Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 27-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Reformatie in Groningen

In het begin van de 16de eeuw was men in Groningen niet sterk beïnvloed door de ideeën van Luther. Waarschijnlijk voerde een traditioneel katholicisme er de boventoon. Onder de wereldlijke geestelijkheid van de parochiekerken heerste vooral een Erasmiaans bijbels humanisme: de leer moest gezuiverd worden van de laatmiddeleeuwse smetten. Er bestond dus een relatief grote vrijheid van geest.

De religieuze vrijheid in Groningen werd gedragen door de opstelling van het stadsbestuur die meende dat het gerechtigd was zijn beleid ten aanzien van geloofskwesties vast te stellen. De overheid trad ook met mildheid op
tegenover de wederdopers die zich in 1535 deden gelden. Als consequentie van de tolerante opstelling heeft men in 1566, het jaar van de beeldenstorm, de kloosterkerk van de franciscanen aan de Broerstraat overgedragen aan de protestanten. De reactie van de zijde van de landsregering kwam in 1568 via het optreden van Alva. De oude rechten van het door hem overwonnen Groningen werden nietig verklaard en uitsluitend de katholieke eredienst werd toegestaan. Daarop namen de protestanten de wijk naar Oost-Friesland, met name naar Emden.

Van nu af aan was men genoodzaakt op religieus gebied de consequenties van de politieke stand van zaken te accepteren. In 1568 was dat zichtbaar geworden in de feitelijke inrichting van een bisdom, dat een decennium tevoren al was opgericht. Johan Knijff was mild maar werkte ijverig aan het herstel van de leer. Nog geen tien jaar later, toen het politieke tij was gekeerd en de verschillende gewesten zich hadden verbonden in de Unie van Utrecht, werd het bisdom weer afgeschaft door het stadsbestuur.

De religievrede binnen de Unie van Utrecht bood schijnbaar de mogelijkheid tot een naast elkaar bestaan van beide religieuze groepen. Maar niet voor lang. De in 1568 gevluchte protestanten waren in 1579 uit Oost-Friesland
teruggekeerd als gedreven calvinisten. Maar de groeiende dominantie van het calvinisme plaatste de katholieken in een moeilijke positie.
Zij hadden alle reden zich bedreigd te voelen, nu het calvinisme meer veld won. Voor stadhouder Rennenberg en de katholieken was geen plaats in een unie waarin het calvinisme overheersend was geworden. Zij verkozen in maart 1580 een Spaans en katholiek bestuur, en wederom werden de protestanten verdreven.

De stad Groningen werd na de overgang van Rennenberg het middelpunt van Spaansgezinden en katholieken. Zowel uit de Ommelanden als uit het aangrenzende, en inmiddels protestant geworden, Friesland trokken zij naar de de loop van de jaren zouden daar de kloosterlingen van de kloosters in Groningen bij komen, aangezien de strijd hen het leven op het platteland onmogelijk maakte. In het begin van de jaren 1590 kwamen ook twee jezuïeten naar Groningen om zendingswerk te verrichten en een school te stichten.

Op 22 juli 1594 namen de Staatse troepen onder bevel van Maurits en Willem Lodewijk van stad Groningen in. Daarmee viel het laatste in de Noordelijke Nederlanden. De overgave van de stad vond plaats door ondertekening van het Tractaat van Reductie. Daarin werd bepaald dat de gereformeerde religie de enige godsdienst was die openlijk beleden mocht worden. Andere kerkelijke bijeenkomsten waren derhalve verboden. Men zou echter geen onderzoek doen naar iemands geweten. De parochiekerken, de pastorieën en de bezittingen werden overgedragen aan de nieuwe kerkgemeenten.

Op 24 juli 1594 vertrokken met de Spaanse troepen de elect-bisschop, de dominicaan Arnoldus Nijlen, de dominicanen, de drie jezuïeten en vermoedelijk ook een aantal franciscanen. Zij namen delen van hun archieven, hun bibliotheek en hun kerkschat mee in ballingschap.

Vijf dagen na de val van de stad vond in de Martinikerk de dankzegging plaats, door Menso Alting, een predikant uit Emden. Alting preekte over de tekst van Psalm 118, vers 22-24: 'De steen die de bouwlieden versmaad hebben, is tot een hoeksteen geworden' De volgende dag werd de dienst geleid door twee hoogleraren in de gereformeerde
godgeleerdheid uit Franeker: Sibrandus Lubbertus en Martinus Lydius. Dezen kregen tevens de opdracht een kerkorde op te stellen.
Het werd een calvinistisch model naar het voorbeeld van Emden. De Reformatie werd nu van bovenaf opgelegd. Nog in hetzelfde jaar werd de kerkorde ondertekend door het nieuwe, protestantse, college van burgemeesteren en raad en door stadhouder Willem Lodewijk. Naar het model van Emden werd een kerkenraad gevormd, bestaande uit de predikanten en zestien oudere mannen, waaraan het toezicht op de kerkelijke leer en tucht werd toevertrouwd. Eveneens werd een zelfstandig college van zestien diakenen ingesteld. Voor de Ommelanden volgde een afzonderlijke kerkorde.

Meteen na de reductie werden in de stad vier predikanten beroepen: de hoogbejaarde ex-priester Antonius Thomae, J. Wermerius, A. Martinus en E.S. Aerarius. Een jaar later kwam daarbij nog Feito Ruardi, die reeds in
1557-1558 en in 1566 in Groningen als protestants prediker werkzaam was geweest.

Hoewel de meeste predikanten die na de reductie beroepen werden, uit Oost-Friesland kwamen, werd er ook een klein aantal uitgeweken Groningers aangesteld, zoals Johan Clant uit Bedum, Nicolaas Clant te Uithuizen en twee zonen van Abel Eppens, die werkzaam werden in Loppersum en Ezinge.
Een aantal voormalige priesters deed na herroeping van hun geloof een examen voor de classis. Zo konden de voormalige pastoors van Zeerijp, Jukwerd, Uithuizermeden, Spijk, Stitswerd, Siddeburen, Holwierde, Uitwierde, Farmsum, Bedum, Krewerd en Leermens in het predikantsambt beroepen worden. Ook de laatste prior van het kruisherenklooster in Ter Apel werd op deze wijze de eerste predikant van de gemeente.


Pageviews vandaag: 10.