Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 09-12-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

pel- en korenmolen De Noordstar

De Noordstar in Noordbroek is een pel- en korenmolen. Met een pelmolen werd vroeger gerst tot gort gepeld, om het kaf van de graankorrel te scheiden. Later werd er ook wel rijst mee gepeld. Maar een pelmolen doet het pas bij een windkracht van minstens 6 Bft. De meeste pelmolens, zo ook De Noordstar, hebben daarom naast pelstenen ook maalstenen, zodat er bij onvoldoende wind voor het pellen nog wel koren gemalen kan worden.

Koren is een algemene term voor graan dat voor voedsel wordt verbouwd. Afhankelijk van de regio gaat het meestal om granen als tarwe, rogge of gerst.

Gerst tot gort pellen

Bij gerst (Hordeum vulgare) is de korrel vergroeid met de omhullende kafjes, waardoor deze gepeld moet worden. Gort is dus de gepelde gerst. Gort wordt nu vooral nog gebruikt als basis voor gortepap en in watergruwel (krentjebrij), maar tot begin 20e eeuw werd het in Nederland nog gebruikt als maaltijdbasis, zoals we tegenwoordig rijst eten bij de maaltijd of pasta.

Molen de Noordstar

De huidige Noordstar aan de molenlaan 3 in Noordbroek is een bovenkruier, een achtkante stellingmolen, gebouwd in 1849. De molenaarswoning (Molenlaan 4) stamt uit dezelfde tijd. De Noordstar is nog steeds maalvaardig maar niet meer in gebruik. De molen ligt aan de noord-westzijde van het dorp, even ten zuiden van de kerk. Hij staat van de zuidwest- tot noordwestkant geheel vrij, maar is vanaf het dorp wel wat moeilijk zichtbaar. De huidige molenaar is Taeke Overdijk. De molen is als hij draait en elke tweede zaterdag van de maand open voor bezoek.

De achtkante stellingkoren- en pelmolen De Noordstar (Molenlaan 3) was een reithok (Gronings voor standerdmolen met rieten kap) en had dus oorspronkelijk een met riet gedekte romp op bakstenen voet. Nu is zowel de romp als de kap gedekt met dakleer.

Deze molen heeft een koppel pelstenen en twee koppel maalstenen, deze maalstenen bevinden zich - ongebruikelijk in deze regio - op de stellingzolder. De stelling heeft een hoogte van 5.5 meter, de roeden een lengte van 19.15 meter. Vlaamse blokvang (remconstructie) met hardhouten duim.

Voor de precieze technische details met mooie actuele foto's mag ik u verwijzen naar molens.nl en de molendatabase.

De huidige molen is in 1849 in opdracht van J.N. Mulder gebouwd. Die laatste was de zoon van de molenaar van de zeer hoge stellingmolen 'Aurora' in hetzelfde dorp, gebouwd in 1833 en gesloopt in 1954. De beide molens werden door hun verschillende afmetingen vroeger in de volksmond wel 'vader en zoon' genoemd.

Zelfzwichting

Het wiekenkruis, waarvan de roeden een lengte van ruim 19 meter hebben is voorzien van zelfzwichting.
Zelfzwichting is een systeem waarbij de heklatten van de wieken van de molen werden vervangen door een ingenieus systeem van op jaloezieën lijkende klepjes. Het voordeel van zelfzwichting is dat de molenaar aan het begin van de dag geen zeilen hoeft voor te leggen of zeil te minderen of bij te spannen tijdens het malen. Via een ingenieus stelsel van stangen kan hij bij zelfzwichting aan de achterzijde van de molen de klepjes van de zelfzwichting open of dicht trekken. Bovendien reageren de kleppen op centrifugaalkracht. Gaat de molen harder draaien, dan gaan de kleppen iets kieren en remt de molen zich zelf weer iets af.

De molen had lang op één roede zelfzwichting. Evenwel schijnt die in 1927 weer vervangen te zijn geweest door een zeilroede. In 1933 had de molen een houten as en kreeg een nieuwe roede.

In 1942 kreeg de Noordstar een andere bovenas, afkomstig van de in 1939 omgewaaide poldermolen 'Overwonnen' van de polder Stootshorn, dichtbij Noordbroek. Deze was van gietijzer, geproduceerd door fabr. De Prins van Oranje te 's Hage, bouwjaar 1892, nummer 1406. Op beide roeden kwam zelfzwichting.

Het heeft daarna nog even geduurd voordat nieuwe roeden, voorzien van zelfzwichting, werden gestoken (gebruikt).
Het steken van de roeden in de askop van de bovenas wordt roesteken genoemd. Het eruit halen heet het strijken van de roeden.

In 1962 werd door molenmaker Roemeling uit Eexta voor ƒ 4.000,-- een nieuwe stalen buitenroede aangebracht.
De binnenroede is de roede het dichtst bij de molen en de buitenroede is zoals de naam al aangeeft de buitenste. Omdat de toppen van de wieken in hetzelfde vlak moeten draaien is de binnenroede gekromd. Dit wordt de porring genoemd.

In 1989-1990 opnieuw gerestaureerd door Roemeling & Molema uit Scheemda, oa. een nieuwe stelling en het achtkant werd grotendeels vernieuwd. Officiele in gebruikname 17 november 1990.

Voor de laatste restauratie was geen steenkraan aanwezig: de stenen werden opengelegd met touwen en hijsblokken.

De molen is tot in de jaren tachtig van de twintigste eeuw door molenaar Begeman in bedrijf gehouden. Rond 1990 was de onderhoudstoestand echter zo slecht dat een grootscheepse restauratie nodig was. De molen, die thans eigendom is van de Molenstichting Oldambt, wordt na de restauratie door architectenbureau Roemeling en Molema in 1989-'90 regelmatig door vrijwillige molenaars in bedrijf gesteld.

De aluminium kleppen zijn in 2020 uit de wieken van molen De Noordstar in Noordbroek gehaald. Dat zijn 25 kleppen per wiek. Die worden geschilderd en indien nodig gerepareerd. Voorheen waren deze kleppen van hout, maar die waren na 10 jaar verrot. Nu zijn bouten doorgeroest. Dat ontdekte vrijwillige molenaar Taeke Overdijk 2 weken geleden, op dinsdag 5 mei, Bevrijdingsdag. "Ik wilde de vlag uithangen op de molen en ontdekte dat er bouten waren doorgeroest", zegt Overdijk. Overdijk wil een aantal enthousiaste molenliefhebbers uit het dorp vragen hem mee te helpen met het schoonmaken van de kleppen. - (www.menterwolde.info)

Eigenaars: J.N. Mulder; B.G. Sissingh (waarschijnlijk tot 1862); Tammo Karsiens Tamminga tot 1877; Klaas H. Steenhuis oa. 1880 (waarschijnlijk tot 1893); Enno Oosting; Jacob Schreuder; J. Begeman; P.A. Begeman liet hem restaureren; gemeente Oosterbroek; sinds september 1990 Molenstichting Midden- en Oost-Groningen (voorheen Molenstichting Oldambt).

Neurdstermeulen / noorder korenmolen

De molen de Noordstar heeft twee voorgangers gehad: 1. een standerdmolen, gebouwd voor 1628, afgebroken in 1651; 2. een achtkante bovenkruier, gebouwd in 1952, verdwenen omstreeks 1780.
Op 28 mei 1705 werd van deze laatste molen een vierde part min vijftig gulden verkocht. Verkoper was Hendrik Christiaans te Groningen en kopers Herman Hooman en Froucke Roelefs. De prijs was 250 gulden. Hij werd toen Neurdstermeulen genoemd.
In 1738 werd de halfscheid van deze molen verkocht. Hij werd toen nader aangeduid met reithok. Hij werd meijersgewijs door Hindrik Poppes gebruikt en was mandelig met Mijne Sibolts. Kopers waren de wedman Swijghman en Dr. C.T. Swijghman. In 1748 verkocht Dr. Swijghman de molen.
In 1768 was Jan van Loon eigenaar. Hij wilde hem in dat jaar verkopen. Dit is blijkbaar gelukt, want in 1771 was eigenaar Jan Tjaarts Mulder.
In 1778 werd de molen namens de erfgenaam van Jan Jacobs verkocht aan JUan HArms. Hij werd toen 'noorder korenmolen' genoemd, zijnde een reythok. De Noordbroekster kerk had er een beklemming op van vier gulden per jaar. (Tegelijk werd ook de zuidermolen verkocht.)
In 1780 was Harm Jans Mulder de eigenaar.
In 1849 was J.N. Mulder de eigenaar van de beide korenmolens in Noordbroek, zowel de grote of zuidermolen, de Aurora, als van de kleine of noordermolen, die later de naam 'Noordstar' kreeg.
De laatste eigenaar, de heer Overdijk, deed hem over aan Molenstichting Oldambt.

De pelmolen

De eerste pelmolen werd in Nederland gebouwd in 1639. In 1708 stonden er aan De Zaan 35 gortpelmolens en rond 1750, de bloeitijd van de pelmolen, waren dat er 48.

De wieken van een pelmolen hebben een diepe zeeg, omdat voor het pellen veel kracht nodig is. Er kan door de grote krachten ook makkelijk schade optreden. Daarom hebben molens die alleen pellen een bovenbonkelaar, omdat een gebroken kam makkelijker te vervangen is dan een gebroken staaf van een bovenrondsel. Deze kammen zijn vaak zeer groot, met een steek die soms rond de 17 cm ligt.

Alhoewel de pelmolen dus ook molenstenen heeft en dikwijls met een korenmolen is gecombineerd, werkt het pelproces wel degelijk anders dan het maalproces. Bij een pelmolen liggen er op een tussenzolder direct onder de zogenaamde stellingzolder (daar waar de deuren naar de stelling of omloop van de molen zijn) twee in de vloer verzonken koppelstenen (de voor- en naloper). Een koppelsteen bestaat uit twee gladde, zware zandstenen (pelsteen en ligger) die ruim 2000 kilo wegen. Ook komt het voor dat er maar één pelsteen is. Onder de pelsteen zit dan in plaats van de ligger een ijzeren plaat.

Pelstenen draaien maar liefst 160 keer per minuut rond, terwijl maalstenen maar 90 keer per minuut ronddraaien. Ook de overbrengingsverhouding van de bovenas naar de stenen is anders, namelijk 1 : 7 - 11 bij pelstenen en 1 : 5 - 7 bij maalstenen. Vanwege het hoge toerental is de schade bij een breuk groot. De kans hierop is ook groter omdat er geen ijzeren band om de pelsteen gezet kan worden. Het pellen gebeurt namelijk op de zijkant van de steen. Ter bescherming liggen pelstenen dan ook verzonken in de vloer.

In tegenstelling dus tot maalstenen, waar het graan tussen de twee stenen gemalen wordt, wordt de gerst gepeld met de zijkant van de stenen, die hiervoor op de zijkant geribbeld zijn. Na slijtage worden met een rauwijzer nieuwe ribbels schuin omhoog in de zijkant gehakt.
De gerst wordt boven op de bovenste pelsteen, de loper, gestort en de korrels worden door de de middelpuntvliedende kracht van de draaiende steen naar het pelblik geslingerd.
De loper draait 1,5 tot 2 cm boven de ligger, waardoor er een luchtstroom wordt opgewekt richting pelblik. Dit pelblik staat op 1 tot 1,5 centimeter van de pelstenen af. Het koppel pelstenen wekt door de zoggaten of waaikerven in de loper een soort zog (turbulentie) op waardoor de gerstkorrels keer op keer tegen het pelblik aan worden geslingerd. Dit blik is voorzien van spijkergaatjes met puntjes en door die puntjes wordt het harde vliesje van de gerstkorrel afgepeld (afgeraspt).
Per keer mag niet langer dan vier minuten gepeld worden, omdat anders de korrels te warm worden. Door de aflaatschuif op te halen vallen de gepelde korrels in de schootemmer. Als de gerst over de voorloper (het eerste koppel pelstenen) is heen geweest gaat het over het tweede koppel pelstenen, de naloper. De gerst gaat daarna weer over de voorloper en vervolgens nog een keer over de naloper. Na deze pelbehandeling van de gerst, die inmiddels gort geworden is, wordt het gezeefd in de zifterij en vervolgens verder geschoond en gesorteerd in de waaierij (de wanmolen) waarin de stofresten en vliesjes tussen de korrels vandaan worden gewaaid en dan hebben we gort: gepelde gerst. De gort wordt opgevangen in een zak en is klaar voor de verkoop. De gort kan ook nog rondgeslepen worden tot parelgort door ze nog een keer over de voor- en naloper te laten gaan.

Er zijn pelmolens waarbij de loper met een lichtboom gelicht wordt. Bij veel Groninger pelmolens is geen lichtboom en kan de loper dus niet gelicht worden.

Pelmolens in Nederland

De pelmolens zijn in de Zaanstreek in zwang gekomen en waren ook in groten getale aanwezig in het noorden van het land, met name in de provincie Groningen. In de Zaanstreek is slechts een complete pelmolen overgebleven, Het Prinsenhof in Westzaan. Het Twentse Rijssen bezit een voor Nederland unieke combinatie van de functie olie- en pelmolen, de Pelmolen Ter Horst. In Groningen zijn nog de meeste pelmolens te vinden, hier zonder uitzondering gecombineerd met maalstenen, men spreekt dus hier over een koren- én pelmolen. De molen van Den Andel, De Jonge Hendrik, heeft als laatste molen tot ongeveer 1985 gort gepeld. In Oldehove heeft de koren- en pelmolen 'De Leeuw' nog een tijd gepeld op windkracht. Sinds eind jaren negentig gebeurt dit echter elektrisch. Enkele pelmolens in de provincie pellen thans op vrijwillige basis. Koren- en pelmolen Windlust in Burum (Frl) pelt ook regelmatig op vrijwillige basis. In de rest van het land zijn her en der nog pelmolens te vinden, al rest er meestal niet meer dan enkele onderdelen van het pelwerk in een nog bestaande korenmolen. De Mallumsche Molen nabij Eibergen is de enige koren- en pelmolen in Nederland op waterkracht. Vrijwilligers verzorgen elke zaterdag demonstraties.

Tjasker

De meest primitieve poldermolen is de tjasker. Dit uit Friesland afkomstige molentje werd vaak in de veengebieden als tijdelijk rmaalwerktuig ingezet. De schroef wordt bij de tjasker rechtstreeks door de wieken aangedreven. In de wintermaanden werden deze molens uit elkaar gehaald en in boerenschuren opgeslagen. In Groningen is nog één tjasker te vinden. Deze zal in de omgeving van Midwolda worden herplaatst.

Bijna geheel verdwenen zijn de spinnenkopmolens. Deze relatief kleine molens bestaan uit een klein draaibaar houten bovenhuis staande op een piramidevormig onderhuis. De spinnenkop was eenvoudig en relatief goedkoop op te bouwen en was ideaal voor onderbemaling in polders. Dankzij de eenvoudige bouw werden ze af en toe ook wel ingezet voor andere doeleinden. Zo staat te Wedderveer een in 1938 door molenmaker Luitje Wiertsema uit Sappemeer gebouwde spinnenkophoutzaagmolen.

Een interessante functie had de molen nog als hij gebruikt werd om te seinen. Behalve het seinen van 'pegel' door de watermolens werden ook berichten over geboorte en overlijden, over het beroepen van een dominee, over de aanwezigheid van vijanden of kommiezen door de stand van de molenwieken aangegeven. er zijn nog een paar gevallen bekend, dat een molenaar in Noordbroek door de rouwstand te kennen gaf, dat een van zijn familieleden overleden was. De onderste roede werd dan een paar voet voorbij het midden van de romp geplaatst.

Zelfzwichting

De opkomst van de stoommachine, elektro- en dieselmotoren betekende een enorme bedreiging voor het voortbestaan van de molen als bedrijfswerktuig. Om de concurrentie de baas te blijven probeerden diverse molen

makers het rendement van de molens te verbeteren. Het aanbrengen van zelfzwichting op de roeden is in Groningen de meest bekende verbetering geworden. Zelfs zo bekend dat men zelfzwichting als typisch Gronings is gaan beschouwen. Dat is het echter niet.

Zelfzwichting, een systeem waarbij de heklatten van de wieken werden vervangen door een ingenieus systeem van op jaloezieën lijkende klepjes, is een van oorsprong 18de- eeuwse Engelse vondst. In 1891 werden twee Groninger molens met dit systeem uitgerust, namelijk De Munte te Muntendam en De Eva te Usquert. Vele molenaars volgden het voorbeeld van deze vooruitstrevende molenaars.

Het voordeel van zelfzwichting is dat de molenaar aan het begin van de dag geen zeilen hoeft voor te leggen of zeil te minderen of bij te spannen tijdens het malen. Via een ingenieus stelsel van stangen kan hij bij zelfzwichting aan de achterzijde van de molen de klepjes van de zelfzwichting open of dicht trekken. Bovendien reageren de kleppen op centrifugaalkracht. Gaat de molen harder draaien, dan gaan de kleppen iets kieren en remt de molen zich zelf weer iets af.

Ondanks allerlei verbeteringen, waarvan zelfzwichting er één is, waren de molenaars niet in staat om te concurreren tegen grote mechanische maalderijen. In 1900 waren er in Groningen nog 594 molens te vinden, een eeuw later zijn er 82 over. Diverse molenverenigingen in de provincie ondersteunen het behoud van de laatste windmolens en proberen derden voor hun doel te interesseren.

Windturbines
Aan het eind van de 20ste eeuw kwam er een nieuwe generatie windmolens op, de windturbines. Gesterkt door de oliecrises en toenemende milieuvervuiling zag de milieubeweging in windenergie een schoon alternatief om stroom op te wekken. De bouw van windturbines bleef vaak beperkt tot kleinschalige particuliere projecten. De doorbraak

van windenergie kwam pas aan het eind van de jaren '90 toen diverse elektriciteitsbedrijven, in een poging om het toenemende gebruik van fossiele brandstoffen en de daarbij vrijkomende CO2 te beperken, 'groene stroom' gingen leveren aan de consument. Deze stroom is afkomstig van waterkrachtcentrales in Noorwegen en Zweden en van windparken, waar windturbines in grote concentraties bij elkaar zijn geplaatst. In Groningen kwam o.a. een windpark bij de Eemshaven tot stand.

Molenorganisaties
De Groninger molenwereld kent een veelheid van organisaties. Van deze noemen wij de volgende:

1. Stichting de Groninger Molen, opgericht in 1986. De oprichting had plaats op verzoek van het College van Gedeputeerde Staten, dat een nieuwe structuur voor de organisatie ten behoeve van het molenbeheer en een

centrale gesprekspartner wenste. Het doel van de stichting is het in stand houden van de Groninger molens en het bevorderen van kennis van en belangstelling voor Groninger molens. De stichting is de opvolgster van enerszijds de Provinciale Groninger Molen commissie, een in 1977 opgerichte adviescommissie voor Gedeputeerde Staten, anderzijds de Stichting Groninger Molenvrienden, in 1977 opgericht om met verval bedreigde Groninger molens te behouden. Het orgaan van de stichting, aanvankelijk Molenvizier, wordt sinds 1997 samen met de Vrienden van de molens onder de titel De Nieuwe Zelfzwichter uitgegeven.

2. Vereniging van Vrienden van de Groninger molens, opgericht 1973. Het doel van de vereniging is het behoud en het in werking houden van de Groninger molens. Zij telde in 1999 700 leden.

3. Het Gilde van Vrijwillige Molenaars, landelijk opgericht in 1972. Het doel van het gilde is molens die in staat zijn om te malen in werking te houden door gegadigden een opleiding tot vrijwillig molenaar te laten volgen. In 1999 waren in Groningen ca. 110 gediplomeerde vrijwillige molenaars actief.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.


Er is nog niet op dit artikel gereageerd.

Pageviews vandaag: 9.