Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 31-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

schutstal

In een schutstal wordt verdwaald vee geschut. Het gebeurde in oude tijden vaak, dat iemand op zijn land vee van een ander aantrof. Daarvoor waren verschillende oorzaken: de afrastering was nog niet zo goed, er waren gemeenschappelijke weiden en het is tot 1818 nog gebruikelijk geweest, dat het vee bij de wegen mocht weiden. De gebruiker van de grond, die een dier op zijn land aantrof, kon dit naar een daarvoor aangewezen stal brengen. De zogenaamde schutstal.

In 1728 maakten Burgemeesters en Raad van Groningen daarvoor een reglement, dat ook voor Noord- en Zuidbroek gold. De eigenaren van het vee konden hun dieren pas terugkrijgen na betaling van een zogenaamd schutgeld. Dit was per dag voor een paard acht stuiver, een veulen zes, een os of koe zes, een bol acht, een twenter vier, een enter drie, een kalf twee, een schaap één en een varken twee.

In 1813 maakte de maire van Noordbroek daarvoor de volgende regeling.
Als enig schuthuis voor de opschutting van vee werd aangewezen de herberg De Zwaan van H.S. Hillenga te Noordbroek.
Al het vee, schapen, paarden enz. hetwelk ter opschutting mocht worden aangebracht, moest in die bewaarplaats gedreven worden.
De eigenaars van de landen waarop dit vee werd aangetroffen, moesten dadelijk van de opschutting kennis geven aan de burgemeester en binnen drie dagen de schade opgeven die door het vee was aangebracht.

Voor het schutten werd het volgende tarief vastgesteld: voor het schutten en ontschutten twaalf stuivers; voor voeder gedurende vierentwintig uren: voor een paard, hoornbeest of varken zes stuiver, voor een schaap of jongbeest drie stuiver en voor een lam twee stuiver.

De eigenaren konden het vee binnen acht dagen lossen. Gebeurde dat niet, dan werd het door een daarvoor aangewezen persoon publiek verkocht.

In 1822 werden te Noordbroek drie schutstallen aangewezen: Jakob Edzes Kuiper, Engel Uildriks Zuidema
en Albert Pieters Kiel, allen kasteleins.

Op 27 juni 1822 liepen in het land van Hommo Tjarks ten Have tussen het zogenaamde Oudediep en de Hooilaan twee witte lammeren, zijnde een ram en een weer, gemerkt met een snede in het rechter- en een stuk van onderen uit het linkeroor. Die dieren werden opgeschut bij Jakob Edzes Kuiper. Dit werd afgelezen van de preekstoel van de kerken in Noordbroek- Zuidbroek en Nieuw-Scheemda.

Op 24 oktober 1822 liepen in het meerland van Jan W. ten Have twee witte lammeren, waarvan de éne, een weer, gemerkt was met een stuk uit het rechteroor en de andere, een ooilam, met een stukje van onderen uit het rechtoor. Die werden naar de schutstal van Engel W. Zuidema gebracht.


Eerste pageview van vandaag: 1