Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 25-06-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

politie

In oude tijden heeft men op het platteland meer hinder gehad van lastige mensen dan in de steden. In de steden woonde men dichter op elkaar en kon men elkaar dus beter helpen. Verder waren er poorten die bij avond gesloten werden. Waar men vooral hinder van had waren afgedankte soldaten, door andere gewesten verbannen misdadigers en zwervers. In 1685 was de toestand zo erg dat de stadsregering een plakkaat uitvaardigde dat aan alle vreemdelingen verbood om zich in het stadsgebied te vestigen als zij geen attestatie van hun pastoor en ouderlingen hadden. Tevens werd opdracht gegeven om een politieman aan te stellen. Deze werd roroede genoemd vanwege de rode stok die hij droeg. 

Verder kreeg hij als wapen een geweer, snaphaan genoemd. Hij moest ook altijd een manvaste hond bij zich hebben. De roroeden moesten de ingezetenen  vooral beschermen tegen de landlopers die van huis tot huis liepen om te bedelen en de huislieden het geld afpersten en overal stalen. Zij moesten deze bedelaars nar het tuchthuis te Groningen brengen. Noordbroek en Noordbroeksterhamrik kregen toen samen een roroede  en Zuidbroek kreeg er een samen met Muntendam en Meeden.


Van Noordbroek is nog aanwezig een register van het tractement van de roroede uit 1782. Het is opgemaakt door de volmachten van het kerspel Noordbroek en goedgekeurd door de drost A.J. de Sitter. De roroede moest in die tijd zijn salaris zelf ophalen bij de ingezetenen. Zo moest de roroede Jan Everts elk kwartaal bij tweehonderdentwintig ingezetenen langs om zijn tractement bij elkaar te krijgen. De aanslagen beliepen van een tot acht stuiver. Acht stuiver moesten bijvoorbeeld betalen de heer F. Rijpma, de heer B. Beenes, de heeer Jan ten Doornkaart en de heer Moorres.


In de Franse tijd kwam er naast de roroede die aangesteld werd door de kerspels de veld- en boswachter die aangesteld werden door de gemeente. Later werd hij alleen veldwachter genoemd. In 1812 werd tot veldwachter te Noordbroek benoemd Harm J. Brouwer. Hij moest dragen een opgetoomde hoed met cocarde, een sabel, een bandelier, en een plaat waarop stond 'Veldwachter van de gemeente'. Verder moest hij steeds dragen een rok van blauw laken. hij moest voor de plaatselijke orde zorgen, maar zich ook beschikbaar stellen aan de Franse gendarmes voor het opsporen van deserteurs.



In 1880 vroeg Noordbroek om een rijksveldwachter omdar er zoveel vernielingen plaatsvonden van tuinvruchten, vruchtbnomen, veldgewassen, enzovoort.


Pageviews vandaag: 2.