Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 18-12-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Praedinius Gymnasium

In 1847 werd de Latijnse School te Groningen omgezet in het Stedelijk Gymnasium, door de start met onderwijs in moderne talen als de tweede afdeling. In 1947 kreeg ze de naam Praedinius-Gymnasium.

In 1856 werd de school door de minister erkend. Ze bleef tot 1861 gevestigd aan het Broerkerkhof. Dit gebouw werd levensgevaarlijk verklaard waarna de lessen verhuisden naar het oude gebouw 'Minerva' aan de Oude Kijk in 't Jatstraat. Vanaf 1865 was de school gevestigd aan het Martinikerkhof. De in 1864 geopende Rijks-HBS nam de tweede afdeling over. In 1881 werden de eerste meisjes als leerling ingeschreven. In 1882 verhuisde de school naar de Turfsingel.

Geschiedenis van het Gymnasium (1594-1947)
De regering der stad Groningen vatte terstond nadat op 23 juli 1594 het 'Tractaat van Reductie' was gesloten, waarbij de stad werd teruggebracht tot de Unie van Utrecht, de ordening van de schoolzaken met grote energie aan. De oude St. Maartensschool, waarvan reeds melding wordt gemaakt in het oudst bewaarde stadboek (eind 14e eeuw), had vooral onder rector Regnerus Praedinius een tijdperk van bloei gekend. Zij was echter zeer in verval geraakt. De St. Maartensschool was tevens belast geweest met koordienst; met de hervorming viel deze taak natuurlijk weg.

Men was nu van mening dat er een 'gants nije schole' moest komen 'met guede rectore ende mesteren'; ; de bedoeling van de magistraat was het onderwijs der school zo in te richten, dat het zou voorbereiden voor het universitaire; als volgt drukte men zich uit: [Zij] 'verhopen......de studierende joget so wyt tho brengen lathen, dat se uth disse schoele mit ehren vordell, als ehre fundament woll gelecht hebbende, in die hoge schoelen, edder universiteten vertrecken, und aldaer ehre studia in verschedene facultatibus superioribus continueren, unde thom gelucklichen ende brengenmogen'.

Nieuwe leerkrachten moesten nu worden gezocht, 'mesters' die voor de indiensttreding de 'gereformeerde religie zouden onderschrijven'. Van het meeste belang was de keuze van een nieuwe rector. De stad nam in deze het zeer gelukkige besluit Ubbo Emmius, rector aan de Latijnse school te Leer, als zodanig aan te zoeken. Wellicht hadden Groningse magistraten tijdens hun Oost-Friese ballingschap deze geleerde leren kennen; zeer waarschijnlijk is ook, dat Menso Alting, de bekende Emder predikant, die de stad Groningen bij de hervorming van kerk en school met raad en daad ter zijde stond, zijn vriend Emmius met nadruk had aanbevolen als zeer geschikt om leiding te geven aan de Groningse Latijnse scholen.

Het stadsbestuur beijverde er zich terdege voor Emmius naar hier te krijgen; zijn moeiten werden beloond. Emmius aanvaardde de benoeming. Op 24 september 1594 ontving hij reeds een 'ankomend stipendium'; in oktober van dat jaar verscheen een door Emmius opgesteld programma voor de Latijnse scholen te Groningen, dat het doel en de inrichting van het onderwijs uiteenzette.

Voor de vervulling van het conrectoraat hadden burgemeesters en raad het oog laten vallen op Gerard Buning, rector te Bremen, een oud stadgenoot, die na het verraad van Rennenberg in 1580, Groningen had moeten verlaten. Ook Buning aanvaardde zijn benoeming; met Emmius en nog 4 praeceptoren was hij reeds in de winter 1594/95 in functie. Spoedig daarna trad er nog een vijfde praeceptor in dienst.

'Den 15 Novembris (1594) is die neije schoele upgherichtet in dat Broerclooster, wesende midden in der stadt'. Het oude gebouw der St. Maartensschool, aan de oostzijde van het Martinikerkhof, dat later werd verbouwd en ingericht tot Provinciehuis, heeft voor de nieuwe school geen dienst gedaan . Deze werd terstond gevestigd in de zuidelijke en oostelijke vleugel van het Franciscanerklooster, hetwelk met de andere kloosters en kloostergoederen in dit gewest na de reductie bestemd was om te dienen 'ad pios usus'. waartoe o.m. de opvoeding van de jeugd en het onderhoud der scholen werd gerekend. In dit gedeelte van het Broerklooster bleven de Latijnse scholen gedurende de gehele verdere tijd van hun bestaan, ruim twee en een halve eeuw lang; ook het gymnasium waarin de Latijnse scholen in 1847 werden omgezet, was nog tot 1861 in dit gebouw gevestigd.

De school telde aanvankelijk 8 klassen (scholen); in de loop der jaren wisselde dit getal echter meermalen.

Om de belangen van de scholen goed te kunnen behartigen benoemden burgemeesters en raad 2 leden uit hun college tot 'scholarchen', ook wel 'curatores' genoemd, die zich speciaal met de zorg voor de scholen moesten belasten. Reeds direct in 1594 werden scholarchen aangesteld, met name Roelof Gruys en Eggerick Eggens, welke laatst tot zijn dood in 1615 deze functie bleef bekleden.

Volgens resolutie van de Staten van Stad en Lande van 26 november 1612, waarbij tot oprichting van een hogeschool hier ter stede werd besloten, zouden de 'inspectors', die zorg moesten dragen dat 'alle saecken tselve collegium (hogeschool) betreffende in goede oirdre, regel ende discipline geholden werden' ook worden belast met 'opsicht....op de triviale schoele in de Stadt' om 'alle faulten ende misbruycken, soe hun daerinne voercoemen meugen, den heeren van een eerbaren Raedt an te dienen, om bij haere edele d'selve gecorrigeert, ende voorts geremedieert te meugen worden naer behoiren, sonder desen eenichsins sall strecken tot praejudice van het recht, twelck de Stadt, soe int beroepen van rectoren ende schoelmeesteren miet de dependentiën van dien, alleene competeert'.

In de instructie van de curatoren der hogeschool, wordt van dit 'opsicht' over de triviale school niet meer gerept. De stad zal er weinig op gesteld zijn geweest, dat het college van curatoren der Hogeschool, een provinciaal college, ook een stadsschool zou inspecteren; zij zal zich tegen deze provinciale inmenging hebben verzet. De reden waarom de Staten aanspraak maakten op medetoezicht, was, dat de Latijnse school mede uit het fonds der geseculariseerde kloostergoederen, waarvan de baten de gehele provincie behoorden ten goede te komen, werd bekostigd. Nog in 1644 verklaarden de Ommelanden, dat hun het toezicht mede toekwam op grond van deze reden; de stad verzette zich hier krachtig tegen; het toezicht bleef voortaan de taak van de scholarchen door het Stadsbestuur alleen hiertoe benoemd.

Aanvankelijk bleven de scholarchen aan zolang zich geen reden voordeed, die continuatie onmogelijk of ongewenst maakte. Eggerick Eggens b.v. was, zoals reeds is opgemerkt, scholarch van 1594 tot zijn dood in 1615. In 1628, bij resolutie van 5 april, maakten burgemeesteren en raad bezwaar 'dat voortaen de scholarchschappen stedes continueren'; zij namen het besluit 'dat dezelve (scholarchen) zullen blijven bij den raedt, dezelffs plaetse vacant geholden en an een ander weder confereert zall worden'.

Op 13 augustus 1767 besloten burgemeesters en raad het college van scholarchen uit te breiden met twee leden. De scholarchen van het vorige jaar zouden nl. voortaan 'de effective in den eed sijnde scholarchen...adsisteren'. Deze nieuwe samenstelling bracht echter moeilijkheden met zich mede, aangezien het dikwijls gebeurde dat een der scholarchen van het vorige jaar of beide in generaliteits- of provinciale commissies zitting hadden en daardoor in die mate geoccupeerd waren, dat zij geen besprekingen betreffende schoolzaken konden bijwonen.

Daarom werd op 12 februari 1779 besloten dat 'alle vier scholarchen uit de effectieve, in den eed zijnde, raad zullen worden gekoosen in diervoegen, dat daartoe zullen worden geeligeert de tweede burgemeester en raadsheer in de aangaande en de tweede burgemeester en raadsheer in de continueerende rang, zullende in plaats van de uit de raadgaand, telkens de tweede burgemeester en de tweede raadsheer in de aangaande rang worden in plaats gestelt'. Ieder jaar traden dus nu een burgemeester en een raadsheer af, na normaliter twee jaar scholarch te zijn geweest. Aan het college werd een inspecteur toegevoegd, als hoedanig professor dr. N.W. Schroeder heeft gefungeerd van 1767-1798; na diens dood in 1798 is echter geen opvolger benoemd.

Deze regeling bleef tot 1795. De 21e maart van dat jaar heeft de 'Provisionele Municipaliteit' vier burgers uit haar midden tot 'Provisionele Scholarchen' aangesteld. De 8e september daar opvolgend werden deze vervangen door 4 scholarchen, door de Municipaliteit uit haar midden gekozen. Ook in 1796 en 1797 werden 4 scholarchen aangesteld, twee 'aangaande' en twee 'gecontinueerde'. Van 1798 af tot 1808 bestond het college slechts uit 3 leden, terwijl van 1808 af twee wethouders als scholarchen fungeerden, totdat het toezicht op de Latijnse scholen, na de inlijving van het Koninkrijk Holland bij Frankrijk, bij de Keizerlijke Universiteit kwam te berusten.

Een instructie voor de scholarchen van de Latijnse scholen te Groningen van voor 1815 - zo er een is opgesteld- is niet bewaard gebleven. Aan de hand van de Groningse raadsresolutiën en het 'protocollum scholasticum' kan echter worden vastgesteld dat tot hun werkkring o.m. het volgende behoorde:

1. Toezicht houden. De scholarchen moesten er voor zorgen dat het onderwijs op de vastgestelde wijze werd gegeven; dat de onderwijzers leerlingen zich ordelijk gedroegen; dat het schoolgebouw behoorlijk werd onderhouden, etc. Ook hadden zij het toezicht op de 'Duitsche' scholen, waar lager onderwijs werd gegeven, alsmede over de door de stad -uit het peculium scholasticum- gesubsidieerde Franse kostschool.

2. Het voordragen van nieuwe docenten aan de Latijnse scholen; aanstelling geschiedde door burgemeesters en raad. De custos of claviger scholarum (concierge) werd echter door de scholarchen benoemd. Ook voor de sub.1 genoemde Franse kostschool droegen zij onderwijzeressen voor .

3. De scholarchen stelden de 'ordres en wetten' op, welke door burgemeesters en raad moesten worden gearresteerd. Tevens ontwierpen zij de 'orde lectionum' eveneens door burgemeesters en raad te arresteren.

4. Het examineren van nieuw te benoemen praeceptoren; dit sinds 1667.

5. Het examineren van degenen, die in de stad 'Duitsche' school wilden houden. Van hen die door de scholarchen werden geadmitteerd om dit onderwijs, dat bestond uit leren lezen, schrijven en rekenen, te geven, moest een register worden bijgehouden.

6. Bovendien hadden de scholarchen hun taak t.a.v. het peculium scholasticum.

Reeds werd opgemerkt, dat na de Reductie de kloostergoederen -samengebracht in 'aerarium commune'- waren toegewezen 'ad pios usus'. Derhalve werd aan de gedeputeerde staten bij staatsresolutie van 28 augustus 1595 opgedragen de tractementen van de rector en schoolmeesters der Latijnse scholen te Groningen te voldoen. Jaarlijks werd nu voor de Latijnse scholen een som uitgetrokken, waaruit behalve de tractementen ook andere uitgaven, zoals onderhoud van het gebouw, de premies (aan de beste leerlingen uitgereikte prijzen) etc. werden bestreden. Nadat dit bedrag van tijd tot tijd was verhoogd, bedroeg het in 1647 reeds fl. 6000,-: sindsdien bleef het onveranderd.

Ook de 'Duitsche' meesters werd een toelage uit de kloostergoederen uitbetaald. Gezamenlijk ontvingen zij in 1650 fl. 996,-; bij dit bedrag kwam later nog een post groot fl. 104,- als tractement voor een 'praeceptor musicae' . Samen dus een bedrag van fl. 1100,-, hetwelk sindsdien onveranderanderd bleef. Het tractement van de muziekleraar werd echter van 1703 af uit de eerstgenoemde post van fl. 6090,- betaald.

Later, toen de provincie de kloostergoederen grotendeels had verkocht, kwamen beide posten, voor de Latijnse scholen en het 'Duitsche' onderwijs, voor in de rekening van de provinciale ontvanger-generaal; na het amalgama der gewestelijke bezittingen en schulden in 1798 werden het uitkeringen ten laste van de Landskas. In 1808 maakte men er echter bezwaar tegen de betaling van de beide sommen bij voortduring uit de Landskas te doen. De stadsregering, die voorzag dat zonder deze uitkeringen de voor de vorming van de jeugd zo bijzonder belangrijke Latijnse scholen spoedig niet meer instand zouden kunnen worden gehouden, drong er bij het Gouvernement ten sterkste op aan, dat de uitbetaling van deze gelden niet zouden worden gestaakt. Deze aandrang had een gunstig gevolg. Koning Lodewijk Napoleon besloot dat jaarlijks fl. 8000,- subsidie voor de Latijnse en lagere scholen hier ter stede zou worden uitbetaald. In 1815 kwam de volgende financiële regeling; Bij K.B. van 28 december van dat jaar (nr. 20) werd bepaald, dat provisioneel in het vervolg uit de Landskas zouden worden betaald de jaarwedden van de onderwijzers aan de lagere scholen te Groningen ten bedrage van fl. 1000,- 's jaars, en die van de onderwijzers aan de Latijnse scholen ten montante van fl 5246,10. Bovendien zou het gedeelte der academische gebouwen, dat ten gebruike van de Latijnse scholen was afgestaan, eveneens provisioneel uit de Rijkskas worden onderhouden.

Doordat de jaarlijkse gelden van het peculium scholae latinae en het 'Duitsche' schoolgeld doorgaans niet geheel werden opgebruikt, en mede door een goede administratie, was er in de loop van de tijd enig kapitaal gevormd, hetwelk grotendeels in schuldvorderingen ten laste van de stad was belegd. Van de opbrengsten van dit kapitaal werden eveneens verschillende uitgaven van de Latijnse scholen gedaan. Maar ook voor andere doeleinden werden de renten van dit fonds gebruikt. Zo werd aan de Stadsfysicus, op last van burgemeesters en raad, jaarlijks fl. 200,- uit het peculium scholasticum betaald. De resterende renten werden wederom 'op de stad Groningen' belegd.

Uit een rapport in 1809 door scholarchen aan de landdrost uitgebracht blijkt dat het bespaarde kapitaal was aangegroeid tot het belangrijke bedrag van fl. 55.500,-, hetwelk een jaarlijkse opbrengst aan rente van fl. 2132,10 afwierp. Dat dit fonds zo was aangegroeid vond vooral zijn oorzaak hierin dat uit het 'Duitsche' schoolgeld op den duur zeer weinig meesters werden betaald. Uit dit rapport vernemen wij tevens dat de leerlingen der Latijnse school in 1809 nog gratis werden onderwezen.

Aanvankelijk legde de 'Stadsrentemestersdienaer' de rekening en verantwoording van het peculium scholae latinae en het 'Duitsche' schoolgeld af, later van 1644 af, voerde de rector van de Latijnse scholen de administratie van deze gelden en hoorden de scholarchen de jaarlijkse rekeningen af. Zij genoten voor hun werkzaamheden, in belang van de Latijnse scholen gedaan, geen jaarwedde; wel ontvingen zij gezamenlijk, ongeacht hun aantal, fl. 75,- voor vacatiën en het innemen der rekening.

Het peculium scholasticum bleef bestaan tot 1863; in dat jaar maakten de gedeputeerde staten uit administratief oogpunt bezwaar tegen het voortbestaan van dit en van het zg. schoolfonds, een fonds van schoolgelden, naast de gewone financiën van de gemeente, behandeld en verantwoord in de gemeentebegroting en gemeenterekening. De laatste rekening van het peculium scholasticum werd derhalve over 1863 afgelegd. Van 1864 af werd alles rechtstreeks door de gemeente betaald. In januari van dat jaar is het saldo van het peculium scholasticum 'ter goeder trouw' ten kantore van de gemeenteontvanger gestort en vernietigde men de obligaties, die het fonds ten laste van de stad bezat.

Gedurende de tijd van de inlijving bij Frankrijk berustte de zorg voor de Latijnse scholen bij de Keizerlijke Universiteit. Zo ook te Groningen; de rector van de hogeschool was in het bijzonder met deze taak belast. Aan de rectoren der hogescholen was nl. opgedragen het 'inspecter et surveiller,collèges, les institutions et les pensions.

Bij K.B. van 2 augustus 1815 (nr. 14) werd het hoger onderwijs opnieuw geregeld. Art. 1 van dit besluit omschrijft wat onder hoger onderwijs zou worden verstaan: 'zoodanig onderwijs, dat ten doel heeft den leerling, na afloop van het lager onderwijs, tot eenen geleerden stand in de maatschappij voor te bereiden'. Onder inrichtingen, waar hoger onderwijs werd gegeven, rekende men zowel de hogescholen en athenea als ook de Latijnse scholen. Het eerste hoofdstuk van genoemd besluit is dan ook aan de Latijnse scholen gewijd. 'De Latijnsche scholen', aldus art. 4 van het K.B. van 1815, 'moeten beschouwd worden als de eerste trap van het hooger onderwijs en als inzonderheid bestemd voor diegenen welke, na aanvankelijk door het lager en middelbaar onderwijs te zijn beschaafd geworden, nu verder tot eenen of anderen geleerden stand in de maatschappij zullen worden opgeleid'. De Latijnse school zou uit 6 klassen bestaan, tenzij de curatoren, uit hoofde der plaatselijke omstandigheden een andere indeling noodzakelijk achtten.

In alle steden waar zich Latijnse scholen bevonden, moest vanwege de stedelijke regering een college van 3 of meer personen, curatoren of scholarchen genaamd, het bestuur over deze scholen op zich nemen, en vooral ervoor zorg dragen, dat het onderwijs werd en bleef ingericht, zoals het bij het reglement, dat krachtens art. 23 door het Departement van Binnnenlandse zaken moest worden uitgevaardigd, zou worden voorgeschreven. Dit reglement kwam in 1816 tot stand (vastgesteld op 20 april). De taak van de curatoren werd in de art. 27-35 omschreven en bestond o.m. uit:

1. Het regelen, in overleg met de stedelijke regering, van tractementen van de rector, de conrector en verdere onderwijzers, alsmede het door de schooljeugd te betalen 'minerval' (art. 27).

2. Het toezien op gedrag en vorderingen van de leerlingen, het tweemaal per jaar afnemen van een 'plegtig' examen (art. 28).

3. Het bevorderen van de leerlingen, die zij daartoe blijkens de vorderingen geschikt achten, naar een hogere klas, en het uitreiken van een getuigschrift, in het Latijn opgesteld, aan degenen, die de hoogste klas met goed gevolg hebben doorlopen (art. 29).

4. Het in het openbaar afkondigen van bevorderingen en het uitreiken van prijzen aan de beste leerlingen; de curatoren werd het houden van 'gratiarum actiones' door de leerlingen bij die gelegenheid als een loffelijke oude gewoonte aanbevolen (art. 32).

5. De curatoren moesten 2 maal per jaar, na afloop van elk halfjaarlijks examen betreffende de staat hunner scholen verslag uitbrengen aan de secretaris van Staat van Binnenlandse zaken (art. 34). Sinds 1836 werd echter slechts eenmaal per jaar, na het in de zomer gehouden examen, verslag gedaan.

6. Bij het openvallen van een plaats als onderwijzer moesten, in geval de scholen enige subsidie van lands wege genoten, de curatoren een nominatie inzenden bij de secretaris van Staat van Binnenlandse zaken die daaruit zou verkiezen (art. 35).

Aangezien te Groningen in 1815 geen college van curatoren bestond, stelde de burgemeester, overeenkomstig art. 26 van het genoemde K.B. van dat jaar bij resolutie van 27 november 3 curatoren aan, met name mr. R. Lohman, mr. W.J. Quintus en mr. H.O. Feith.

Bij raadsbesluit van 30 juli 1847 werd in verband met de uitbreiding van de Latijnse school en verandering daarvan in gymnasium het aantal der curatoren vermeerderd. Voortaan zou hun college uit 5 leden bestaan.

De wet op het hoger onderwijs van 28 april 1876 bracht ook voor het gymnasium belangrijke veranderingen met zich mede; de taak van de curatoren werd er eveneens opnieuw door vastgesteld. Zij werd omschreven in art. 25 en 26. Het college moest nu aan de inspecteur - het toezicht op de gymnasia werd bij deze wet opgedragen aan een of meer inspecteurs onder oppertoezicht van de minister van binnenlandse zaken- mededeling doen van de belangrijke veranderingen die zich t.a.v. het gymnasium voordeden; aan het gemeentebestuur moesten de voorstellen gedaan worden, die in het belang van het gymnasium noodzakelijk werden geacht. Jaarlijks moest voor 1 maart aan de gemeenteraad een beredeneerd verslag worden uitgebracht omtrent de toestand van het gymnasium tijdens het afgelopen kalenderjaar, en voor 1 september aan de inspecteur een verslag over het afgelopen studiejaar.

Bronnen:
www.groningerarchieven.nl

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.


Er is nog niet op dit artikel gereageerd.

Pageviews vandaag: 9.