Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 18-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Ommelander adel

De eerste gedetailleerde berichten over de Ommelander adel treffen we aan in de kronieken van het klooster te Wittewierum uit de 13de eeuw. De edelen worden daarin nobiles (edelen), potentes (machtigen), divites (rijken), capitales (hoofdelingen) en dergelijke genoemd, een teken dat zij de sociale, economische en politieke elite vormden. Verschillende namen in de kronieken vinden we eeuwen later nog terug onder de Ommelander adel, zoals Ripperda, Snelgersma en Alberda, wat op een genealogische continuiteit wijst.

Omdat in de 15de en 16de eeuw zowel achternamen als hoofdelingschap ook in de vrouwelijke lijn konden vererven, is dat voor de vroegere periode niet onwaarschijnlijk. Ook elders was de vererving van adeldom en achternamen niet alleen patrilineair. Uit de 13de-eeuwse kronieken blijkt dat de positie van de Ommelander adel in die tijd al stoelde op elementen als erfelijkheid, vermogen en macht. Regelmatig moesten positie en eer door vetes verdedigd worden, als zij werden bedreigd. In dit alles onderscheidt de groep zich niet van de adel elders. Een groot verschil ligt daarin dat de Ommelanden sinds tenminste de 12de eeuw geen grafelijk gezag meer kenden, waardoor de maatschappij geheel bepaald werd door het samenspel tussen de verschillende groepen in de maatschappij zelf.

Ten aanzien van de periode vóór 1200 is nog veel discussie gaande over de positie en ontwikkeling van de adel. De bronnen zijn in die periode zeer schaars. Ook over de 14de eeuw zijn we weinig ingelicht bij gebrek aan conternporaine kronieken. In de tweede helft van die eeuw probeerden verschillende machtige families, net als in Oost-Friesland, een staande heerschappij over een groter gebied te vestigen. Families als Onsta, Ripperda, Houwerda en Gockinga slaagden daar enigszins in, maar niet op zo grote schaal als Tom Brooks en Focke Ukena, en ook de Cirksena's, die het uiteindelijk tot graven van Oost-Friesland brachten.

Toen rond 1400 verschillende buitenlandse heren, onder wie de graaf van Holland, bij grotere vetes werden betrokken, raakte het betrekkelijke evenwicht van de door vetes bijeengehouden maatschappij blijvend verstoord.

Na de zoen van 1421 tussen de strijdende partijen verdween de vetemaatschappij en kon slechts een beperkt aantal hoofdelingen zich als adel handhaven. De Addinga's, Gockinga's en Houwerda's, die Westerwolde en het Oldambt beheersten, waren nauw betrokken bij de voortdurende Oost-Friese machtsstrijd. Zij werden in de 15de eeuw door de stad onderworpen, die hun gebieden onder controle bracht. Andere hoofdelingen consolideerden hun lokale machtspositie.

Het patriciaat van de stad Groningen vertoonde overeenkomsten met de Ommelander adel. Vele patriciërs trouwden met Ommelander edelen en in de 16de eeuw werden de leidende stad-Groninger geslachten als adellijk beschouwd. Omdat het hoofdelingschap bij gebrek aan zonen ook in de vrouwelijke lijn vererfde, vestigden patriciërs als Clant en Lewe zich als hoofdelingen in de Ommelanden. Net als in andere gebieden was de
adel niet strikt gesloten; ook nieuwe families konden na enkele generaties als adellijk worden beschouwd. In de 16de eeuw traden verschillende nieuwe hoofdelingen voor het voetlicht, veel personen uit het Westerkwartier en nazaten in de vrouwelijke lijn van oudere hoofdelingengeslachten.

Waren de 17de en 18de eeuw in materiële zin de bloeitijd van de Ommelander adel, getalsmatig liep deze na 1650 terug. Van de oude, tot in de late Middeleeuwen terugreikende adel, meestal herkenbaar aan Friese achternamen op -a, stierf in de 17de eeuw ongeveer twee derde uit. Slechts een enkele familie handhaafde zich redelijk goed of wist haar positie zelfs te verstevigen. De Alberda's bouwden vanaf eind 17de eeuw een ongeëvenaarde machtspositie in de Ommelanden op; een uitgekiende huwelijkspolitiek deed hen tevens de grootste vermogens vergaren. De Ripperda's lieten een gestage teruggang zien: eind 17de eeuw ging het stamhuis Farmsum verloren en een vijftig jaar later stierf de tak Oosterwijtwerd uit. De efemere bloei onder Johan Willem Ripperda van Jensema, afkomstig uit een rooms-katholieke en mede daardoor maatschappelijk op de achtergrond geraakte familietak, is eerder als kortstondige oprisping te zien, temeer daar Ripperda niet het doel had zich een permanente machtspositie in de Ommelanden te verschaffen.

In de eerste helft van de 17de eeuw werd nog aan aantal (leden van) Groninger patricische families in de Ommelander adel opgenomen. Opende voor enkelen een buitenlands adelsdiploma de deuren, voor de eerderheid zal de reden in het verleden zijn te zoeken: oude verwantschapsbanden met hoofdelingenkringen. Deze geslachten vulden grotendeels de lacunes die de ras uitstervende middeleeuwse 'Friese' groep achterliet. Een voorbeeld: Johan Lewe, in 1594 als Spaansgezinde uit de Groninger Raad gewipt, kon terugvallen op zijn positie als hoofdeling in de Ommelanden, die hij aan zijn vrouw dankte. Na zijn reserves tegen het nieuwe gereformeerde staatsbestel te hebben laten vallen, etableerde de Groninger patriciër Lewe zich als Ommelander jonker en werd hij de stamvader van drie familietakken, die gedurende de tijd van de Republiek hun plaats onder de 'superadel' wisten te bewaren, vergelijkbaar met die van de Alberda's.

Eenzelfde continuïteit vertoont de familie Clant. De meeste 17de-eeuwse Clanten stammen af van de oude Stedumer hoofdelingen. Hoewel het hoogtepunt van de Clanten in de 17de eeuw lag, handhaafde de tak Hankema zich tot 1795 uitstekend.

Na 1600 slaagden leden van eigenerfden families, die soms op borgen woonden en een adellijke leefwijze hadden, er niet meer in toegelaten te worden tot de jonkerkringen (zie eigenerfden, heerschappen). Zij noemden zich ook vaak hoofdelingen of hovelingen, een teken dat die oude titel aan slijtage onderhevig was. Onder deze titel kon namelijk in de 17de en 18de eeuw ieder die klauwgenoot was, dat wil zeggen aandeel in een rechtstoel bezat, door het leven gaan. Met adeldom had dit alles niets te maken.

Bij de 'echte' adel zien we daarom de titulatuur jonker en hoofdeling optreden. Jonker is nu de aanspreekvorm van eenieder die algemeen als adellijk geldt. De titel baron kwam in de loop van de 17de eeuw op en werd het meest gevoerd door geslachten van Duitse komaf (Van In- en Kniphuisen, Van Asbeck). De titel graaf die Georg Wilhelm van In- en Kniphuisen in 1694 van de Keizer kreeg, bleef zonder precedentwerking.

Na 1650 werd de Ommelander adel een gesloten groep, zoals overal in de Republiek, en in wijder perspectief West-Europa, het geval is. Aanvulling geschiedde uitsluitend met adel van buiten Stad en Lande. Niet toevallig werden juist in deze tijd plannen gemaakt om tot een formele ridderschap te komen, analoog aan de toestand in aangrenzend Drenthe en Oost-Friesland. Enkele borgen zouden eenzelfde status krijgen als de havezaten of riddergoederen in die gewesten, een select aantal families zou riddermatig worden. De rest van de tamelijk amorfe groep edelen kon dan als eigenerfden de landdagen bezoeken, met uitsluiting van de boereneigenerfden. Door tegenstand van de boereneigenerfden, een deel van de jonkers en de stad Groningen, die iedere onopolievorming
door derden in de Ommelanden niet graag zag, kwam van deze plannen niets terecht.

De adel bleef een maatschappelijke groepering, die door haar geslotenheid snel erodeerde: van de 45 geslachten in 1600 resteerde in 1800 nog slechts een tiental. Een bijwerking van deze ontwikkeling is een toenemende grootte van het adellijk familievermogen: door een gerichte huwelijkspolitiek en door uitsterving van families groeide dit vooral in de 18de eeuw.

Het gemis aan een formele juridische basis werd gecompenseerd door een vastere greep op de Ommelander en daarmee de provinciale politiek. De periode 1659-1749 was de tijd van de oligarchie. De instelling van de onderkwartieren (zie contracten van correspondentie) werkte een monopolisering van de ambten door enkele jonkerfamilies in de hand. Thuis, op lokaal niveau, kon men zich slechts heer van Aduard, Stedum en dergelijke noemen wanneer men in ieder geval een ruime meerderheid van de ommegangen van de rechtstoelen en collatierechten had. Een en ander vergde een grote kapitaal investering.
Dit wankele systeem stortte in 1795 met de Republiek ineen. Het verlies van het monopolie op de politieke ambten en van de heerlijk- en gerechtigheden, waarvoor nooit noemenswaardige geldelijke compensatie zou worden gegeven, gaf de toch al sterk uitgedunde adel de doodsteek.

De Ommelander adel was net als de bevolking van Stad en Lande in de periode 1600-1660 in meerderheid voor het (calvinistisiche) protestantisme gewonnen. Pragmatische redenen speelden daarbij een rol: publieke ambten waren voorbehouden aan gereformeerden. De gemengde huwelijken en grillige confessionele grenzen binnen adellijke families zijn na 1650 verdwenen. Katholieke en gereformeerde families vormden toen streng gescheiden circuits. Vooral binnen de katholieke, na 17oo snel kleiner wordende, groep leidde dit tot sterke binnentrouw.

De leden van de Groninger Raad en Gezworen Gemeente waren in 1594 geheel vervangen door sympathisanten van het nieuwe Staatse regime, of althans door niet-Spaansgezinden. Patricische ballingen van voor 1580 kwamen op de raadszetels; vooral de Gezworen Gemeente kende vele homines novi. Samen vormden zij na 1600 een nieuw regentenpatriciaat. De Gezworen Gemeente zou gedurende de hele tijd van de Republiek trouwens haar functie als aanvullingsreservoir van de Raad behouden.

Naar het Groninger stadspatriciaat is weinig onderzoek gedaan. We kunnen slechts enkele globale opmerkingen maken. De carrière van een raadslid verliep meestal via de Gezworen Gemeente, een enkele keer via een ambtelijke loopbaan (*stadssecretaris, - syndicus, hoogleraar). Een huwelijk met een dochter of weduwe van een raadsheer was daarbij een opstap. De sociale mobiliteit binnen het Groninger regeringscircuit was vele malen groter dan in Ommelander jonkerkringen. Talrijk zijn de bindingen met eigenerfdengeslachten uit de Ommelanden en het Oldambt; een jonkerfamilie werd gemakkelijk in het raadscircuit opgenomen (Rengers, Sickinghe). De zittingsduur van een regentengeslacht varieerde sterk: een familie als (De) Drews, die zeven generaties onafgebroken op het regeringspluche zat, is een uitzondering. Uitgebreidere geslachten, zoals Gockinga of Wichers, wisten zich echter door een evenredige verdeling over Raad en Gezworen Gemeente ook goed te handhaven. De Bataafs-Franse tijd lijkt hier geen grote breuk met het verleden. Vele leden van regentengeslachten bleven deelnemen aan het bestuur van stad en provincie.

Het Koninkrijk der Nederlanden betekende pas een samenvoeging van de weinige overgebleven Ommelander jonkergeslachten en de Groninger regentenfamilies. Van beide groeperingen werden leden in de adelstand verheven, overigens een noodzakelijkheid in verband met de invulling van de nieuw gecreëerde provinciale ridderschap. De meesten kregen het predikaat jonkheer, corresponderend met de oude aanspreekvorm jonker
bij de Ommelander adel. Zij die voor 1795 reeds baronnen waren geweest, bleven dit. In de loop van de 19de eeuw kregen ook enkele anderen die titel.

Voortaan verliep het lot van de oude stedelijke en Ommelander elite parallel. Voor beide groeperingen, nu door huwelijken met elkaar versmolten, bleef slechts een ambtelijke loopbaan bij gemeente, provincie of rechterlijke
macht over. In de loop van de 19de en vroege 20ste eeuw hebben de meeste overgebleven geslachten de provincie Groningen verlaten.


Pageviews vandaag: 5.