Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 25-05-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Van Groningen

Adellijk geslacht afkomstig van Lefferd, de broer van Hartbert van Bierum (gestorven op 12 november 1150), bisschop van Utrecht van 1139 tot 1150. Lefferd werd rond 1145 door zijn broer als prefect van de stad Groningen aangesteld. De kleinzoon van Lefferd trouwde met de Westfaalse edelman Godschalk van Sepperode. Hun nazaten erfden de prefectuur en noemden zich op grond daarvan Van Groningen.

Hartbert van Bierum

Hartbert was domproost van Utrecht tot hij op 24 juli 1139 tot bisschop werd gewijd. Tijdens zijn bewind ontstond een opstand in de stad Groningen. Nadat de bisschop deze opstand had neergeslagen, maakten de bisschop en de stad een afspraak geen omwalling rondom de stad aan te leggen - een afspraak waar de Groningers zich niet lang aan hielden.
Volgens de Quedam narracio was Hartbert afkomstig uit Berum, vermoedelijk wordt hiermee Sexbierum bedoeld. Volgens dezelfde bron gaf de bisschop de oudste van zijn twee broers, Ludolf, de prefectuur van de stad in leen, en de jongere, Leffart, kreeg het kasteel Coevorden in het zuidoosten van Drenthe en daarmee de controle over de enige weg door het Bourtangermoeras van Drenthe naar Duitsland. Door deze familiepolitiek werd de kiem gelegd voor het latere verlies van Drenthe voor het prinsbisdom Utrecht.
Blijkens de Annales Rodenses had Hartbert voor hij priester werd een zoon Gozwinus verwekt die in 1137 intrad in het klooster Rolduc. Gozwinus ging op kruistocht en uit een "Urkunde von Niederrhein" van Lacomblet waar hij zijn bezit voor deze kruistocht verkoopt blijkt dat deze Gozwines afkomstig was uit Boxtel van de Familie van Randerath (uit het geslacht van Sponheim dat weer uit het geslacht afkomstig was van Immo II van de Betuwe).

Vanaf het midden van de 11e eeuw kregen de bisschoppen van Utrecht gebieden in Drenthe, Overijssel en de stad Groningen in leen van de Duitse keizer. Deze gebieden maakten sindsdien deel uit van het Sticht Utrecht. Als vertegenwoordiger van de bisschop werd onder meer in Groningen en Coevorden een prefect aangesteld. Oorspronkelijk was dat een ambtenaar, maar bisschop Hartbert van Bierum gaf halverwege de 12e eeuw beide functies in erfelijke leen aan zijn broers Leffard (Groningen) en Ludolf (Coevorden). Daarmee verkregen deze een eigen machtsbasis.

De zoon van Ludolf, Rudolf I van Coevorden, kwam daarbij snel in conflict met zijn formele heer, de bisschop. Rudolf probeerde zijn macht uit te breiden door zich te bemoeien met de opvolging van Leffard in Groningen. In eerste instantie dolf Rudolf het onderspit tegen de bisschop en verloor hij het kasteel in Coevorden. In 1191 wist hij zijn rechten te herwinnen. Zijn opvolger, Rudolf II van Coevorden, zette dezelfde politiek voort en verbond zich met de Gelkingen, de tegenstanders van Egbert, de prefect van Groningen. De macht van de bisschop van Utrecht was te gering om hier veel tegen te doen.

Toen in 1216 Otto van Lippe tot bisschop werd benoemd keerde het tij. Anders dan zijn voorgangers was Otto bereid zijn macht te laten gelden. Hij liet Rudolf II weten geen genoegen te nemen met diens aanspraken in Groningen. Toen Rudolf het besluit van de bisschop openlijk tegensprak, leek een oorlog onvermijdelijk.

Het conflict tussen Rudolf en de bisschop is op zich geen bijzonder conflict in die tijd, conflicten tussen leenheer en vazal zijn eerder regel dan uitzondering. Het bijzondere in het conflict is dat Rudolf gesteund wordt door een legertje van Drentse boeren. De reden van het verzet van de Drenten is niet duidelijk. Wellicht was het verzet tegen een poging van de bisschop om meer inkomsten uit de provincie te genereren maar zeker is dat niet.

De Slag bij Ane

De Slag bij Ane was een veldslag in 1227 tussen een ridderleger van de bisschop van Utrecht, Otto van Lippe, en de troepen van burggraaf van Coevorden, Rudolf II van Coevorden. Laatstgenoemde werd gesteund door Drentse boeren. De Drenten wisten het leger van de bisschop te verslaan, waarbij de bisschop zelf sneuvelde. De slag wordt beschreven in de zogenaamde Narracio uit 1232.

Op 28 juli 1227, een hete zomerdag, ontmoetten de troepen van de bisschop van Utrecht, Otto van Lippe, een grote groep opstandige Drenten onder leiding van Rudolf II van Coevorden op een veld in de buurt van het huidige dorp Ane. De precieze locatie van de slag is niet bekend, sommigen menen bij Ane, andere bronnen menen dat de slag iets meer naar het noordoosten, in het dal van de Kleine Vecht, plaatsvond. Volgens de oudste bron, de Narracio, bevonden beide legers voordat de slag ontbrandde zich een halve mijl van elkaar. De legers werden gescheiden door een moeras zonder enige begroeiing. Dit zou wijzen op een beurtelings drijvende of soms droogliggende veenlaag, afhankelijk van de heersende waterstanden in de nabij gelegen Vecht. Deze veensoort kon ontstaan onder invloed van sterk wisselende waterstanden. Naar het zich laat aanzien is dit het gebied ten noordoosten van Ane, gelegen tussen twee zandhoogtes en die doorsneden wordt door een stuwdijk. Dit gebied voldoet als enige aan de omschrijving als omschreven in de Narracio. In de latere middeleeuwen is hier een stuwdijk aangelegd om de sterk wisselende waterstanden te regelen. Deze dijk was ooit van drie overlaten voorzien.

De bisschop was naar deze zuidgrens van Drenthe gegaan om het opstandige Drenthe tot de orde te roepen. Hij had hiervoor een groot aantal krijgsheren opgeroepen, versterkt met een aantal krijgsscharen van de bisschoppen van Münster en Keulen. Dit leger werd door middel van boten over de nabije Vecht bevoorraad. Het vaandel met Sint-Martinus, de schutspatroon van Utrecht, werd gedragen door ridder Roelof van Goor.

Het leger van de Drenten bestond merendeels uit lichtbewapend Drents landvolk en bendes onder leiding van Rudolf met onder andere het leger dat net was teruggekeerd van het door hen bezette Groningen. In de Narracio wordt vermeld dat aan de zijde van de Drenten ook vrouwen hebben meegevochten. De Drenten die wisten dat zij met hun grotendeels ongeoefende legertje een slag in open veld tegen zo'n zwaar uitgerust leger nooit zouden kunnen winnen, lokten welbewust een gewapend treffen uit in een moerassig gebied, later bekend als de Mommenriete.

De paarden van het bisschoppelijke leger zakten in de zompige grond weg en de ridders met hun zware harnassen konden zich hier niet op eigen kracht uit redden. Toen de zwaar geharnaste ridders op hun paarden begonnen weg te zinken in het stinkende moeras vielen de Drenten aan. Met pijlen, speren, messen en knotsen maakten ze korte metten met de vijand. Vrijwel het gehele bisschoppelijke leger, waaronder vele beroemde edelen zoals de kruisvaarder Berend van Horstmar, werd hierbij genadeloos afgemaakt.

Bisschop Otto had het ongeluk gevangengenomen te worden, waarna hij werd gescalpeerd en gekeeld. Voor de Drentse "onmensen" (zoals ze in de kerkelijke kroniek genoemd werden) was zijn getonsuurde hoofdhuid waarschijnlijk een luguber tastbaar bewijs dat de trotse kerkheer echt dood was. Later werd zijn zwaarverminkte lijk gevonden en naar de Utrechtse dom gebracht waar het met alle eer begraven werd.

Na de slag
De opvolger van Otto II, Wilbrand van Oldenburg, heroverde Drenthe vervolgens op 14 oktober 1228. Op 30 augustus 1229 wist Rudolf Coevorden echter weer in te nemen.

In 1230 zag Rudolf echter in dat hij op den duur tegen de bisschop geen stand zou houden. Hij besloot zich te onderwerpen. De bisschop ging hierop in en vroeg Rudolf hem te ontmoeten in het kasteel Hardenberg. Rudolf begaf zich samen met zijn vriend Hendrik van Gravesdorp (uit Grasdorf in Bentheim) naar Hardenberg. In plaats van naar zijn rang en stand te worden ontvangen werd hij gevangengenomen, gemarteld en uiteindelijk vermoord op 25 juli 1230.

Vervolgens riep bisschop Wilbrand van Oldenburg de Friezen op om samen met hem tegen de opstandige Drenten te vechten en dit leidde tot de Fries-Drentse oorlog in 1231-1232. Nadat het de Friezen was mislukt, lukte het Wilbrand alsnog zijn doel te bereiken en versloeg hij de Drenten een jaar later bij Peize. Naar aanleiding van de slag bij Ane bouwde hij de burcht Hardenberg. Uit erkentelijkheid voor de hulp bij de bouw werd Zwolle stadsrechten verleend.

Egbert van Groningen was in 1226 dus verwikkeld in de burgeroorlog tussen zijn familie etegen de Gelkingen en de familie Van Coevorden. Aanvankelijk won hij de strijd en ook de belegering van de stad Groningen door de Fivelgoërs kon worden afgeslagen. De strijd tegen de Gelkingen en partijen uit de Ommelanden zou nog regelmatig oplaaien waar zowel zijn gelijknamige zoon en kleinzoon nauw bij betrokken zouden zijn. Met diens kleinzoon weer, even eens een Egbert (gestorven voor 1332) stierf de tak Van Groningen in mannelijke lijn uit.

Van Selwerd

Een achterneef van de laatste Van Groningen, ook prefect van Groningen, zette de familie onder de naam Van Selwerd voort. Zijn achterkleindochter huwde met Herman van Coevorden, en hun zoon Hendrick van Selwerd moest in 1411 zijn aanspraken op het prefectuurschap opgeven in ruil voor het kasteleinschap van de Slinge bij Gramsbergen. Met zijn achterkleindochter stierf het geslacht helemaal uit.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Pageviews vandaag: 11.