Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 20-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

postdienst

In 1771 werd een rijdende postdienst ingesteld tussen Groningen en Oost-Friesland. Voordien werden brieven en geldswaarden per bode overgebracht.

Een bode beroofd
De boden maakten vaak gebruik van begeleiders, die hen van de ene naar de andere brachten. Op zekere avond kwam de bode bij de begeleider van Zuidbroek, die aan de Vlaslaan woonde en van beroep slager was. De bode deelde mede, dat hij een belangrijke som geld moest overbrengen naar Winschoten en hij vroeg begeleiding. De bode met geld kwam niet over, maar hij werd een paar dagen later met uitgesneden hals gevonden in een sloot aan de Trekweg tussen Zuidbroek en Scheemda.

De postillon en de burgemeester

In december 1814 kreeg schout (burgemeester) Eppo Edze Tonkes een kwestie met de postillon over het rijden op het voetpad.
in de avond van 21 december 1814 surveilleerden de bos- en veldwachter Atzema en twee nachtwachten in de gemeente, op de tijd dat de postillion gewoonlijk passeerde. Deze reed te paard en bracht zesmaal per week de brieven van Groningen en Winschoten en terug. Teon bleek dat hij niet gebruik maakte van de weg maar van het voetpad, werd hij aangehouden door Atzema en zijn helpers. Zoals dat toen gebruikelijk was, kon hij onmiddellijk de boete betalen of hij moest mee naar de wacht. De postillion deed het eerste en betaalde drieëndertig stuiver.
De volgende dag kreeg de burgemeester een boze brief van de directeur van het postkantoor te Groningen, met het verzoek om de boete terug te geven en de postillon niet weer aan te houden. Als de brieven en pakketten maar een kwartier te laat kwamen, konden zij niet meer doorgezonden worden en moesten tot de volgende postdag blijven liggen.
Toen de postillon deze brief bracht, bleef hij wachten op drieëndertig stuiver.
Maar de burgemeester verklaarde dat hij de zaak eerst wilde onderzoeken. Toen werd de postillon brutaal en gaf zijn paard de sporen. Hij reed over de stenen rijp, zodat de vlinten hem achterna vlogen.
De burgemeester ging raad vragen bij de commissaris van politie te Winschoten.
Hoe hij hier mee aan moest? Het rijden over het voetpad was bij politieverordening verboden. En de weg was niet zo slecht, dat de postillon daar beslist niet overheen kon, want de dag tevoren was er zelfs nog een sjees over gekomen.
De commissaris antwoordde dat hij de boete niet moest teruggeven. Hij moest naar de gestrengheid der wet en municipale politie tegen de postillons optreden, zonder echter de postbedienden in de uitoefening hunner functiën op te houden.
De moeilijkheden bleven nog even aanhouden. Op 1 januari 1815 des avonds te twaalf uur deden de politie en de nachtwacht weer de ronde. het waren Atzema en de nachtwachten R.G. Haijer en Feike Harms. In het Boveneinde te Zuidbroek ontmoetten zij de postillon, die weer op het voetpad reed. Bij aanhouding werd de postillon brutaal. Hij zei: 'blijf van mijn paard af. ' En de boete wilde hij niet betalen.
Hij reed door naar het posthuis. Ook daar vroeg Atzema hem herhaaldelijk om de boete te betalen, maar hij bleef weigeren.
En de burgemeester vroeg maar weer aan de commissaris van politie om raad.


Pageviews vandaag: 4.