Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 25-06-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

rechtspraak

Op het punt van de rechtspraak was er in Groningen een goede samenwerking tussen adellijke geslachten en de kerk. De kerk heeft getracht de harde middeleeuwse rechtspraak te verzachten door mildere Bijbelse beginselen, en de kerk en leken hebben vaak samengewerkt om goed recht te scheppen en het leven draaglijk te maken.

In de kronieken van Emo en Menko vermeldt Menko onder het jaar 1267:
'Alleen Fivelingo bleef vrij van overstroming, misschien omdat het zijn dijken meer dan de andere Friezen had verhoogd. Veeleer echter, omdat het de uit allerlei landen daarheen stromende armen milddadiger met aalmoezen en onderdak verzorgde. Doch voornamelijk, omdat reeds twaalf jaar en langer hun rechters en andere machtigen een goede rechtspraak in stand hielden en het oordeel over rijken en armen billijk was. Hiervoor ijverden bovenal en werkten krachtdadig samen de achtbare leken Snelger van Scharmer, Ripperd van Nothensum en Tammo, ridder van Aldesum. Het was voornamelijk de abt van Bloemhof die goede raad gaf, waarnaar genoemde leken en andere edelen van het landschap zich naar behoren richtten.'

Van de rechtspraak in de middeleeuwen is bekend dat die rustte bij de grondbezitters. Elk op zijn beurt moest of mocht de rechtspraak uitoefenen. Het gaf ook baten, want de schuldige moest niet alleen de boete betalen aan de benadeelde, maar ook een breuke om weer in de gemeenschap opgenomen te worden. En de breuke was voor de rechter. Wie meer dan een heerd had van een bepaalde grootte, kreeg vaker een beurt om recht te spreken. Wie rijker was kon meer 'ruters' in dienst nemen om zijn rechtspraak kracht bij te zetten. Wie meer kennis of wijsheid, of eerzucht had, groeide gemakkelijk boven een ander uit. Het lag dus in de lijn dat de rechtspraak meer en meer in handen van enkelen kwam.

In de middeleeuwen werd vaak recht gesproken onder een boom. Dat was zo in het kustgebied vanaf Denemarken tot Zeeland, de Zeven Friese Zeelanden en in de meer Saksische gebieden verder het binnenland in. Wat het kustgebied betreft zijn de vergaderingen onder de Upstalboom bij Aurich (Oost-Friesland) bekend. Na het bouwen van kerken werden daarin rechtszittingen gehouden.

In Zuidbroek was in de dertiende en veertiende eeuw het hoofdelingengeslacht van de Gockinga's naar boven gekomen. Zij hadden daar een sterke stenen burcht gebouwd en de rechtspraak voor een belangrijk deel naar zich toe getrokken. Toen de stad Groningen in 1444 in de rechten van de Gockinga's trad ging ook hun bevoegdheid tot rechtspreken op de Stad over. Toen in 1471 het Oldambster landrecht opgeschreven werd liet dit het bestaande rechtsbestel intact. Elk bleef zijn 'rechting' en heerlijkheid gebruiken zoals hij die had geërfd van zijn ouders en over ouders. Dus de Stad kreeg de rechtstoelen van de Gockinga's en verder niets.

Maar de macht van de Stad groeide voortdurend. In 1536 stelde zij Doctor Johan Sickinge, zoon van een burgemeester van Groningen, aan tot ambtman van de beide Oldambten. hij werd belast met de rechtspraak, kreeg het opzicht over de dijken en moest in het Oldambt wonen. Als rechter kreeg hij de helft van de breuken, de andere helft ging naar de stad. het ligt voor de hand, dat de boeren als omgaande rechters het moesten afleggen tegen een bestudeerd man als Sickinge, die bovendien de macht van de Stad achter zich had. In 1594, het jaar van de overgang nar de Hervorming, had de zaak zich al zo ontwikkeld dat de omgaande rechters waren uitgeschakeld. Dat blijkt uit de eis waarmee de Oldambsters kwamen: geef ons onze buurrechters weer.

Maar dat gebeurde niet. Omgekeerd, en daar zullen zeker redenen en oorzaken voor zijn geweest, de band werd door de Stad strakker aangehaald. Toen het landrecht van de beide Oldambten in 1618 opnieuw werd vastgesteld, was er van buurrechters geen sprake meer. De Stad stelde hier een drost aan, die alleen met de rechtspraak was belast. Hij ging rond en velde vonnis in de vijf rechtstoelen: Midwolda, Zuidbroek, Winschoten, Finsterwolde en het klei-Oldambt (In 1623 kreeg het klei-Oldambt een afzonderlijke drost). Hij werd in de kerk van Zuidbroek geïnstalleerd.

In het boekje dat in 1648 verscheen in Noordbroek wordt de stad vele dingen verweten, onder andere dat zij misbruik heeft gemaakt van haar rechtspraak. Maar de buurrechters kwamen niet terug en de drost bleef tot de Franse tijd.

De eerste drosten, waarvan wij kunnen noemen Johan Sickinge en Albert Rolteman, woonden in het huis dat in 1576 verkocht werd aan Arijs Tonkens. Dit zal het perceel zijn waar in 1724 Albert Tonkens woonde. In het genoemde jaar 1576 ging de drost een paar percelen verder naar het noorden wonen dat werd aangegeven als Drostenheerd.

De drost woonde dus in Uiterburen, maar hield eeuwenlang zijn rechtszittingen in de kerk. In het eind van de achttiende eeuw werden zij pas gehouden in het 'Oude Rechthuis', het in 1987 afgebroken perceel Kerkstraat 86. Er is een verslag bewaard gebleven van de installatie van de drost E.W. Uchtman op 3 november 1788. Daarin is ook sprake van een rechthuis. Daarmee zal ongetwijfeld bedoeld zijn het hier vermelde 'Oude Rechthuis'.
'In Zuidbroek werd E.W. Uchtman, die benoemd was als drost der beide Oldambten met veel vreugde ingehaald.Ruim zestig manschappen wachteten de drost op bij de scheiding tussen Oldambt en Sappemeer. Na begroeting reed het rijtuig van de drost, gevolgd door de ruiters vier aan vier, naar de Drostenborg, waar negentig tot honderd ingezetenen onder de geweren stonden. Voor de ingang van de borg was door de jeugd een ereloof van groen gemaakt, terwijl door enige ingezetenen voor die poort een zinnebeeldige erepoort was gevormd, waarbij een toepasselijk versje werd gezongen. De drost werd door zeven gecommitteerden van het kerspel gecomplimenteerd, hetwelk door Zijne Wel Edele zeer heuselijk werd beantwoord, waarop de de manschappen drie salvo's losten. Marcherende voorts met slaande trommen en vliegende vaandels naar het rechthuis, vurende in het voorbijgaan met pelotons vuur. 's-Avonds werden nog teertonnen gebrand en zwervers en andere vuurwerken afgestoken.'

Na de invoering van de Napoleontische wetgeving bleef de rechtspraak voorlopig in het Oude Rechthuis. In 1828 werden de zittingen echter overgebracht naar hotel Concordia, bij de klapbrug over het Winschoterdiep. Daar zijn zij gehouden tot 1884.

In 1859 nam de minister contact op met het gemeentebestuur over een betere voorziening ten aanzien van het huis van bewaring en van de lokalen voor de kantonnale zittingen. Er kwam voorlopig niets van, maar in 1883 stelde de gemeente een stuk grond beschikbaar voor de bouw van een kantongerecht. Dit is toen doorgegaan en sinds 1884 worden de rechtszittingen daarin gehouden.

De drost hield niet alleen rechtszittingen in Zuidbroek, maar ook in de dorpen van het Wold-Oldambt. Zo is er een tijd geweest dat hij des maandags zitting hield te Noordbroek. In 1774 is sprake van het rechthuis te Noordbroek, bewoond door Weduwe Henr. Tammes.

Gevangenis


Bij rechtspraak hoort een gevangenis. Als de wedman (deurwaarder), geholpen door de roroede (politie) en soms bijgestaan door daartoe gevorderde ingezetenen een verdachte gearresteerd hadden, dan moest daar plaats voor zijn tot de dag van de rechtszitting. En als de zitting er geweest was en het vonnis uitgesproken, moest de veroordeelde zijn straf ondergaan. Dit spreekt te meer omdat plaatselijk ook de zware misdadigers berecht werden.

In heel oude tijden zal er niet veel zorg besteed zijn aan verdachte of veroordeelde. Hij werd in de boeien geklonken en aan een zuil in schuur of kelder vastgebonden. Wanneer er torens bij kerken gebouwd werden, werden daarin vaak de gevangenen opgesloten. De toren van Zuidbroek wordt in oude stukken wel gevangentoren genoemd. In 1713 werden er vier cellen in afgetimmerd, twee beneden en twee boven. In een rekening van 1812 wordt ook nog van een geselkamer in de toren gesproken.

Na 1814 is de toren een tijdlang niet meer gebruikt als gevangenis. Er waren toen ook cellen in de schuur achter het Oude Rechthuis, te weten cellen voor het opsluiten van gevangenen en ook een apart lokaal voor passanten, doortrekkende reizigers, aan wie een nacht onderdak werd verstrekt. In 1841 werden de gevangenen weer verhuisd naar de toren. De cellen werden genummerd 1,2,3 en 4, te beginnen bij het oostelijk vertrek beneden. Die cellen waren ongeveer twee en een halve meter in het vierkant. Cel nummer 1 werd bestemd voor personen die wegens schulden gegijzeld, vastgezet werden; nummer 2 was voor doortrekkende personen ingevolge het reglement voor de huizen van bewaring; de nummers 3 en 4 waren voor hen die door de kantonrechter veroordeeld waren.

In maart 1846 zat een zekere J.C. Hardenach in de toren gevangen. Hij wist klaar te krijgen van de dokter, dat die voorschreef dat hij meer buitenlucht moest krijgen.Voorzichtigheidshalve werd aan de gouverneur gevraagd of Hardenach twee maal per week gedurende een half uur, vergezeld van de cipier, van buitenlucht mocht genieten. Dit werd toegestaan, Maar Hardenach zag kans op een van zijn wandelingen te ontvluchten.

Op februari 1853 zat Berend Markema in de toren. Hij wist zich tussen de ijzeren staven door te wringen en te ontvluchten. Er werden nog tweeëntwintig staven aangebracht. Op 4 april daaropvolgende werd Markema weer gepakt en weer opgesloten. Hij deed toen andermaal een poging om uit te breken, maar toen hij zich door de tralies wrong, werd hij betrapt door de nachtwacht.

Hoe een eeuw geleden ongeveer het leven was van een gevangene is uit het volgende af te leiden. In elke cel was een tafel, een bank, een zandbakje, een ijzeren privaat, een hangmat, een gevulde linnen strozak met hoofdpeluw, twee wollen dekens, twee beddenlakens, een handdoek en een stuffer. Bij de cipier aan huis, om zo nodig te gebruiken, was nog: acht wollen beddendekens, acht beddenlakens, vier linnen handdoeken, vier linnen strozakken met hoofdpeluw, vier omklede blikken waterstoven, acht blikken etensbakjes, vier blikken drinkbekers, vier blikken wasbakken, drie grijze mans bovenbroeken, drie grijze mans bovenbuizen en zes katoenen onderhemden. Het voorgeschreven menu voor de gevangenen was: tweemaal per week vleessoep, tweemaal toebereide gort, eenmaal toebereide erwten, tweemaal toebereide aardappelen met groenten. Er was voorgeschreven hoeveel rundvlees, rundvet en andere ingrediënten gebruikt moesten worden. Ook de hoeveelheid brood en melk voor 's-morgens en brood, melk en koffie voor 's-avonds.

In 1879 werd een rapport opgemaakt over de toren in verband met zijn functie als kantonnale gevangenis. Daarin werd naar voren gebracht dat het een bezwaar was dat in de toren de klokken hingen, die gebruikt werden voor de begrafenissen en voor het aankondigen van godsdienstoefeningen. En als tweede bezwaar werd genoemd dat de toren werd gebruikt voor het opbergen van gereedschappen.

In het jaar 1881 werden er nog drie honderd en twaalf mannen opgesloten in de toren, waarvan zeven beneden zestien jaar; verder negenenzeventig vrouwen, waarvan een beneden zestien jaar. Het totaal aantal verpleegdagen was achthonderd drieënveertig, dus gemiddeld zaten zij er twee dagen in.

De toren is tot 1886 als gevangenis bij het kantongerecht gebruikt. De laatste cipier was veldwachter K. Metzlar. Hij woonde in het huis ten noorden van de toren, het tegenwoordige perceel Torenstraat 1. De toren zal nog wel eens gebruikt zijn voor personen die dronken bij de weg werden aangetroffen, maar hiervoor werden in 1895 een paar cachotten gemaakt achter het gemeentehuis.

Het landrecht van 1618 bepaalde dat misdadigers gestraft zouden worden op zulke plaatsen als de drost tot de meeste dienst van de justitie zal bevinden te horen. Dat gebeurde meestal bij en aan de galg die stond te Uiterburen bij de Galgeweg. Daar werden de zware misdadigers opgehangen. De veroordeelde moest op een wip staan en kreeg dan de strik om de zijn hals. Vandaar dat een galg ook wel 'wipstrik' genoemd is. Lichte straffen weerden ook voltrokken bij de galg. Wie veroordeeld was tot geseling werd naakt aan een van de opstaande palen gebonden. Ook brandmerken en afkappen van hand of vingers gebeurde bij de galg. Alles naar oud-Germaans gebruik in het openbaar. Die galg heeft er gestaan tot 1809, toen de Franse wet op de Rechterlijke Organisatie werd uitgevoerd. Omstreeks 1930 zijn bij het afgraven van dat perceel land de resten van de balken in de grond gevonden. Daarbij bleek dat de opstaande balken ongeveer zes meter van elkaar af stonden, en dat de opstelling in de richting noordzuid was. De afstand van de Galgeweg was ongeveer acht meter en vanaf het begin van het Papendiep vijftig meter. De in de grond gevonden balken zijn voor vloerliggers gebruikt van enkele huizen in de buurt. bij de galg was een bosje van eikenbomen. Die zijn in 1896 gekapt krachtens besluit van de gemeenteraad.

Wie was hard genoeg om de veroordeelden te geselen, te brandmerken en op te hangen? Dat konden maar zeer weinigen doen. Daarom werd de stadsbeul er vaak voor gehuurd. Zijn tarief was voor ophangen vijftig gulden en voor geselen vijfentwintig gulden. Als daar brandmerken bijkwam, kreeg hij bovendien nog twee dukatons. De folteringen waren soms zo wreed, dat de toeschouwers de beul te lijf wilden. Maar de drost moest hem beschermen en zorgen voor zijn behouden terugkomst in de Stad.

Hoe de praktijk was van een en ander, blijkt uit de vonnissen. Wij geven enkele weer uit de protocollen die bewaard worden op het Rijksarchief:
In 1729 heeft Grietje Harms, oud twintig jaar, geboortig van Nieveen in Oost-Friesland, vrijwillig zonder pijn en banden bekend dat zij door Hendrik Berents bevrucht zijnde, het Oldambt is ingetrokken en na een verblijf van acht dagen te Midwolderhamrik verlost wordende, het kind aanstonds, na het eens te hebben horen schreien, met opzet in haar voorschoot op een verschrikkelijke wijze heeft gesmoord en alzo vermoord. 
In naam van de Edelmogende Hoge Heren Burgemeesters en Raad van Groningen sprak de dorst G. Schaffer te Zuidbroek het volgende vonnis uit: met het zwaard gestraft worden, dat de dood er op volgt. 

In 1732 is Hylke Hannes, oud vierenveertig jaar, te Veendam getrouwd met Trijntje Jans, terwijl zijn eerste vrouw nog in Friesland woonde. 
Vonnis: met het zwaard gestraft, dat de dood er op volgt. 

In hetzelfde jaar 1732 heeft Geesje Wijpkes, oud dertig jaar, in de pap van haar man herhaaldelijk gif gemengd.
Vonnis: door de scherprechter op een rad gezet, de rechterhand afgekapt en boven het hoofd gespijkerd en voorts gewurgd. 
Dit is kennelijk een vonnis dat erg toegesproken heeft. Van drie kanten hebben wij namelijk een overlevering opgevangen. Zij spraken alle van Geeske die haar man vermoord had. De een noemde haar Geeske Bond, de ander kon het huis nog aanwijzen in Uiterburen waar zij gewoond had (Uiterburen 98, nu afgebroken) en, tja, de derde vertelde dat Geeske gevraagd had om eerst nog een psalm op te mogen zeggen. Dat was haar toegestaan. De menigte, die van heinde en ver was toegestroomd, stond met ongeduld te wachten tot de lange psalm beëindigd was.

In 1750 hebben kerkeraad en diakenen van Noordbroek de volgende klachten over Geeske Hindriks, oud vierentwintig jaar: van haar jonkheid af heeft zij zich met kleine dieverijen beziggehouden, zij is op 21 oktober volgens eigen bekentenis van een onecht kind bevallen; als zij ergens besteed wordt, is zij na een dag of acht weer vertrokken. Kerkeraad en diakenen zijn bevreesd voor verdere onheilen.
Vonnis van de drost: voor de tijd van zes jaar opsluiten in het provinciaal tuchthuis om aldaar gedurende die tijd met handenarbeid de kost te verdienen.

In 1756 heeft een jongetje van elf jaar, Nanne Jans, brand gesticht in de woning van de organist Klugkist te Zuidbroek.
Vonnis: tuchthuisstraf van vijftien jaar. 

In 1762 heeft Jochum Jans, oud dertig jaar, wonende te Ommelanderwijk, zijn vader vermoord.
Vonnis: ter plaatse waar men gewoon is justitie te doen op een rad gelegd en levend geradbraakt, voorts hem op de borst een slag gegeven met dezelfde houw waarmee hij zijn vader heeft doodgeslagen, daarna het hoofd van het lichaam af te houwen, hetwelf tussen zijn benen op de pinne van het rad zal worden genageld; voorts zal de houw ook aan het rad worden vastgemaakt.

In 1769 heeft Jantje Gerrits, oud tweeëntwintig jaar, een ploegijzer gestolen en en schort.
Vonnis: voor vier jaar verbannen uit deze gehele provincie. 

In 1770 heeft Tjasso Jans, roroede van het kerspel Zuidbroek, meermalen ontuchtige handelingen gepleegd met Trijntje Stoffers. Deze Trijntje Stoffers was in het huis van Roroede in verzekerde bewaring gesteld. Hij heeft haar daar onder zware vloeken tegen de grond geslagen en met geweld verkracht. Nadat zij had gedreigd dat zij de wandaden zou openbaren heeft hij haar de beenboeien losgemaakt en gelegenheid gegeven om te ontvluchten, waarvan zij gebruik gemaakt heeft. 
Vonnis: betaling van een breuke van veertig daler en van het kostgeld bij de kastelein van het rasphuis te Zuidbroek, gedurende zijn gijzeling. Tevens werd hij ontzet uit het ambt van roroede.

In 1772 heeft Geert Zwiers te Kalkwijk, oud twintig jaar, verscheidene schapendiefstallen gepleegd.
Vonnis: op de gewone gerechtsplaats publiek aan de paal te worden gesteld en aldaar strengelijk te worden gegeseld. Tevens opsluiting in het provinciaal tuchthuis gedurende zes jaar, waar hij door handenarbeid zijn kost moest verdienen. Johannes Zwiers, oud zestien jaar, medeplichtig aan bovengenoemde diefstallen, werd veroordeeld om de geseling van zijn broer te aanschouwen. verder werd hij ook zes jaar in het tuchthuis opgesloten.

In 1787 ging Hendrik Overbeek hecket rond in de dorpen van het Oldambt. hij was gekleed in uniform met een lange sabel. Hij gaf zich uit voor een afgezant van de Prins van Oranje en vertelde dat er binnenkort enige duizenden soldaten kwamen die bij de boeren zouden worden ingekwartierd om te bewerken dat alles prinsgezind werd. Hij werd gevangen genomen door het exercitiegenootschap van Winschoten en voor de drost van Zuidbroek geleid. 
Vonnis: geseling, vijf jaar tuchthuis en daarna verbanning.

In 1789 heeft Dokter David Wolvendijk, toen hij in de Kerklaan te Veendam voor de daar opgerichte vrijheidsboom stond geroepen: 'ik wou dat die in brand stond.' Verder heeft hij beweerd dat de maagd die er voor stond 'een liche meid' was, zulks op grond van het opschrift, dat zij boven het hoofd droeg: 'ik ben onteerd.' 
Vonnis: voor altijd verbannen.

In hetzelfde jaar heeft Willem Martens, oud veertien jaar, twee broden ontvreemd uit de bakkerswinkel van de Weduwe Wallant te Veendam.Vonnis: vier weken tuchthuis op eigen kosten, waarvan de laatste acht dagen op water en brood.

In 1801 heeft Annechien Beerends te Noordbroek, drie spint aardappelen gestolen.
Vonnis: vier weken tuchtstraf op eigen kosten, waarvan de laatste acht dagen op water en brood.

In 1809 heeft Eildert Derks stukken laken, katoen, kousen, enzovoort gestolen bij de winkelier Geert Jans Looger te Woldendorp.
Vonnis: strenge geseling op de plaats waar men gewoon is criminele justitie te doen, aan een paal gebonden; met een ijzer gebrand: vijftien jaar opgesloten in een tuchthuis te Groningen; daarna verbannen voor altijd buiten het Koninkrijk; veroordeling tot betaling van de kosten van justitie.

In 1810 heeft Jantje Pieters, huisvrouw van Jan Geerts, oud vijfentwintig jaar. wonende te Beerta, zich schuldig gemaakt aan inbraak en diefstal. Zij heeft de achterdeur van het huis van haar buurman geopend door een dakpan te verschuiven, haar arm te steken door de aldus gemaakte opening en een kettinkje aan de binnenkant van de deur los te maken. Door deze deur heeft zij zich begeven in huis en uit de bedstede in de keuken van onder het bed weggenomen een zakje met geld.
Vonnis: om gebracht te worden naar de plaats waar men gewoon is criminele justitie te doen om aldaar aan een paal gebonden, door de scherprechter strengelijk met roeden te worden gegeseld; voor de tijd van zes jaar te worden opgesloten in een der tuchthuizen binnen Holland teneinde aldaar met de arbeid harer handen de kost te verdienen; na afloop daarvan te worden verbannen buiten Holland voor de tijd van zes jaar; te betalen de kosten van justitie.

In 1811 heeft Klaas Geerts Klunder, oud veertien jaar, enige malen diefstal gepleegd. Bovendien was hij weggelopen van zijn werkgever, waar hij door de kerkeraad besteed was.
Het gericht sprak geen vonnis uit, maar besloot, dat Klaas binnenskamers door de roroede moest worden getuchtigd. De straf werd uitgevoerd in tegenwoordigheid van het gericht en van de leden van de kerkeraad van Zuidbroek en Muntendam.

Over de steun die de rechter aan de dijkrechters verleende bij de uitoefening van hun taak, vonden wij het volgende. In 1794 gaven de dijkrechters Eppo Harms en Harm Egberts Hamster opdracht aan verschillende inwoners van Noordbroek om meentewerk te verrichten aan het Oude- of Buitendiep. Onder die inwoners was ook Ebo Hansens van Stootshorn. Hansens weigerde. Er werden twee anderen voor hem genomen tegen betaling van een gulden en tienstuiver samen. De kerspeldienaar wilde dit bedrag invorderen bij Hansens. Maar deze weigerde ook om te betalen. De advocaat van het kerspel wendde zich nu schriftelijk namens de dijkrechters tot Mr. H. Guichart, drost van beide Oldambten met het verzoek om de wedman (deurwaarder) op te dragen om de kerspeldienaar te assisteren bij het afhalen van pand tot een bedrag van twee gulden en vijf stuiver. Er waren twaalf stuiver boete bijgekomen en drie stuiver voor de kerspeldienaar voor het afhalen van de penningen. De drost beschikte gunstig op het verzoek en de panden werden gehaald. De opgehaalde panden bestonden uit een klok, een koperen ketel, een koperen melkemmer, een vuurpan, een tinnen koffiepot, een tinnen kroes' pulle en een tinnen mengels pulle.


Politie

In oude tijden heeft men op het platteland meer hinder gehad van lastige mensen dan in de steden. In de steden woonde men dichter op elkaar en kon men elkaar dus beter helpen. Verder waren er poorten die bij avond gesloten werden. Waar men vooral hinder van had waren afgedankte soldaten, door andere gewesten verbannen misdadigers en zwervers. In 1685 was de toestand zo erg dat de stadsregering een plakkaat uitvaardigde dat aan alle vreemdelingen verbood om zich in het stadsgebied te vestigen als zij geen attestatie van hun pastoor en ouderlingen hadden. Tevens werd opdracht gegeven om een politieman an te stellen. Deze werd roroede genoemd vanwege de rode stok die hij droeg. Verder kreeg hij als wapen een geweer, snaphaan genoemd. Hij moest ook altijd een manvaste hond bij zich hebben. De roroeden moesten de ingezetenen  vooral beschermen tegen de landlopers die van huis tot huis liepen om te bedelen en de huislieden het geld afpersten en overal stalen. Zij moesten deze bedelaars nar het tuchthuis te Groningen brengen. Noordbroek en Noordbroeksterhamrik kregen toen samen een roroede  en Zuidbroek kreeg er een samen met Muntendam en Meeden.


Van Noordbroek is nog aanwezig een register van het tractement van de roroede uit 1782. Het is opgemaakt door de volmachten van het kerspel Noordbroek en goedgekeurd door de drost A.J. de Sitter. De roroede moest in die tijd zijn salaris zelf ophalen bij de ingezetenen. Zo moest de roroede Jan Everts elk kwartaal bij tweehonderdentwintig ingezetenen langs om zijn tractement bij elkaar te krijgen. De aanslagen beliepen van een tot acht stuiver. Acht stuiver moesten bijvoorbeeld betalen de heer F. Rijpma, de heer B. Beenes, de heeer Jan ten Doornkaart en de heer Moorres.


In de Franse tijd kwam er naast de roroede die aangesteld werd door de kerspels de veld- en boswachter die aangesteld werden door de gemeente. Later werd hij alleen veldwachter genoemd. In 1812 werd tot veldwachter te Noordbroek benoemd Harm J. Brouwer. Hij moest dragen een opgetoomde hoed met cocarde, een sabel, een bandelier, en een plaat waarop stond 'Veldwachter van de gemeente'. Verder moest hij steeds dragen een rok van blauw laken. hij moest voor de plaatselijke orde zorgen, maar zich ook beschikbaar stellen aan de Franse gendarmes voor het opsporen van deserteurs.


In 1880 vroeg Noordbroek om een rijksveldwachter omdar er zoveel vernielingen plaatsvonden van tuinvruchten, vruchtbnomen, veldgewassen, enzovoort.



Pageviews vandaag: 2.