Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 29-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

olieslagerij

In de oliemolens werd raapolie uit koolzaad gewonnen, die werd gebruikt voor verlichting, als smeermiddel en om te bakken. Deze tak van nijverheid was voor een belangrijk deel gericht op de export.

Tussen 1856 en 1871 daalde het aantal oliemolens van achttien met 58 arbeiders naar naar elf met 39 arbeiders. Daarna zette de omvorming naar grootschaliger productie in, want het aantal olieslagerijen reduceerde toen tot acht, terwijl het aantal arbeiders groeide naar 70 in 1891. Toen had de olieslagerij van Meihuizen te Sappemeer 20 arbeiders in dienst, die van Hekman te Zuidbroek aan het Winschoterdiep-West 18 en de oliemolen van A.J. Bus te Veendam 15. Kleiner waren de olieslagerijen te Hoogezand (Roelfsema) met zes en te Winschoten (L. Crol) met zeven arbeiders. In Wildervank stonden drie oliemolens, maar deze bedrijven waren nog steeds Kleinschalig. De meeste grotere bedrijven waren inmiddels voorzien van stoomaandrijving.

Het waren vooral de grootste molenaars die als eerste stoommachines aanschaften. In Zuidbroek gebeurde dat het eerst op de oliemolen van Hekman aan het Winschoterdiep (1872). Even na 1900 is ook hier gestopt met de productie.

Niettemin ging het vanaf 1890 bergafwaarts met het olieslagersbedrijf. In het laatste decennium van de 19e eeuw was het aantal bedrijven sterk teruggelopen tot vijf bedrijven met 34 arbeiders en rond 1930 waren er nog slechts,
twee overgebleven: de olie- en lijnkoekenfabriek van J. Bus te Veendam en de olie- en veekoekenfabriek firma L. Crol te Winschoten. Het gebruik van minerale oliƫn en gas voor verlichting en het gebruik van aardnootoliƫn (slaolie) en margarine voor huishoudelijk gebruik speelden de inheemse olieslagerijen parten.

Bronnen:
Verstedelijking en migratie in het Oost-Groningse veengebied 1800-1940 - Jan F. Voerman


Pageviews vandaag: 3.