Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 10-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

trouwen

Een groot aantal in Groningen gangbare gebruiken rond het huwelijk zijn in de loop der tijden verdwenen. Had een (jonge)man iemand op het oog, maar was hij wat verlegen uitgevallen, of betrof het een weduwe, of wilde de vader van het meisje weten hoe de vrijer er financieel voorstond, dan kon er een tussenpersoon worden ingeschakeld, de maaksman (maagdsman), veurvrijer, veurzoen of degensman, die de zaken regelde.

Het loon van de maaksman was gewoonlijk een nieuwe hoed en hij mocht als eerste de bruid een zoen geven. Had een vrijer van een boerendochter het jawoord gekregen, dan versierden (bestrikten) de dienstboden zijn paard. De huwelijkse voorwaarden werden tijdens een winkop (wijnkoop) vastgesteld.

Verloofd werd er tot het einde van de 19de eeuw nauwelijks. Gebeurde dit wel, dan werd daarbij lovelbier geschonken. Het aanstaande paar ging wel altijd op broedsverziede bij vrienden en familieleden. Daarbij werd de bruidegom een bestrikte lange goudse pijp aangeboden en ook de koffiepot werd bestrikt.
De bruiloftsgasten werden uitgenodigd door een neuger/nuiger of manskok die in zondagse dracht en uitgerust met een met linten versierde handstok (De nuiger ging deur 't loug ... Mit bonte linten om zien stok) bij de huizen langsging en een lang rijm op zei:
Ziet vrienden! Hier een stok, met een lint
Zo als de bruid van ... het te zamen bindt.
Vrienden, wilt nu horen en mij wel verstaan.
Waarom ik hier ben gekomen en ook tot u ingegaan.

Het is niet om met de kwast te pronken en te pralen,
Maar het is om u mijn boodschap te verhalen.
... als bruidegom en ... als bruid,
Die hebben mij gelast en gezonden uit ...

Dat ik u noden zou als echte bruiloftsgasten,
enz.

Op de trouwdag werden de huizen met vlaggen versierd en de molen in de kruisstand gezet. Met een zwaardrager aan het hoofd trok de bruidegomsstoet naar het huis van de bruid om haar op te eisen. Onderweg hadden jonge mannen een versperring aangebracht; na het betalen van een prijs mocht de stoet verder. De bruid heette niet thuis te zijn en werd na een hilarische zoektocht opgespoord. De bruid, die vroeger een bruidskroon droeg, verliet in sommige boerderijen haar huis door de bruidsdeur, dat is de zuiderdeur. Onderweg naar de kerk of het gemeentehuis werd er door de dorpsgenoten geschoten (zeventig maal idealiter) en werd de klok geluid.

Na de invoering van de burgerlijke stand in 1811 en het trouwen in het gemeentehuis nam het toch al niet algemene trouwen voor de kerk, het weertrouwen zei men dan, nog verder af. maar een groot bruiloftsfeest tot diep in de nacht met zang en dans en overvloedig eten en drinken (o.a. brandewijn uit de brandewijnskom) bleef voor wie het kon betalen een must. De bruidegom kreeg een bestrikte bruidegomspijp, die het paar als aandenken, vaak in een kistje, bewaarde. Na het sluiten van het huwelijk werden bruid en bruidegom tot in de 17de eeuw met water begoten en met takken geslagen (bruidegomslaan), maar dit werd door de kerk en overheid verboden.
Tot in de 19de eeuw werden bruid en bruidegom tegen het eind van het feest nog naar bed gedanst. De vrouwen joegen alle mannen uit de kamer, kleedden de bruid uit en legden haar in bed. Daarna verlieten de vrouwen de kamer en kwamen de mannen die de bruidegom bij de bruid in bed legden. Was dit gebeurd dan kwamen de vrouwen weer terug en allen spoorden het paar onder veel hilariteit aan hun plicht te doen. De oude reden hiervan, het consumeren van het huwelijk voor getuigen, was toen echter al niet meer geldend, vandaar dat het paar na deze ceremonie weer toegestaan werd op te staan en verder mee te feesten.
De dag na de bruiloft was er voor de vrienden nog een feest: een warschop of wasschop. Door de ouders van de bruid werd in de herberg voor de dorpelingen die gevlagd hadden, later nog een vlagverteren georganiseerd. Toen winkoppen en wasschoppen uit de mode raakten, werden deze termen ook wel gebruikt voor de bruiloft (de hoogtied) zelf.
Er werd met het oog op de inhuur- en huurtermijnen vooral in mei getrouwd. Aiweghaid duurt laank, moar maai komt van zien levent nait, zee de maid dei zol traauwen. Overigens trouwde lang niet iedereen officieel. De armen trouwden vaak over de puthaak. De enige plechtigheid daarbij was dat het paar over de puthaak stapte die hoorde bij de nieuw gegraven drinkwaterput bij hun schamele onderkomen.

In 1828 hebben Joh. Smid en A.J. de Vries, hoofden van scholen te Noordbroek, beschreven hoe onze voorvaders contact kregen met onze voormoeders. Het vrijen gaf hier, gelijk door het gehele Oldambt, wat meer omstandigheden.
'Een jongman die wenst te trouwen, kiest of zelf een geschikt voorwerp of hem wordt er een door een ander aangeraden. Is in het laatste geval het meisje hem onbekend, dan tracht hij haar ergens te ontmoeten. Gelukt dit niet, dan wordt er een boodschap aan huis gemaakt; men wil een paard kopen of een koe of heeft iets anders te zeggen. Bevalt het meisje de knaap, dan verzoekt deze een getrouwd man (meestal degene die met hem geweest is om haar te bezien) om zijn verlangen aan de ouders en aan de beminde voor te stellen en te verzoeken of de jonge man mag komen te vrijen. Deze man, die maaksman of degensman wordt genoemd, voldoet daaraan. Hij gaat er met een week of twee heen, wordt uitmuntend onthaald, doch krijgt veelal geen bepaald antwoord: men had zoiets in het geheel niet verwacht, men was onbekend met de persoon, de dochter (schoon die vijfmaal lont geroken heeft) was op zo iets gans niet verdacht geweest.
Kortom men kan er niets van zeggen. Wil de degensman met een paar week weer komen aanvragen, dit stelt men in zijn believen.
De degensman had niet meer verwacht. Hij is dus tevreden. Men kon hem ook ogenblikkelijk ronduit afgezegd hebben, ofschoon dit laatste zeer zelden gebeurt.
Met veertien dagen komt de maaksman weer aan. Maar nu zijn er bergen van zwarigheden; de dochter is nog niet trouwens gezind, is ook nog te jong, men kan haar ook nog niet missen, er zijn vele haren aan de klink om de jonge lui in een bestaan te zetten, enzovoort. Daarom is het beter, dat men zich hiermede niet verder inlaat. De maaksman laat zich hiermede echter niet afzetten: de vrijer is rondom een knap jongman, hij kan naar vrije wisse berekening althans wel duizend gulden en meer krijgen dan de jonge dochter. Dit laatste doet veel af. Eindelijk, na een andermaal aangemeerkt te hebben en toegestemd te zijn, adt die ere biedt ere waard is, vertrekt de maaksman met de toestemming, dat de jonge man in de andere of in de daarop volgende week op die en die dag eens zal komen vrijen.
Men gaat op de bepaalde dag, meestal op vrijdag, er heen. Vader, moeder en dochter zijn alleen in de kamer. men groet op de beleefdste wijze, geeft vader de hand, vraagt moeder heel vriendelijk hoe zij vaart en kust de dochter. De maaksman doet dit voor, de vrijer doet dit na. Wie van beiden het hartelijkst?
Wel, ik denk van de vrijer. Hij wordt naast de dochter geplaatst, aan haar linkerhand en streelt haar en kust haar en zegt haar zoveel moois als hij maar kan. in het eerste half uur zijn de jongelieden door de tegenwoordigheid van vader en moeder wel enigszins schuw, maar spoedig betert dit. de maaksman houdt de oude lui in praat, de vrijer praat soms eens mee. men eet en drinkt en schertst en is vrolijk. Ook gaat men wel eens even opstaan en zo gaat de tijd, vanaf des namiddags drie of vier uur tot 's morgens twee of drie uur, al spoedig voorbij.
Dan gaat men dikwijls half of somtijds wel eens heel beschonken naar huis en is zeer blij, dat men het zover heeft gekregen, dat men nog eenmaal mag weerkomen te vrijen.
Dit gebeurt doorgaans na verloop van een week. Men wordt evenzo ontvangen en even heerlijk onthaald als de voorgaande keer. Als het huwelijk nu niet afkomt, krijgt men het onder het uitstel. Dat is: de oude lui en de jonge dochter nemen zes of acht week tijd van beraad, gedurende welke tijd zij niet verplicht zijn antwoord te geven.
Onder het uitstel kan de vrijer het meisje een of tweemaal in de week bezoeken. Maar de maaksman komt dan niet mee. Verstrijkt het halve uitstel voor de vrijer afgezegd wordt, dan komt er voor hem vrij wat hoop. Is de tijd van uitstel geheel om, dan gaan de maaksman en vrijer in volle pracht, als twee strijdhanen zo moedig, om het jawoord te halen.
De naaste bloedverwanten van de ouders der aanstaande bruid zijn op het bruidsmaal genodigd en nu heeft het opdissen en brassen, verlevendigd door gesprek en scherts, geen einde. Voor middernacht doorgaans is hij de bruidegom en zij de bruid. 's Morgens met het lichten scheidt men. Zijn de maaksman en vrijer te paard of met een rijtuig, dan vinden zij bij de afreis hun paarden zeer kwistig en kwastig met allerlei linten versierd en zo trekken zij dan in zegepraal als helden uit de strijd naar huis.
Nu duurt het soms nog wel eens een vierendeel jaars voor het huwelijk voltrokken wordt en in deze tussentijd bezoekt de bruidegom als zoon van huis zijn bruid zo dikwijls als hij verkiest of zijn omstandigheden zulks toelaten.
Van het eerste ogenblik af dat de maaksman het voorstel gedaan heeft, is de jongeman verbonden en hij kan, behoudens zijn eer, evenmin terugtreden als de bruid na het geven van het jawoord. uit het laten opkomen om te vrijen moet men de vrijer geen al te gunstige gevolgen trekken. Voor het onder het uitstel is, weet de vrijer niet of zijn voorstel in aanmerking genomen wordt dan of men hem om zijn eers wil een paar maal laat komen vrijen. maar komt het onder het uitstel,, dan is hij zeker dat zijn voorstel in aanmerking komt en kan hij zich staande houden tot het uitstel half om is, dan houdt hij zich overtuigd, dat ouders en dochter onder elkander reeds ten zijnen voordele beslist hebben of dat zijn voorstel althans in zeer ernstige overweging wordt genomen. Het wordt de jonge dochter niet tot eer gerekend, wanneer zij de vrijer na verloop van het halve afstel nog afwijst.

De plechtigheden bij het trouwen worden langs hoe minder. Gaf men voorheen hier bruiloften waarop tachtig tot tweehonderd genode gasten kwamen, thans geeft men er bijna geheel gene meer. Zo er nog bruiloft gegeven wordt, dan worden er toch doorgaans geen gasten meer genood dan een dozijn van de naaste bloedverwanten en een paar naburen.

Huwelijksafkondiging


Omstreeks 1900 was het in Noordbroek nog gebruikelijk, dat de huwelijksaangiften op zondag door de burgemeester afgekondigd werden. Hij verscheen dan met hoge hoed op voor het gemeentehuis, de veldwachter aan zijn linkerhand. Hij gaf de veldwachter zijn hoge hoed en de veldwachter gaf hem het register van huwelijksaangiften. En dan werd de akte plechtig voorgelezen door burgemeester Heersprink, ongeacht of er luisteraars waren en ongeacht het meer of minder aangename van het weer. Na lezing werden hoed en register weer geruild met de veldwachter en de burgemeester ging naar de kerk om de godsdienstoefening bij te wonen.

Huwelijksrecht

Het huwelijksrecht schrijft voor wie met elkaar mogen trouwen en aan welke voorwaarden een huwelijk moet voldoen om geldig te zijn. Voor 1594 golden in Stad en Lande op het gebied van het huwelijksrecht de regels van het canonieke recht (de wetgeving van de r.k. kerk), aangevuld met enige bepalingen van de wereldlijke overheid. Na de Reductie in 1594 werden nieuwe regels opgesteld, die onder andere betekenden dat men alleen geldig kon trouwen voor een predikant van de Nederduits Gereformeerde, later Nederlandse Hervormde, Kerk. Voor de regels over wie met elkaar mochten trouwen, bleef men aansluiten bij het canonieke huwelijksrecht.

In de stad Groningen kon men na 1630 niet trouwen zonder dat men voor de afkondiging van het voorgenomen huwelijk toestemming had van de bestuurders van de stedelijke weeskamer in hun functie van 'Commissarissen van de huwelijkszaken'.

Toen na de Bataafse omwenteling in 1795 een eind kwam aan de bevoorrechte positie van de Nederlandse hervormde Kerk, kon men in beginsel ook voor zijn eigen kerkelijke voorganger trouwen. De doopsgezinden en de lutheranen in de stad Groningen genoten dit recht overigens al. In de stad werden echter al gauw nieuwe regels voor het van overheidswege voltrekken van huwelijken vastgesteld. Deze golden tot de invoering van het Wetboek Napoleon ingerigt voor het Koninkrijk Holland in 1809.


Pageviews vandaag: 7.