion deed het eerste en betaalde drieëndertig stuiver.
De volgende dag kreeg de burgemeester een boze brief van de directeur van het postkantoor te Groningen, met het verzoek om de boete terug te geven en de postillon niet weer aan te houden. Als de brieven en pakketten maar een kwartier te laat kwamen, konden zij niet meer doorgezonden worden en moesten tot de volgende postdag blijven liggen.
Toen de postillon deze brief bracht, bleef hij wachten op drieëndertig stuiver.
Maar de burgemeester verklaarde dat hij de zaak eerst wilde onderzoeken. Toen werd de postillon brutaal en gaf zijn paard de sporen. Hij reed over de stenen rijp, zodat de vlinten hem achterna vlogen.
De burgemeester ging raad vragen bij de commissaris van politie te Winschoten.
Hoe hij hier mee aan moest? Het rijden over het voetpad was bij politieverordening verboden. En de weg was niet zo slecht, dat de postillon daar beslist niet overheen kon, want de dag tevoren was er zelfs nog een sjees over gekomen.
De commissaris antwoordde dat hij de boete niet moest teruggeven. Hij moest naar de gestrengheid der wet en municipale politie tegen de postillons optreden, zonder echter de postbedienden in de uitoefening hunner functiën op te houden.
De moeilijkheden bleven nog even aanhouden. Op 1 januari 1815 des avonds te twaalf uur deden de politie en de nachtwacht weer de ronde. het waren Atzema en de nachtwachten R.G. Haijer en Feike Harms. In het Boveneinde te Zuidbroek ontmoetten zij de postillon, die weer op het voetpad reed. Bij aanhouding werd de postillon brutaal. Hij zei: 'blijf van mijn paard af. ' En de boete wilde hij niet betalen.
Hij reed door naar het posthuis. Ook daar vroeg Atzema hem herhaaldelijk om de boete te betalen, maar hij bleef weigeren.
En de burgemeester vroeg maar weer aan de commissaris van politie om raad.

Het verkeer op de waterwegen gaf soms eigenaardige problemen. Dat blijkt bijv. uit het volgende. Omstreeks 1815 had men te Zuidbroek veel last van de scheepsjagers. Het gemeentebestuur stelde een reglement vast op stalling en voedering der schaapsjagerspaarden. Daarbij werd het verboden die paarden te stallen en te voederen op de openbare weg bij de Zuidbroekster klapbrug en bij het verlaat.

Op 5 oktober 1833 maakte de burgemeester van Zuidbroek het volgende bekend:
'In ervaring genomen, hoe sommige personen zich niet ontzien om in andermans hoven struikroverijen te plegen, de vruchten af te plukken en mee te nemen, het boomgewas te schenden en de tuinsieraden te vernielen of te verderven, terwijl er bovendien een schreeuwende en ongehoorde goddeloosheid wordt gepleegd aan het kerkgebouw door het insmijten van de vensterglazen, een misdaad te groter omdat hetzelve gepleegd wordt aan een gebouw bestemd tot godsdienstige verering, voor hetwelk toch ieder weldenkend mens een behoorliijke achting behoort te koesteren; tegen welke misdaden ook nadrukkelijk bij het strafwetboek is voorzien; waarschuwt om zich voortaan van deze en soortgelijke ongeregeldheden te onthouden; bij overtreding zal proces-verbaal worden opgemaakt.'

In 1841 kreeg Muntendam een eigen kerk en werd zij afgescheiden van die van Zuidbroek. Tevoren werd de zuidervleugel van de kerk van Zuidbroek Muntendammer kerk genoemd.

De diligence

Het vervoer per postwagen was zeer primitief, vooral in de winter. Dan was het vaak slecht gesteld met
de wegen, vooral met de kleiwegen. Toen in 1842 de provinciale weg van Groningen naar Nieuwe Schans verhard werd, was daarmee de weg gebaand voor geriefelijker vervoermiddelen dan de postwagen. De wagens kregen veren om de schokken te breken; 's winters werd er stro in de wagens gespreid om de voeten warm te houden; er behoefden geen vier paarden meer voor, maar twee was in de regel voldoende; men kon beter op vaste tijden rijden. Deze nieuwe vervoermiddelen heetten diligence of omnibus. (Diligence = spoed, omnibus = voor allen).

G. Monkhorst, die in 'Het Hof van Holland' te Zuidbroek woonde, opende een wagendienst op Nieuwe
Schans, die in 1856 werd uitgebreid tot Leer en Hannover. Uit de hem door de minister opgelegde voorwaarden blijkt, dat hij wagens moest gebruiken op veren, voorzien van zes of negen zitplaatsen. Hij vertrok des morgens om 7 uur uit Nieuwe Schans. Aankomst te Leer om 4 uur, een uur voor het vertrek van de laatste spoortrein naar Osnabrück en Munster. Zo vertrok er des morgens te 10.30 uur een diligence uit Leer, die om 5 uur te Zuidbroek was en om 7 uur te Groningen. Er was toen nog geen brug over de Eems bij Leer. De paarden werden op een doorwaadbare plaats in de rivier gedreven. En als er ijs op het
water lag, moest de koetsier ook in het koude water en het ijs voor de paarden wegduwen om te voorkomen, dat de paarden hun borst opensneden. Monkhorst mocht in de zomermaanden zijn wagens met twee paarden bespannen en in die maanden ook de functies van voerman en conducteur in één persoon verenigen. De reiskosten waren des zomers vijfentwintig cent per uur gaans en des winters dertig cent. Voor goederen moest betaald worden: tot vijf pond twintig cent, van vijf tot tien pond dertig cent, enzovoort. Vrachten zwaarder dan vijftig pont mocht Monkhorst niet meenemen. Voor vervoer van geldswaarden moest betaald worden: voor een bedrag tot honderd gulden dertig cent, voor elke honderd gulden meer twintig
cent.


In de jaren zestig waren er ook nog diligencediensten van Zuidbroek naar Veendam, Stadskanaal, Oude

Pekela, Appingedam en Beerta. Die naar Veendam en Stadskanaal bleef bestaan tot de komst van de paardetram.

Toen in 1868 de spoorbaan geopend werd van Groningen naar Nieuwe Schans hield Monkhorst op met
zijn diligencedienst. Maar nu was er nog een tweede omnibusdienst op Groningen. Die was van Klaas Huizing. Die woonde in het huis nu genummerd Kerkstraat 9. In de schuur aan de westzijde, later vele jaren in gebruik bij de grossierderij Zuidema, werden de omnibus en de paarden gestald. Hij had altijd twee witte paarden voor de omnibus. Met een laddertje bracht hij de bagage er bovenop. in een kistje met valslot onder zijn voeten vervoerde hij het geld. Hij vervoerde alleen kooplieden die hij goed kende b.v. Meihuizen en Maathuis. Deze dienst heeft het volgehouden tot 1887.

In 1880 opende Harm Antema te Nieuwolda een omnibusdienst van Nieuwolda naar Zuidbroek. Die reed
over 't Waar, langs het Kielhuis, door Noordbroek naar het station te Zuidbroek. Die omnibus had twaalf zitplaatsen. Vertrek van Nieuwolda des morgens te 6.15 uur, 't Waar 6.45 uur, Noordbroek 7.40 uur. Aankomst te Zuidbroek plusminus 8.10 uur. Des middags kon men terug na aankomst van de trein van 4.50 uur. De prijzen van de plaatsen was: van Nieuwolda naar 't Waar tien cent‚ naar Noordbroek dertig cent en naar Zuidbroek vijftig cent. Des zomers reed Antema zesmaal per week, des winters viermaal. Die dienst heeft het uitgehouden tot 1910, toen de trein kwam.

Bezoek Koning Willem III


In 1852 bezocht Koning Willem III de gemeenten Noordbroek en Zuidbroek. In Zuidbroek werd de boerderij van C.J. Geertsema bezichtigd en in Noordbroek werden paarden beschikbaar gesteld voor de rijtuigen van de koninklijke stoet. Verder maakte de Raad van Noordbroek Zijne Majesteit opwachting bij de grens van Zuidbroek, werden twee erebogen geplaatst (een bij de Dam en een bij het begin van de grindweg naar Slochteren) en er werd een erewacht opgesteld.

Houtzaagmolen Windlust / Molen van Ubbens

Er heeft op de plek van de Munterdammerweg 1 in Tusschenloegen bij Zuidbroek (ten zuiden van het Winschoterdiep) een zaagmolen van het type stellingmolen gestaan, aangedreven door de wind met de naam Windlust, eigenaar en stichter Ubbens, gebouwd in 1853 en gesloopt in 1903. Het was een achtkante bovenkruier met buitenkruiwerk. Deze molen is in 1853 door H. Ubbens gebouwd. Later was eigenares weduwe H.G. Poelman. De laatste eigenaar was Jan Thomas Giezen.
De molen had een rieten kap en rieten achtkant op houten onderstuk. Er naast lag een balkgat, dat door middel van een sluis in verbinding stond met het Muntendammerdiep. Over de toegang naar het balkgat lag een brug in de Muntendammerweg. Ubbens pleitte twintig jaar lang met het waterschap Oldambt over de verbinding van zijn kolk met het Muntendammerdiep. In 1896 werd de molen verkocht samen met een loods waarin een woning was afgetimmerd. Deze verkoping vond plaats ten verzoeke van S. Sijpkens, predikant te Delfzijl, W.L. v.d. Vegte, kassier te Zwolle, H v.d. Vegte, advocaat te Zwolle en mej. F.A. v.d. Vegte, te Delfzijl. Koper werd Tidde Folmer Arendzoon, emeritus predikant te Groningen, voor 16745 gulden. Na de verkoop werd de molen afgebroken.
Misschien heeft hier voor deze molen een andere gestaan. Op het gevelsteentje van het huidige gebouw op deze plek staat echter een molen van een ander type met het jaar 1787. Misschien heeft op dezelfde plaats een dergelijke molen gestaan, gebouwd in 1787 en ongeveer 66 jaar later gesloopt.

Zie details op www.molendatabase.org

W.A. Scholten en zijn personeel
W.A. Scholten, die in 1859 te Zuidbroek de aardappelmeelfabriek Motké bouwde, gaf eens opdracht aan zijn koetsier Bonnen om hem in de nacht naar die fabriek te rijden. Het was in de tijd van de twaalfurige arbeid. De nachtploeg moest dus van zes tot zes in touw zijn. Op de lange tocht van Groningen naar Zuidbroek werd met geen woord gesproken over het doel van de reis.
Bij de fabriek aangekomen, Kreeg Bonnen opdracht een paar emmers water aan te slepen. De heer Scholten begaf zich eerst naar het ketelhuis, waar een der stokers rustig lag te slapen. Eigenhandig wekte de heer Scholten de man uit zijn zoete sluimer door hem eem emmer water over het lichaam te gooien. Zo werden in die nacht drie personeelsleden aan hun werk herinnerd.
Voor W.A. Scholten was hiermee de kous af en verdere maatregelen werden niet genomen.

W.A. Scholten en zijn koetsier
Het was op een wintermorgen. De sneeuw lag in een dikke laag gespreid over velden en wegen.
Koetsier Bonnen was bezig de paarden voor het rijtuig te spannen, want er was zojuist bericht op kantoor ontvangen, dat de heer Scholten met de trein van half tien in Zuidbroek zou aankomen en moest worden afgehaald, voor een bezoek aan de fabriek. Het was bijna niet mogelijk om de paarden over de weg langs het Winschoterdiep naar het station te krijgen. Sommige mensen waarschuwden Bonnen, dat hij beter deed thuis te blijven, maar hiervan trok deze zich niets aan. na een moeilijke tocht bereikte hij het station, juist toen de trein uit Groningen aankwam.
De heer Scholten stapte echter niet in het rijtuig, maar ging er voor uit lopen. Dicht bij de fabriek stapte hij echter in. Toen het doel was bereikt, zei de heer Scholten tegen Bonnen: 'Nu zul je wel denken, waarom ik je bij het station heb laten komen met het rijtuig, terwijl ik toch heb gelopen. Ik heb dat gedaan omdat mijn koetsier in de Stad mij niet naar het station durfde brengen vanwege de sneeuw en de gladheid. Toen heb ik tegen hem gezegd dat Bonnen mij zeker van het station in Zuidbroek zou halen als ik dat vroeg. Ik vind het jammer dat ik je die moeite op de hals heb gehaald, maar ik moest bewijzen dat ik gelijk had.

De ingezetenen van Noordbroek wilden graag dat de spoorlijn Groningen-Nieuwe Schans zo dicht mogelijk langs hun dorp ging. De raad verleende op 3 oktober 1861 adhesie aan een poging om te bewerken, dat hij gelegd werd tussen Noord- en Zuidbroek.

In 1864 bestond de Universiteit van Groningen tweehonderd en vijftig jaar. Bij die gelegenheid wilden de bewoners van de Noorderhaven te Groningen een schoener versieren en verlichten. Die schoener moest uit Veendam komen. Op weg naar Groningen bleef het schip in het Westeind van Zuidbroek vastzitten en kwam te laat voor het feest.

Station en spoordok Zuidbroek

In 1868 werd, ten zuiden van het Winschoterdiep, door de Staat de spoorlijn Groningen-Winschoten aangelegd. In dit zelfde jaar werd het station in Zuidbroek gebouwd. Ook in dit jaar werd het spoordok in gebruik genomen, een spoorweghaven gelegen ten zuiden van het spoor en ten oosten van het Muntendammerdiep. Schepen brachten aardappelen, stro, koren en andere landbouwprodukten uit de omgeving naar het spoor. Omgekeerd werd kunstmest en kalk per spoor aangevoerd en verder per schip naar landbouwers en fabrieken gebracht. Na de aanleg van de spoorbaan naar Stadskanaal, rond 1908, verloor het dok zijn betekenis. Het vervoer van goederen ging voortaan met de trein. Van de opslagloodsen is nog een deel bewaard gebleven, een ander deel is vervangen en heeft een andere functie gekregen.
In 1908 werd er een tweede spoorlijn aangelegd door Zuidbroek. De plannen behelsden een lijn van Delfzijl naar Zwolle, via Zuidbroek, Stadskanaal, Coevorden en Ommen, met zijtakken naar Almelo en Assen. De NoordOoster-Locaal Spoorwegmaatschappij (NOLS) werd met de aanleg belast. De activiteiten kwamen de landbouw (aanvoer van kunstmest en afvoer van de landbouwprodukten) handel en nijverheid in de streek ten goede, maar de rol van de spoorlijn met betrekking tot het reizigersvervoer werd meer en meer overgenomen door de autobus. Tussen 1910 en 1935 deden treinen het station Noordbroek aan. Het station van Noordbroek is gebouwd in 1868. Architect was E. Cuypers, die alle stations langs deze spoorlijn bouwde. Het station is in de jaren '80 van deze eeuw afgebroken.

De paardetram


Er reed dus een diligence vanaf het station Zuidbroek naar Veendam en Stadskanaal. Dat was al heel wat,

maar het kon beter. Er werden rails in de weg gelegd en in 1880 opende de Eerste Groninger Tramway-

maatschappij een dienst met de paardetram naar Veendam en Bareveld. Later werd de dienst verlengd tot

Buinermond, Valthermond en in 1895 tot Ter Apel.


In 1900 vertrokken per dag elf trams van het station Zuidbroek, meestal twee minuten na aankomst van

een trein. De eerste tram vertrok bijvoorbeeld des morgens van Zuidbroek om 6.34 uur. Hij was dan te

Muntendam om 6.50 uur, te Veendam bij de remise 7.10 uur, Kerklaan 7.21 uur, Wildervank-5e laan 7.32

uur, Kerk 7.42 uur, Remise 7.52 uur, Dalkanaal 8.08 uur, Pekelderweg 8.26 uur, Gasselternijeveensemond

8.40 uur, Buinermond 9 uur, Valthermond 9.45 uur. Aankomst te Ter Apel 10.31 uur.


Het personentarief was: van Zuidbroek naar Wildervank vijfenveertig cent‚ van Wildervank naar Buiner-

mond vijfenveertig cent‚ van Buinermond naar Valthermond dertig cent en van Valthermond naar Ter Apel

ook dertig cent. Voor bagage moest extra betaald worden. Per dag reden er twee goederentrams en men

kon ook een extra-tram huren, die dan apart reed of ook wel aan een tram van de dienstregeling gekoppeld werd.

Met de bovenvermelde reiskosten was men niet altijd klaar. Het gebeurde namelijk herhaaldelijk, dat de
paarden voor de avondtram tussen Batjes- en Springersverlaat door omwonenden bij de teugel gegrepen en tot stilstand gebracht werden. Wel probeerden de koetsier en de conducteur, met stokken de paarden aan te drijven en de aanvallers af te weren, maar dit gelukte niet altijd. De reizigers werden dan geprest om drinkgeld te geven

Er was echter ook een mogelijkheid om op het reisgeld te bezuinigen. Wie namelijk te Zuidbroek uit de
trein stapte, kon door snel te lopen even vlug bij de steenfabriek te Muntendam komen en had dan een dubbeltje verdiend.

Deze paardetram heeft het uitgehouden tot in 1910 de spoortrein van Zuidbroek naar Stadskanaal kwam.

Kantongerecht Zuidbroek
Het kantongerecht van Zuidbroek dateert van 1882-1883.

In de politieverordening van Zuidbroek van het jaar 1886 komt de volgende bepaling voor: 'Iedere mannelijke inwoner tussen achttien en zestig jaar is verplicht persoonlijk zijn diensten te verlenen, indien hij tot handhaving van de openbare orde of bij gevaar van overstroming of bij brand door de burgemeester daartoe zal zijn geroepen. De oproeping geschiedt door aanzegging of bij bekkenslag.'

Gemeentehuis Zuidbroek

In 1886 kreeg Zuidbroek een eigen gemeentehuis. Zij kocht het hotel Hof van Holland van weduwe A. Burema en richtte dit in tot gemeentehuis. Voordien werden de gemeentezaken ook in een hotel afgedaan: omstreeks 1820 bij Hendrik Willemsen en na 1830 bij A. Buining.

Op 17 december 1892 werden er huzaren ingekwartierd in Noordbroek, Zuidbroek en omliggende plaatsen, in verband met anarchistische woelingen.

Toen de fiets in gebruik kwam, waren de toltarieven daar niet direct bij aangepast. De uitveiler Sietske Kimp te Zuidbroek had in 1895 al een driewielige Velocipède. Hij wilde daarmee door de tolboom te Uiterburen. Maar de tolbaas J. ten Berge wilde de tolboom niet opendoen, omdat hij er niets voor beuren kon.

Bronnen:

- Vooralsnog is voor dit artikel als basis genomen het boek 'Noord- en Zuidbroek in vroegere jaren', 1973, door H. Antonides.
- Nieuwe Groninger Encyclopedie (1999)


Pageviews vandaag: 3.