Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 21-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

schutterij

Lokaal burgerkorps dat zorgt voor de plaatselijke veiligheid en handhaving van rust en orde. De kerntaken van de schutterij (ook wel eens exercitiegenootschappen genoemd) waren aldus te vergelijken met die van de hedendaagse orde en hulpdiensten zoals politie, brandweer en het leger.

Schuttersgilde Groningen

In 1434 werd in Groningen een stedelijke ordonnantie voor de schutterij opgesteld. De raad stelde ieder jaar vier hoofdelingen van de schutters aan. Kleding werd ter beschikking gesteld; brak het wapen tijdens een veldtocht dan werd dat vervangen; het loon voor de arts die een wond moest genezen werd vergoed. Voor schietoefeningen was een gedeelte van de stadswal ter beschikking gesteld. Jaarlijks werd de papegaai geschoten; de winnaar was 'koning'. De schutterij had behalve een militaire taak - het vormde de kern van de stedelijke militie - ook het toezicht op de markt (levensmiddelen, maten en gewichten). het mocht niet vergaderen, tenzij er twee leden van de Raad aanwezig waren.

Ook in Appingedam werd een schuttersgilde vermeld.

Ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden (1594-1795) bestonden er in vele steden al schutterijen.


Welke taak de schutterij van Noordbroek en van Zuidbroek in de eerste tijd van haar bestaan had is niet helemaal duidelijk. Haar voornaamste functie zal zijn geweest het dorp schutten, beschermen tegen vijanden. In 1563 stelden Burgemeesters en Raad van Groningen reeds artikelen vast betreffende de schutters van Zuidbroek. Tegen de Franse tijd noemden de plaatselijke schutters zich exercitiegenootschappen.

Een wet van 1809 bepaalde: 'Het is de plicht van elke ingezetene om de veiligheid van de plaats zijner woning, wanneer de nood zulks vordert, te helpen verdedigen. Er zullen vaste schutterijen worden opgericht uit ingezetenen van achttien tot vijftig jaar. Alleen zij die in de schutterijen zijn ingeschreven, zijn bevoegd tot het verkrijgen van ambten en andere voordelen in de maatschappij en tot het dragen van wapenen.'

uit een latere taakomschrijving blijkt dat zij de rust en de orde in de gemeente moesten helpen handhaven en op verzoek de veldwachter en de nachtwachten gewapenderhand moesten bijstaan.

In 1818 was commanderende officier van de schutterij te Noordbroek E.W. Huisman. Geoefend werd op de Molenberg, toen nog 'De Knollen' genoemd.
Op 16 juli 1820 maakten Schout en Assessoren van Noordbroek bekend dat alle manschappen van negentien jaaar zich moesten laten inschrijven in het register van de schutterij. Door loting werd uitgemaakt wie werd ingedeeld bij de nationale militie.
In 1830, het jaar van de moeilijkheden met België, werd aan de schutters gevraagd om vrijwillig buiten de gemeente militaire diensten te verrichten.
In 1900 was de sterkte van de schutterij te Zuidbroek nog zesendertig actief en achtentwintig in reserve.

Bij de grondwet van 1814 werden de schutterijen opnieuw ingesteld om in tijd van oorlog te dienen als versterking van het leger. Onderscheid werd gemaakt tussen de dienstdoende (in steden van tenminste 2500 inwoners) en rustende schutterijen (in de overige steden en op het platteland). De sterkte werd vastgesteld op 600 man voor elke 20000 inwoners. Alle mannelijke Nederlanders tot 50 jaar kwamen voor de dienst in aanmerking. Alleen ten tijde van de Belgische opstand (1830-1839) werden de schutterijen mobiel verklaard. In 1901 werden ze opgeheven en vervangen door de landweer.

De stad-Groninger schutterij bleef echter bijeenkomen tot ze zich in 1907 ophief.


Eerste pageview van vandaag: 1