kunstbusgroningen

Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 01-01-2022 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Willem Hecker

Willem Augustus Hecker, Nederlandse taal- en letterkundige, (1817 Groningen, ♱ 1909 Delft). Dichter, geschiedschrijver en ambtenaar aan de Groninger Universiteitsbibliotheek. Hecker was van 1855-87 hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Groningen.

Als student gaf hij met enkele andere jonge dichters, Benninck Janssonius, A.L. Lesturgeon en Steringa Kuyper, Dichterlijk mengelwerk (1836) uit, en alleen de satiren Hippokreen-ontzwaveling (1838) en Quos ego (1844), waarin hij kritiek leverde op de literatuur van zijn tijd, de Nederlandse vertegenwoordigers van de Romantiek (o.a. Beets en Hasebroek). Later gaf hij nog Hekelrijmen (1846) uit, maar zijn verdere werk is meer wetenschappelijk dan letterkundig van aard.

In de periode 1843-1845 werkte hij aan een kritische uitgave van de Nederlandse Historiën van P.C. Hooft. Daarnaast vertaalde hij werk van Euripides en Aeschylus en gaf hij een verklarende lijst van verouderde woorden uit de Statenbijbel uit.

Willem Hecker, een verdienstelijk Nederlandsch letterkundige, die zich tevens door gespierde verzen als een bekwaam dichter heeft bekend gemaakt. Werd na het bezoeken van het gymnasium, in 1833 als student ingeschreven aan de hoogeschool zijner geboortestad en legde zich met ijver toe op de beoefening der letteren. Nadat hij in 1839 den doctoraten graad verworven had, bekleedde hij verschillende betrekkingen, onder anderen die van amanuensis bij de academische bibliotheek. In 1846 trad hij te Groningen op als lector in de paedagogie en opende zijne lessen met eene redevoering: „Over de ontwikkeling van den geest tot, door en in de wetenschap”, welke vervolgens in het licht verscheen. Ook zag hij zich tot schoolopziener benoemd, en was in 1848 lid van de commissie tot het afnemen van het staatsexamen. Nadat hij reeds in 1849-1851 gedurende de afwezigheid van den hoogleeraar Rovers diens lessen over algemeene geschiedenis en antiquiteiten had waargenomen, werd hij, in 1855, na het vertrek van Rovers naar Utrecht, tot opvolger van dezen benoemd, en aanvaardde zijne betrekking met eene redevoering: „Over het staatsleven der volken, als voortgaande ontwikkeling van den menschelijken geest wijsgeerig en geschiedkundig beschouwd”.

Sedert 1852 had hij reeds, op het voetspoor van Lulofs en als begaafde leerling van dezen, een reciteercollegie geopend, hetwelk grooten bijval vond. Van zijne geschriften vermelden wij: „Hecuba, treurspel van Euripides (1841)”, - „P. C. Hooft's Nederlandsche Historiën, met aanteekeningen (1843-1846, 5 dln), - „Schets der algemeene geschiedenis (5de druk, 1872)", - „Verklarende lijst van verouderde woorden in den Staten-Bijbel (1852)”, - „Schets der Grieksche en Latijnsche letterkunde, naar Tregder (2de druk, 1851)”, - „Latijnsche spraakkunst, naar Alschefski (1853)”, -„Grieksche spraakkunst, naar Enger (3de druk, 1854)”, - „Klassisch woordenboek (2de druk 1872)”, - „Lysias en Dr. W. A. Hirschig of hoe men in Nederland Grieksch vertaalt (1855)”, - „De Romeinsche constitutie, naar het 6de boek van Polybius (1858)”, - „Het Romeinsche volks- en staatsleven in omtrekken (1858)", - en „De aarde en de mensch (1869)”. Dat hij voorts onder Nederlands uitstekende dichters eene plaats bekleedt, daarvan getuigen „De Hippokreenontzwaveling”, - „Quos Ego”, - het „Strafdicht aan Mr. J. van Lennep” enz.

Alfons Hecker

Alphonsus Hecker, een jongeren broeder van den voorgaande, een geleerd en scherpzinnig beoefenaar der oud-Grieksche letterkunde, met name der oud-Grieksche poëzij, die hij in alle fases en perioden harer ontwikkeling haarfijn kende. Gedurende zijn kortstondig leven (hij werd te Groningen in 1823 geboren en overleed na een tienjarig zielelijden in 1863) was hij het sieraad der philologische wetenschap in ons Vaderland door de voortreffelijkheid zijner critische geschriften, van welke wij noemen: „Commentationum Callimachearum capita duo (1843)”, - Commontatio in Anthologiam Graecam (1843, herdrukt in 1852)”, -„De oratione in Eratosthenem Lysiae falso tributa (1848)”, - en „Animadversiones criticae in poetas Graecos (1850)”.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.