Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 07-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

weichselien

Na het klimaatoptimum in het eemien nam de gemiddelde temperatuur weer af, waardoor het loofbos geleidelijk veranderde in een naaldbos en uiteindelijk in een 'open parklandschap' met heide. Hiermee begon de laatste ijstijd, het weichselien (ca.116.000 - 11.500 jaar geleden).

Hoewel het landijs Nederland in deze laatste ijstijd niet bereikte, lag Nederland in de koudste perioden wel volop in de zogenaamde periglaciale zone (onder invloed van het ijs). Karakteristiek hiervoor was een vrijwel constant bevroren ondergrond, de permafrost. Sporen uit deze tijd zijn nu terug te vinden in de vorm van een pingo-ruïne en 2 oude beekdalen.

In tegenstelling tot de ondergrond ontdooide de bovengrond in de zomer wel. Door de bevroren ondergrond zakte het smeltwater niet weg, maar stroomde oppervlakkig naar lager gelegen delen. Rivieren zoals de Hunze en de Eems moesten grote hoeveelheden smeltwater met sediment uit de ontdooide toplaag afvoeren, waardoor de beddingen verstopt raakten. Door de permanent bevroren ondergrond konden de rivieren zich niet meer diep insnijden en werden voortdurend nieuwe beddingen gevormd. Mogelijk dateert de latere veenrivier de Oude Ae in beginsel ook uit deze periode.

Tijdens het weichselien erodeerden oudere afzettingen van klei en zand door vorst, dooi en smeltwaterstromen. Door het droge (koude) klimaat en het ontbreken van dichte vegetatie kon op grote schaal verstuiving optreden.

Dit proces van erosie en hernieuwde afzetting leidde ertoe dat het reliëf in het landschap veranderde: dalen werden met dekzand opgevuld en hoge koppen werden door winderosie afgevlakt. Daarnaast ontstond met name op vlaktes nieuw reliëf in de vorm van dekzandkoppen en -ruggen.


Pageviews vandaag: 4.