Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 11-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Oldambt

Het oude ambt, (In oudere tijden: Smalagonia), de gouw tussen Fivelingo en Reiderland. Aanvankelijk de benaming van een gebied in noordoostelijk Groningen tussen het Termunterzijldiep, De Tjamme, Zijpe en Drentse grens. Na het ontstaan van de Dollard werd het Oldambt uitgebreid met een niet verdronken deel van het voormalige Reiderland.

Landschappelijk bestaat er tussen het Oer-Oldambt van voor de overstromingen en het huidige Oldambt geen overeenkomst.

Klei-Oldambt was voor het ontstaan van de Dollart dat deel van de 1 à 2 uren breede kleistrook van Termunten oostwaarts langs de Eems, dat tot het oosten behoorde. Het ten zuiden van genoemde strook klei gelegen veengebied met enkele zandstrooken, aansluitend bij Duurswold en de Wolden van Friesland heette het Wold-Oldambt.
De namen KleinOldambt (verbastering van Klei-Oldambt) en GrootOldambt zijn nooit algemeen in gebruik geweest.

1° Een waterschap in het Oosten der provincie Groningen; omvat geheel of gedeeltelijk de gemeenten Termunten, Nieuwolda, Noordbroek, Zuidbroek, Muntendam, Meeden, Scheemda en Midwolda; opp. 14.819 ha; boezemwater het Termunterzijldiep van Scheemda tot Termunterzijl met eenige zijtakken; loozend te Termunterzijl; boezempeil 1,28 -N.A.P.
2° Een landstreek in de provincie Groningen, omvat ongeveer het onder 1° genoemde gebied en het ten oosten daarvan gelegen waterschap Reiderland met de jonge Dollard-polders. Verdeeld in het Klei-Oldambt (de voormalige gemeente Termunten en Nieuwolda) en het Wold-Oldambt (de voormalige gemeenten Scheemda, Finsterwolde, Midwolda, Oostwold, Meeden, Muntendam, Noordbroek en Zuidbroek). Verder behoorde er het gebied van de Veenkolonieën toe.


Het gebied van Oldambt is een der historische landschappen van de provincie Groningen. Oorspronkelijk een deel van de Oud-Friese gouw Fivelingo. Toen het woldgebied vanaf de oevers van Munter Ee en Reider Ee ontgonnen was (9de-13de eeuw), vormde dit gebied een nieuwe terra, bestuurlijke eenheid, die van Fivelingo was gescheiden. Klassiek voorbeeld van een kolonilisatielandschap, zoals Broekmerland in Oost-Friesland.

Aanvankelijk werd het recht voor Fivelingo en Oldambt nog gezamenlijk geconcipieerd (13de eeuw), in 1327 werd een apart Oldambster landrecht in het Fries opgeschreven dat in 1471 in het Nederduits moest worden vertaald omdat het Fries niet meer werd begrepen.

Reeds in de 13de eeuw begon de Dollard grote delen van het Oldambt te teisteren, hetgeen tot het begin 16de eeuw aanhield. Deze overstromingen en onrust in het gebied maakten het tot een makkelijke prooi van de stad Groningen, die hier haar heerschappij vestigde (15de-16de eeuw). In het begin der 15e eeuw had de stad Groningen het Oldambt met geweld onderworpen. Eeuwenlang bleef dit feit een van de grieven van de Ommelanden tegen de stad.

In het laatst van de middeleeuwen werd het leven in het Oldambt steeds meer gericht op de stad Groningen. Dat is een proces van vele jaren geweest. Soms ging dat bij de bewoners van harte, soms met tegenzin. En dan moet er ook nog weer onderscheid gemaakt worden tussen de verschillende bewoners. De ene groep deed in sommige tijden van harte mee en vroeg de stad om hulp. De andere groep verzette zich en deed al wat mogelijk was om de invloed van de stad te breken.

De Gockinga's I

In bovengenoemd proces is een van de meest markante punten de verovering door de stad van de de burcht van de Gockinga's te Zuidbroek. Nu was het in het verleden niet duidelijk waar die burcht heeft gestaan. Van de kant van de Gockinga's is geprobeerd hier klaarheid in te brengen. Wij hebben de uitgebreide correspondentie met Prof. P.J. Blok en vele anderen nagelezen. Het slot was dat de heer A.J. Smith op 2 februari 1904 schreef: 'De geschiedenis van de omverwerping der burgen is niet duidelijk.' Wij menen nu echter, dat er ten aanzien van de hoofdzaken wel klaarheid is. Er is namelijk inmiddels een opgraving geschied en een kaart, aanwezig in het stadsarchief, vult de beschikbare gegevens prachtig aan. In 1955 bouwde de heer R.L. Buringh een schuur achter zijn boerderij Uiterburen 19, Zuidbroek. Hij stootte toen op een breed fundament van kloosterstenen en was zo vriendelijk het gemeentehuis te waarschuwen. Het Biologisch-Archaelogisch Instituut van de Rijksuniversitiet van Groningen werd ingeschakeld. Dit stelde een onderzoek in naar vorm en afmeting van het fundament. Aan het verslag in de Groningse Volks-almanak 1957 ontlenen wij het volgende:
'het bleek al spoedig dat het fundament op verschillende plaatsen geheel of gedeeltelijk was verdwenen. Wel was veel puin aanwezig, hetgeen de graafwerkzaamheden zeer belemmerde.
De noordelijke schuur had men ten dele gesloopt. De noordwestelijke hoek was niet meer intact. Het westelijke muurfundament bleek in westelijke richting te hellen. het hellingshoek bedraagt circa dertig graden. Men moet aannemen, dat deze muur indertijd naar buiten toe omver gehaald werd. In dit verband moet er op gewezen worden, dat de heer Buringh meedeelde, dat ten westen van deze muur altijd veel puin gevonden werd. Van de zuidwestelijke hoek lagen nog slechts enkele stenen in situ. Van het zuidelijke muurfundament was het westelijk gedeelte praktisch geheel weggebroken. Het oostelijk gedeelte was minder geschonden. Het oostelijk muurfundament werd niet geheel nagegraven. De noordoostelijke hoek, het gedeelte dat bij het bouwen van de kapschuur werd aangetroffen, was nog geheel intact.
De afmetingen van de voor dit bouwwerk gebruikte kloosterstenen bedragen 32x15x9 cm. De muurfundamenten zijn niet over de gehele breedte uit deze stenen opgebouwd. Slechts aan binnen- en buitenzijde zijn gave stenen gebruikt, terwijl het binnenste gedeelte van de muren uit puin, vermengd met kalkspecie, bestaat. Even onder het maaiveld (circa 2.50 meter boven N.A.P.) bedraagt de breedte van de muren circa 1.62 meter. Het onderste gedeelte van dir muurfundament is enigszins breder doordat de muren aan de buitenzijde een vertanding vertonen. Aan de binnenzijde der muren is dit niet het geval. Bij het noord- en zuidoostelijke hoekpunt ligt de basis van het muurfundament op 1.53 meter + N.A.P., bij het zuidwestelijke hoekpunt op 1.49 meter + N.A.P. Als resultaat van de opgraving kan worden gesteld dat hier een uit kloosterstenen opgetrokken bouwwerk heeft gestaan waarvan de afmetingen binnenmaats 5.30 meter bij 8.30 meter bedragen hebben.
Enige bij de opgraving aangetroffen grijze, geglazuurde scherven dateren volgens de heer J.G.N. renaud, conservator bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort uit de tijd omstreeks 1400 tot in de tweede helft van de vijftiende eeuw. het overige schervenmateriaal was niet nauwkeurug te dateren.
De omvang van dit fundament wijst geheel op een versterkte woontoren of stins, zoals er thans te Veenwouden (FR.) en te Bunde en Leer (Oost-Friesland) nog te vinden zijn.'
Hiervoor hebben wij gesproken over een kaart in het stadsarchief, die de gegevens prachtig aanvult. Hiermee bedoelen wij de volgende kaart. Hierop zijn een aantal heerden getekend, die de weg Uiterburen kruisen en die in 1724 nog eigendom waren van de stad Groningen. Ten zuiden van deze heerden, links van de weg, ligt het fundament van de stins van de Gockinga's. Zoals ook uit het slot van dit hoofdstuk blijkt, verkocht de stad telkens land, als daarvoor gelegenheid was. Aangenomen kan worden, dat deze kaart aangeeft de heerden, die de Stad in 1724 nog in eigendom had van de Gockinga-goederen.

Voor wij nu komen tot de grote botsing tussen Groningen en de Gockinga's, in 1401, moeten wij een terugblik werpen in de geschiedenis. De toestand in het Oldambt was, evenals in de aangrenzende gouwen, in het algemeen anders dan in de naburige gewesten. De meeste tijden ontbrak een landsheer of er werd weinig van hem gemerkt, omdat dit land op het einde van zijn gebied lag. Nu was er vanouds in bestuur en rechtzaken een grote macht bij de grondbezitters, de eigenerfden. Deze zorgden voor dijken en wegen, spraken recht en voerden vonnissen uit. De functie van rechter, redger, ging jaarlijks om van de ene heerd op de andere.
Vanouds zal men ook de volksvergaderingen gehad hebben, maar na de stichting van de kerken trad het kerspelverband meer op de voorgrond. Vrijwel iedereen ging naar de kerk. Daar kwam men bij elkaar en dit bracht mee, dat men gemeenschappelijke zaken in kerspelverband ging behandelen. Bij het sluiten van verdragen en bij het regelen van het dijkwezen komt men herhaaldelijk uitdrukkingen tegen als 'meenheid der meente', 'mene meente' en 'kerspelluden'.
In de steden vond in die tijd een belangrijke vergadering plaats. Burgers legden zich op allerlei handwerk toe. Er werd meer geproduceerd dan voor plaatselijke behoefte nodig was. Het overtollige moest ergens anders worden verkocht. ook moesten grondstoffen worden aangevoerd. Belanghebbenden organiseerden zich in gilden. de belangen van de verschillende partijen liepen niet altijd parallel. Aan het bezit van meer grond was meer macht verbonden. Hoeveel te meer land, des te vaker was men rechter en des te meer 'ruters' kon men huren om het gezag te handhaven of om macht uit te oefenen. Zodra er dan van recht of macht misbruik gemaakt werd, kwam er botsing met de andere bewoners. De stad Groningen had, evenals de andere steden, behoefte, dat haar kooplieden ongestoord konden reizen en niet gestoord en belemmerd werden door tollen en roverijen. Verder kwam bij haar steeds meer het streven op om de bewoners van de omliggende landschappen te dwingen, hun voortbrengselen bij haar naar de markt te brengen.

In de dertiende, veertiende en vijftiende eeuw was er herhaaldelijk sprake van twist en botsing en strijd. In het algemeen kon men twee grote partijen onderscheiden: de Schieringers en de Vetkopers. De vetkopers waren hoofdelingengeslachten, die zich boven andere grondbezitters hadden uitgewerkt en sterke stinzen hadden gebouwd. de schieringers vond men vooral onder de burgers van de steden, soms gesteund door de kleine grondbezitters.
in 1250 en 1251 was er hevige strijd tussen Fivelingoërs, Hunzingoërs en Oldambsters tegen de stad Groningen. De stad moest het onderspit delven. De muren werden geslecht en de stenen huizen tot de kelders afgebroken. In de jaren 1333 tot 1338 vond er iets soortgelijks plaats. Weer moest de stenen muur worden afgebroken en vervangen door de vroegere houten omheining.
Daar tussendoor komt men ook weer andere tijden tegen waarin partijen beter met elkaar konden opschieten. Zo sloten de Stad en het Wold-Oldambt in 1287 een verdrag ter waarborging van het vrije marktverkeer. ook in 1386.

Tegen het eind van de veertiende eeuw kwamen in het Oldambt sterk naar boven de hoofdelingengeslachten van Houwerda en Gockinga. De Houwerda's hadden een sterke stins te Termunten en de Gockinga's te Zuidbroek, onder Uiterburen.
Tegen 1400 spitste de spanning zich toe tussen de Stad en de hoofdelingen. In 1398 zochten Tammo Gockinga en Menno Houwerda steun bij Albrecht, graaf van Holland. Zij droegen al hun eigendommen op aan de graaf van Holland en beloofden hem, de grenzen van Friesland, waartoe toen ook de tegenwoordige provincie Groningen hoorde, te helpen beschermen. Daar tegenover gaf Albrecht alle goederen weer in leen terug en beloofde hij hen te sterken als iemand hen wilde hinderen of krenken. De oorspronkelijk akten zijn nog aanwezig in het archief van de graven van Holland (Algemeen Rijksarchief). Hieronder laten wij nog volgen een vrije weergave van deze akte:

'Wij, Tammo Gockinga en Menno Houwerda, hoofdelingen tussen de Lauwers en de Eems in Oost-Friesland, maken alle mensen bekend, dat wij voor ons en voor onze nakomelingen met onze vrije wil opgedragen hebben en opdragen aan de hooggeboren vorst, onze lieve, genadige heer hertog Albrecht van Beieren, graaf van Henegouwen, van Holland, van Zeeland en heer van Friesland en zijn nakomelingen de rechte eigendom van de landen van Oldambt met alle heerlijkheden, goederen en sloten, als wij nu hebben, houden en bezitten tussen de Lauwers en de Eems, verder alle andere landen, die wij nu hebben, houden en bezitten en nog verkrijgen zullen binnen de voornoemde grenzen of daarbuiten, met huizen, sloten, heerlijkheden, en daarbij behorende rechten, renten, vervallen en profijt, benevens het standrecht.
Welke landen, huizen, sloten, heerlijkheden en rechten onze lieve, genadige heer, hertog Albrecht voornoemd, ons weer vergunt te houden als een onsterfelijk erfleen.
En als het mocht gebeuren, dat wij of een van ons sterft zonder wettige erfgenamen na te laten, dan mogen wij de voorschreven heerlijkheden en goederen vermaken aan degene of degenen, die ins behagen zullen.
En als een van onze erfgenamen dit verzoeken zal, zal onze lieve heer, de hertog voornoemd, of zijn nakomelingen, aan hem de voornoemde heerlijkheden en goederen in leen geven, zoals onze lieve heer dit aan ons gedaan heeft.
En daar wij ver verwijderd zijn van het land van onze lieve heer, heeft hij een tijd van drie jaar na onze dood toegestaan voor het indienen van dit verzoek.
En wij hebben met onze vrije wil onze lieve, genadige heer voornoemd hulde, eed en manschap gedaan als mannen hun heren schuldig zijn en wij hebben beloofd, onze lieve heer in goede trouw te dienen en hem te helpen om de grenzen van Friesland te behouden en te versterken tegen al degenen die hem daarin hinderen willen; behoudens dat wijniet verplicht zullen zijn om hem te dienen buiten de grenzen van Friesland, tenzij wij dit uit vrije wil doen.
En onze lieve heer voornoemd heeft ons beloofd, ons te sterken in de goederen, landen en heerlijkheden voornoemd, als iemand ons hinderen of krenken wil, zo als een heer zijn leenmannen verschuldigd is.
Als onze erfgenamen na onze dood de heerlijkheden en goederen van onze lieve heer ontvangen zullen, dan zullen die erfgenamen alle voornoemde voorwaarden vernieuwen.
In oorkonde deze brief bezegeld met ons zegel, hieraan gehangen. geschreven op de elfde dag van de maand september in het jaar 1398.'

Het zegel aan deze leenakte vertoont een ridder te paard; in de rechterhand houdt de ridder een lans met een vaantje. Als randschrift is aangegeven: TAMMO.

Het leek wel of de Gockinga's en de Houwerda's een goede zet hadden gedaan door zich onder bescherming van de graaf van Holland te stellen. Deze stak namelijk in 1398 met een leger van 20.000 man over van Enkhuizen naar Stavoren en bezette al deze gebieden. De vetkopers voelden zich weer veilig op hun stinzen. Maar Groningen, het middelpunt van de Schieringers, zette alle kracht bij en in 1400 was er al weer een keerpunt gekomen. De Hollanders moesten het land ruimen en nu zou de dag der wraak komen voor de adellijke geslachten. Er moest afgerekend worden met de Gockinga's, Houwerda's, Cammingha's, Heemstra's, Donia's, Ripperda's, met de Snelgers en de Wibbens.
Schotanus geeft in zijn 'De Geschiedenissen, Kerkelijke en Wereldlijke van Friesland, Oost en West', verschenen in 1658 twee lezingen van de verovering van de stins van de Gockinga's. De ene lezing is ontleend aan Ubbo Emmius en komt op het volgende neer: Van Farmsum gingen de bondgenoten terstond naar Termunten en verwoestten het huis van Menno Houwerda. Voorts naar Oosterbroek, aldaar slechtende het huis van Ayolt Gockinga. Toen zijn de Friezen en Groningers van elkander gescheiden, elk zijns weegs naar huis trekkende, hun moed en haat of toorn gekoeld hebbende, of de vijanden van het gemeen gestraft. De raad en het volk van Groningen heeft met dank en goede wil van de naburige staten de rechten en privilegiën van Houwerda, Gockinga en andere ballingen in het Oldambt aan zich getrokken. Omdat de stad hierdoor zo zeer in kracht toegenomen is, is de dag van de verwoesting van Gockinga-huis (namelijk de drieëntwintigste april 1401) tot gedachtenis van de zaak tot een eeuwigdurende, heilige dag gewijd.

De andere lezing is ontleend aan aantekeningen en memoriën van Ayolt en zijn erven:
Ayolt, gehaat door en in gevaar van de Stad en de staten tussen Eems en LAuwers, verzoende zich op de dag voor Sint Michiel in het jaar 1399 met hen allen. Hij beloofde, de vonnissen en wetten van het land te zullen nakomen. Deze verzoening werd na korte tijd geschonden en Ayolt werd, onder bedreiging met vernietiging door de Stadd en de anderen, gedagvaard voor de werf of rechtbank.
Hem werd opgedragen om de wal en de grachten van het huis te Oosterbroek te slechten en de soldaten af te danken. Daaraan voldeed hij. Toen de gemoederen van de Oldambsters die hem het meest vijandig gezind waren, nog niet gekalmeerd waren, bood hij, om verder kwaad te voorkomen, hun rechters verschillende billijke voorstellen aan. Hij wilde handelen overeenkomstig de wetten en vonnissen van de Groningers, indien de tegenpartij dit ook deed. Hij wilde zijn huis geven in handen van vier rechters van Broek en andere bekwame lieden, te benoemen door twee priesters, onder beding dat het hem na het sluiten van een verdrag geheel en ongeschonden teruggegeven zou worden. Verder was hij bereid op aandrang en volgens goedvinden van de priesters de vastigheden van het huis ten dele neer te werpen. Ook mochten er, als zij dat liever wensten, twee bewaarders worden aangesteld van het huis totdat alles bijgelegd was.
Een van de bewaarders zou zijn een rechter, benoemd door de naburige staten, de andere zou benoemd worden door Ayolt. Alles werd afgeslagen door de tegenpartij.
Daarna zond Ayolt tot meerdere voldoening twee mannen naar de werf of gerechtsbijeenkomst te Midwolda. Deze beloofden onderpand, borgtocht of gijzelaars, alle publieke of particuliere schade te boeten en niet te zullen streven naar een heerschappij die nadelig was voor de vrijheid.
Toen dit weer geweigerd werd, kwam Ayolt nog tot andere aanbiedingen. het laatst bood hij aan om naar Groningen in gijzeling te komen en niet te ontvluchten voordat een volkomen gelijk getroffen was.
Tenslotte werd Ayolt gedagvaard in Appingedam. Daar werd overeengekomen tussen de zoenslieden Albert Wigbolds, Adolf Schelge, beide van Grningen, en de voorlezer van Appingedam, dat Ayolt vredig zou leven, de wetten en gerichten onderdanig zou zijn, de vrijheid niet krenken en uit het volk zou huren wie hem beliefde, als bewaarders van het slot. Zijn zoon, die toen in Westerwold was, zou hij binnen acht dagen als gijzelaar naar Groningen zenden.
Toen ayolt naar Westerwolde reisde om aan het verdrag te voldoen, kwamen voor het huis enige oproerige naburen uit het Oldambt en uit Duurswold; zij eisten het huis op van Ayolts moeder. Daar hieraan niet werd voldaan, werd het huis met aller instemming belegerd. Ayolt kwam ternauwernood met zijn zoon des nachts op het huis en trachtte zijn lieden de een na de ander naar Groningen te zenden om te klagen over het geweld en de schending van de overeenkomst, maar zij vielen alle in handen van de belegeraars.
Toen de belegeraars echter zagen dat zij niet vorderden en vergeefs wachten op hulp van anderen namen zij het goud en het zilver uit de kerken en zonden dit met de gijzelaars naar Groningen. Toen werden zij gesteund door de stad en alle staten tussen Lauwers en Eems, in strijd met de overeenkomst. De Groninger donderbussen werden voor het his opgesteld en daarop afgevuurd. Ayolt gaf zich toen noodgedwongen over op voorwaarde dat hij en zijn zoon Haye naar Groningen in gijzeling zouden gaan, maar in vrije bewaring worden gehouden bij een burger tot de tiende april. Intussen zouden zij borgen geven tot betaling van hetgeen de Stad en de landstaten zouden oordelen. Als de gijzelaars dit binnen de overeengekomen tijd niet deden, zou de Stad hen in verzekerde bewaring stellen. De andere gewapenden zouden vrijuit gaan.
Maar Albert Wigbolds en Frederik Asto, dienaren van de Stad, drongen met de soldaten de stins binnen, plunderden en verwoestten alles en lieten de mensen naakt en berooid weggaan. Elf doodden zij, sommige verwondden zij en andere jaagden zij in de gracht van de stins. Ayolt en Haye bleven te Groningen in hechtenis.
Intussen werd de Utrechtse wapenstilstand gesloten. Op grond hiervan vroegen de moeder en de vrouw van Ayolt diens vrijlating onder borgtocht van de gpouverneur van de vesting Blankeweer bij Groningen. De bisschop van Utrecht verleende zijn bemiddeling. Alles vergeefs. De Groningers en hun bondgenoten zochten altijd uitvluchten. Daardoor werd Ayolt eerst vrijgelaten in het vijfde jaar, toen met de bisschop vrede gesloten werd. Maar het slot is met de grond gelijk gemaakt.

Hoe ging het nu verder met de Gockinga's? Na 1405 nam Ayolt Gockinga blijkbaar wel weer bezit van zijn goederen te Zuidbroek. Na zijn overlijden, plusminus 1425 volgde zijn zoon Eppo hem op. Men leefde echter niet lang in vrede met de stad Groningen. De Gockinga's belemmerden de handel van de Stad door geen kooplieden in hun gebied te dulden. Toen de twist hoog opliep, werd de hoofdeling Edsard van Greetsiel, zwager van Eppo Gockinga er in gekend.
In 1435 wist de stad Groningen een overeenkomst te sluiten met de gewone hovelingen, de rechters en de meenten van de kerspels en buurtschappen Midwolda, Oostwold, Finsterwolde, Veenhuizen, Scheemda, Eexta, Meeden, Aver-meedem, Zuidbroek, Noordbroek en Wagenborgen. Er zou twaalf jaar vrede zijn tussen de partijen. De mogelijkheid van beroep werd ingesteld van de vonnissen van de landrechters op de Landswerf in de stad. Hiermee waren Eppo Gockinge en Ailko Houwerda het niet eens. Ook legden zij de handel van de stad allerlei beletselen in de weg. De Groninger kooplieden mochten in hun gebied zelfs niet kopen of verkopen. En zij namen allerlei maatregelen tegen hen die het verbond met de Stad gesloten hadden.

De spanning nam weer toe tussen Groningen en de Gockinga's. Zwager Edsard probeerde nog te bemiddelen, maar in 1438 viel de definitieve beslissing. Groningen kwam weer met een leger naar Termunten en overrompelde de stins van de Houwerda's. Daarna werd afgerekend met de Gockinga's. Eerst werd hun huis te Zuidbroek genomen en daarna hun sterke toren te Bellingwolde, van waaruit de handel belemmerd werd. Aangenomen kan worden dat deze toren gestaan heeft dichtbij de Westerwoldse A, waar in 1952 de plattegrond van een stins is blootgelegd. Alle materialen waren weggevoerd. Alleen werd vlakbij nog een brok muur gevonden van plusminus een kubieke meter, waarin resten van een verbrande balk. Als men let op de door Emmius gebruikte woorden 'huis' te Zuidbroek en 'sterke toren' te Bellingwolde, kan men aannemen, dat de sterke toren te Zuidbroek niet weer is opgebouwd, maar dat de familie Gockinga toen in een van haar boerderijen te Uiterburen woonde.

De slag was gevallen, maar onmiddellijk kwam Edsard weer voor zijn zwager op. In 1439 kwam men tot het volgende accoord: Gockinga zou alle geroofde goedeeren (vee, koren, enzovoort) terugkrijgen; hij mocht zijn goederen en zijn bezittingen tot zijn dood gebruiken; alle beledigingen van weerszijden zouden vergeven en vergeten zijn; zwager Edsard zou borg zijn voor de goede trouw van Eppo Gockinga.

Eppo Gockinga overleed op elf januari 1444. Al zijn goederen, landerijen, venen en rechten kwamen toen, overeenkomstig het accoord aan de stad Groningen. Ze werd dus, zoals de Blécourt het uitdrukt, de ambgenoot der Oldambster redgers. Als zodanig plaatste zij in een van de huizen van de Gockinga's te Uiterburen een ambtenaar. Deze moest haar bezittingen beheren en in haar naam recht spreken, als haar boerderijen aan de beurt waren.

Nu was het pad geëffend voor verdere opbloei van de stad en van het omliggende gebied. Er was een grote mate van samenwerking.
Er werd in 1454 een overeenkomst esloten tussen enerzijds Stad en Lande en anderzijds de gewone hoofdelingen, de rechters en de mene meenten van Oldambt om de Reider dijken te maken en te onderhouden. Er was blijkbaar het eerst behoefte aan bestrijding van het zeewater.
In 1457 volgde daarop het aanleggen van een weg van Groningen naar de Eems over Slochteren en Zuidbroek. Het werd een openbare weg. Niemand mocht het vrije verkeer daarover afsluiten.
In 1473 volgde daarop nog een verbond van de Stad met alle Ommelanden. Dit verbond is vernieuwd in 1482. Het ging over de handel en de rechtspraak. De stad kreeg het stapelrecht voor binnenlands graan. Het hier verbouwde koren moest dus eerst in Groningen te koop worden aangeboden voor het naar andere streken werd verkocht. Ook mocht alleen in de stad bier gebrouwen worden. Ten aanzien van de rechtspraak werd bepaald, dat de Gemene Landswerf in de Stad in beroep recht zou spreken.

Tegen het eind van de eeuw kwam de Stad weer in moeilijkheden. Deze kwamen van de kant van Albrecht van Saksen, die van keizer Maximiliaan Friesland in leen ontvangen had. En later kreeg de Stad moeite met Edsard de Grote van Oost-Friesland en Karel van Gelre. In 1536 erkende zij Karel V als heer. Bij het toen gesloten verdrag behield zij haar rechten op het Oldambt.

In 1555 droeg Karel de souvereiniteitsrechten over dit gebied over aan zijn zoon Filips II, die ook koning van Spanje werd. Deze oefende zijn macht hier uit door zijn landvoogd te Brussel en stadhouders in de verschillende gewesten. Zo waren hier in 1568 de volgende stadhouders: Willen van Oranje over Holland, Zeeland en Utrecht, Aremberg over Groningen, Friesland, Drente en Overijssel en Megen over Gelderland.

De Hervorming, Filips II en Alva

Voor wij nu verder gaan met ons verhaal over de band tussen het Oldambt en de stad Groningen, moeten wij eerst wat vertellen over de Hervorming. Hoe die bestreden werd door Filips II en welke houding deze streken tegenover de Hervorming en Filips II aannamen.

Na het eerste optreden van Luther in 1517 had de Hervorming zich ongelooflijk uitgebreid. Bij de vrede van Augsburg in 1555 werd de Hervorming geaccepteerd waar zij was en dit was in vrijwel geheel Noord- en Midden-Duitsland. In 1543 was Emden reeds tot de hervormde godsdienst overgegaan. Daar werd in 1571 de eerste synode van de Nederlands-gerformeerde kerken gehouden.
Het zou nog veel strijd kosten voor hier de godsdienstvrijheid verworven was. Filips II had het doel om een streng gecentraliseerde regering te vormen en om geen andere godsdienst te dulden dan de Rooms-Katholieke. En er kwamen maar bevelen uit Spanje, die door de landvoogd en de stadhouders moesten worden bekend gemaakt en uitgevoerd.
Maar dat bekend maken en uitvoeren deed men hier in Groningen niet. Men wilde zelf toezicht houden op de godsdienst. Men stond op het standpunt, dat men uit vrije wil de vorst had aangenomen en dat men zelf wetten mocht maken als vrije stad. Alle ambtenaren en rechters werden benoemd zoals dat vanouds gebruikelijk was. Doordat de bevelen van Spanje en van Brussel afgezwakt of genegeerd werden, is het ook te verklaren, dat de verhouding hier niet zo scherp was en wij hier geen brandstapels en geen eigenlijke beeldenstorm gekend hebben.

Het verzet tegen de Spaanse tyrannie kwam in het zuiden tot uitbarsting in 1566 met de beeldenstorm, meer uit sociale nood dan uit geloofsovertuiging. Alva werd landvoogd en de Nederlanders moesten worden gestraft. Vreselijk is door hen huisgehouden. Achtduizend mensen zijn door hem ter dood gebracht door ophanging, wurging, onthoofding of verbranding. Willem van Oranje trok zich het lot van de verdrukten aan. Hij ontwierp een plan tot bevrijding. Een onderdeel van dat plan was om Groningen aan de kant van de Hervorming te krijgen. Lodewijk van Nassau, broeder van de Prins, nam die taak op zich. Hij begon vanuit Emden. Vandaar via Wedde, Winschoten, Zuidbroek en Slochteren naar Appingedam. In Wedde had hij nog maar een legertje van driehonderd man, maar het groeide geleidelijk aan tot vierduizend, waaronder graaf Adolf met tweehonderd ruiters. De Stad wilde de poorten niet opendoen. De graaf moest terug. Van Siddeburen naar Heiligerlee ging dit waarschijnlijk over Noordbroeksterhamrik, waar een boerderij nog de naam 'Het Leger' draagt. Dat was op 23 mei 1568. De avond van diezelfde dag werd nog slag geleverd bij Heiligerlee. Graaf Lodewijk tegenover stadhouder Aremberg, die voor Spanje bleef strijden. Een schitterende overwinning voor graaf Lodewijk. Helaas sneuvelde graaf Adolf.
Megen, de stadhouder van Gelderland, Ook Spanje-gezind, was te laat gekomen om Aremberg te helpen. Toen hij in Zuidbroek aankwam vertelden marketenters hem dat Aremberg verslagen was. Graaf Lodewijk trok weer in de richting van de stad Groningen en sloeg zijn kamp op te Oosterhogebrug met negenduizend man. De stad was niet bereid zich over te geven, mede door de aanwezigheid van Megen. Teonkwam Alva zelf naar het noorden om Heiligerlee te wreken. Eind juni 1568 verliet hij Brussel en op 14 juli was hij al in Rolde. Teleurgesteld over de Groningers trog graaf Lodewijk weg, over Slochteren, Zuidbroek en Heiligerlee. Op 19 juli was hij bij Jemmingen aan de Eems met achtduizend man voetvolk en zeshonderd ruiters.
Alva achtervolgde hem over Slochteren, Noordbroek en Wedde. Op 22 juli werd Lodewijk verslagen. Alva ging toen weer terug naar Groningen, waar hij in een verenigde vergadering van de Staten der Ommelanden en Burgemeesters en Raad der stad Groningen liet verklaren dat het gewest door de ketterij en door de steun aan graaf Lodewijk de gunst van de koning was verbeurd en alle privileges krachteloos waren geworden. Hij was met een lijst van 200 beschuldigden naar Groningen gekomen. De meeste waren gevlucht vooral naar Emden en Leer. Enkele werden gepakt en met de dood gestraft. Van de gevluchte beschuldigden werden de goederen verbeurd verklaard.

Ook Groningen heeft het Spaanse juk zwaar gevoeld. Het in de stad gelegerde garnizoen legde zware lasten op. Als de voorgeschreven lasten niet opgebracht werden, kwam er inkwartiering. Huizen en boerderijen zaten volgestopt met soldaten en de bewoners zelf moesten maar in het hooi of op de vloer slapen. Van 1568 tot 1572 leek het niet best. Pas in 1572 begoner weer uitzicht te komen met de inneming van Den Briel. Meer steden volgden en in 1579 sloten de gewesten zich aaneen tot de Unie van Utrecht. Twee jaar later volgde de afzwering van Filips.
In 1576 benoemden de Staten-Generaal de graaf van Rennenberg tot stadhouder van Groningen, Friesland, Drente en Overijssel. Maar in 1580 liep Rennenberg over naar Filips. Deze handhaafde hem als stadhouder. De stad ging mee met Rennenberg, maar overigens was er grote verbittering tegen hem. De geus Bartold Entens sloeg het beleg voor de stad. Maar tegenover Parma's troepen kon hij het niet houden. Pas in 1594 werd de stad definitief bij de unie gebracht. Op 22 mei van dat jaar kwam het leger van Maurits in Helpman. Na een belegering van een maand gaf de stad zich over. Zij mocht alle privilegiën, voorrechten en vrijheden behouden; de geschillen met de Ommelanden moesten worden onderworpen aan de beslissing van de Staten-Generaal; de uitoefening van de Roomskatholieke eredienst werd verboden; naar de Staten-Generaal zou een afgevaardigde gaan van de Stad en een van de Ommelanden; de Stad behield het stapelrecht en het uitsluitend recht om bier te brouwen; de goederen van de kloosters kwamen aan de provincie.

Pogingen van de Oldambsters om als apart lid in de Statenvergadering te worden opgenomen hadden geen succes. De heerschappij van Groningen zou tot de Bataafse tijd blijven bestaan.

De verhouding tussen de stad en Oldambt was intussen niet al te best. De Stad wist aanvankelijk het stapelrecht uit te breiden en het beroep in rechtzaken te versterken. Zij had een uitgebreide handel, speciaal met Noordwest-Duitsland, want van 1562 tot 1568 ging tweederde van al haar correspondentie daarheen. In 1579 trad het Oldambt wel toe tot de Unie van Utrecht, maar de Stad niet. Doede Tjarks ging toen voor het Wold-Oldambt naar Den HAag om de Unie te tekenen. In 1594, toen Groningen dus gedwongen bij de Unie van Utrecht werd gebracht, kwam het Oldambt met de eis: geef ons onze oude buurrechters weer.
Na 1594 bruiste het weer van levensenergie in de stad. Op alle terrienen kwam zij opzetten. Het grote doel van alles was om de Stad tot centrum van de provincie te maken en te houden. Veel heeft de Provincie aan de activiteit van de stad te danken, maar botsingen met andere belanghebbenden bleven niet uit. De hoofdzaken gaan wij kort vermelden.

Zeer spoedig, reeds in 1601, werd een nieuwe zijlbrief van Munterzijl vastgesteld. Dit geschiedde door samenwerking van de volmachten van de kerspels Noordbroek, Zuidbroek, Meeden, Westerlee, Eexta, Scheemda, Midwolda, Oostwold, Woldendorp en de beide Munten en het bestuur van de Stad. Enkele bijzonderheden uit deze zijlbrief geven wij weer.

'Er is hoogdringende nood om de landen van de last en overval van de verse wateren te bevrijden. Goede diepen en maren moeten worden gegraven. Zijlen en kanalen moeten worden getimmerd. Elk kerspel zal een zijlvest benoemen. De zijlvesten benoemen drie scheppers. De drost is overste-schepper. De scheppers en zijlvesten moeten het zijlgeld en het schot beuren. Zij moeten alle strijdige zaken beslissen en tweemaal per jaar werfdag houden. Beroep van hun uitspraken is mogelijk op de drost, in tweede instantie op Burgemeesters en Raad van Groningen. Scheppers en zijlvesten moeten ook toezicht houden op de veendijken, binnendiepen en waterpendingen. Niemand mag de zijl opsperren op straffe van verbeurdverklaring van schip en goed. Geen schipper mag zij schip vastmaken aan de zijlpalen of buningen of bruggen. Ook is het verboden twee schepen naast elkaar te leggen op straffe van een boete van vier daler. De waarman moet overtredingen aangeven bij scheppers en zijlvesten. Omdat van de venen geen zijlschot geheven wordt, moeten schippers tot onderhoud van zijlen en bruggen voor elke last turf zes Brabantse stuivers betalen.'

De belangstelling van de Stad voor de venen begon ook spoedig te komen. In 1608 kocht zij van het kerspel Zuidbroek vijf akkers land en in 1615 van enige Utrechtenaren, die de afgraving niet langer konden financieren, de venen tussen Kropswolde en Zuidbroek.

Bij zakendoen is er altijd behoefte aan vaste rechtsregels. Dat was ook toen het geval. De Stad ging daarom de volmachten van alle kerspels uitnodigen om haar in te lichten over oude gebruiken met het doel om de landrechten te herzien. In 1618 stelden Burgemeesters en Raad van de Staad het landrecht der beide Oldambten vast. Hier volgen enkele bijzonderheden daaruit.

De drost wordt gekozen door Burgemeesters en Raad van de Stad Groningen.
Hij wordt in de kerk van Zuidbroek door twee raadsleden van de Stad gepresenteerd en geïntroduceerd. In die kerk moet hij ook de eed afleggen. Hij moet in de beide Oldambten de hoogheid vanwege Burgemeesters en Raad van de Stad getrouwelijk verwaren en derzelver bevelen achtervolgen en doen achtervolgen.
Hij moet exerceren alle civiele en criminele jurisdictie naar landrecht, een ieder goede en korte justitie administreren, de misdaden straffen. Hij mag dat alles niet laten om lief of leed, gunst of gave of enig ander ding ter wereld. De landschrijver wordt ook gekozen door Burgemeesters en Raad. In iedere rechtstoel zal zijn een gerechtsdienaar en een substituut. Deze moeten beiden op de rechtsdagen aanwezig zijn, het gericht bijstaan en de overtreders arresteren.
De gerechtsdienaar moet dagvaarden en exploiten doen. Als advocaat mag alleen optreden wie toestemming gekregen heeft van een raadslid van de stad of van de drost. In de Olsambten zijn vijf rechtstoelen en wel te Midwolda, Zuidbroek, Winschoten, Finsterwolde en in het Klei-Oldambt. In iedere rechtstoel zal elke maand tweemaal, of tenminste eenmaal rechtdag worden gehouden. Over het eigendomsrecht van onroerende goederen zal in die rechtstoel geageerd worden, waar de goederen gelegen zijn. Over personele schulden waar de debiteur woonachtig is. Burgemeesters en inwoners van de stad mogen ingezetenen van de beide Oldambten voor Burgemeesters en Raad van de Stad dagvaarden. De vreemde mag men ook te Zuidbroek dagvaarden of waar de drost zijn residentie zal houden. Als men niet kan wachten op de open rechtdag, mag men altijd laten dagvaarden ter plaatse van de woning van de drost. Misdadigers mogen gearresteerd worden op alle plaatsen als de drost tot meeste dienst van de justitie zal bevinden te behoren. De drost zal geen rechtdagen houden in de herbergen, maar op bekwame plaatsen in iedere rechtstoel daarvoor aan te wijzen of anders in de kerken. Als toch wegens onbekwaamheid of defect van zulke plaatsen, inzonderheid des winters, de rechtdagen in de herbergen gehouden moeten worden, zal gedurende de rechtzitting in dat huis geen bier getapt mogen worden. De drost zal richten naar deze beschreven landrechten en wat hierin niet bepaald is, zal gericht worden naar oude deugdelijke costumen en gewoonten.
Van alle civiele zaken, waarvan de som meer dan tien daler bedraagt, is beroep op Burgemeesters en Raad van Stad. Als de veroordeelde niet sbetaalt, legt de gerechtsdienaar beslag, eerst op levende have, daarna op huisraad en de andere tilber goederen, ten derde op de behuizing, landen en andere onreplike goederen. Het in bedslag genomen roerend goed zal door de gerechtsdienaar publiek worden verkocht. Wie het vruchtgebruik heeft van venen of holtingen, mag niet meer dan noodruft voor zijn huis graven of houwen. Niemand is verplicht toe te laten, dat de takken van zijn nabuurs bomen over zijn erf hangen en als de nabuur, gerechtelijk daartoe vermaand, de takken niet afhouwen wil, mag de klager zonder breuk deze afbreken en afhouwen. Niemand mag over eens anders grond een voetpad, drift of weg hebben, water leiden, uit eens anders put of dobbe water halen, eens anders land weiden en eens anders land zand of leem graven. Wie een geldig testament maken wil, zal het laten bevestigen met het Stadszegel of met het zegel van de drost en twee getuigen of ook met een kerspelzegel en twee getuigen. Alle waarden en waardinnen moeten gereed geld of pand nemen, want het gerecht wil van bierschulden geen klachten horen. Als koper of pachter de koop of pacht drie keer op zondag in de kerk heeft laten afkondigen, moet de inbezitstelling binnen een jaar en zes weken geschieden. De huisheer is schuldig het huis van zijn meijer te onderhouden dakdicht, deurdicht, wanddicht en vensterdicht. Alle meijers moeten hun huren betalen op tijden als bedongen is, en indien geen zekere voorwaarden daarvan gemaakt zijn, jaarlijks op St. Machielsdag. De meijer mag geen griede of weiland breken of ploegen zonder toestemming van de eigenaar en indien de meijer daartegen doet, zal de landheer toekomen al hetgeen daarop wast en bovendien drie jaar huur van het land dat hij gebroken heeft. De afgaande maijer mag geen kleilanden met winterkoren bezaaien zonder toestemming van de eigenaar. Insgelijks mag geen meijer in het laatste jaar meer dan twee delen van de akkerlanden bezaaien en hij moet het derde deel laten liggen. Alle verhuurde landen zullen op Petri ad cathedram vrij wezen, op welke tijd het gebruik van de nieuwe meijer aanvangt. De oude meijer is niet eerder dan voor mei gehouden de behuizing te ruimen. Huizen waar geen landgebruik bij is, zullen vrij wezen op Michaelis en opgezegd moeten worden voor pasen. Als twee of meer enig land mandelig hebben, mag het meeste deel het minste uitwijzen met even goed land in dezelfde heerd of in hetzelfde land overeenkomstig uitspraak van de rechter of van goede mannen. Ieder is verplicht de sloten in bruikbare landen schoon te houden. Als hij weigert, kan hij er toe gedwongen worden en als hij nog onwillig blijft, zal de sloot op zijn kosten door het recht besteed worden.

Als men tuinen of hoven wil bevreden en met staketten, heggen of dergelijke geen genoegen neemt, dan mag men in de scheiding tasten en een sloot graven in zijn eigen land en de aarde op zijn grond werpen. Willen partijen aan beide zijden graven, dan mogen zij de sloot maken in de scheiding aan beide zijden.

Het landrecht van 1618 regelde ook het strafrecht. Overtredingen werden gestraft met boete en breuk. Boete was voor de benadeelde en breuk voor de overheid. Na betaling van de breuk werd de overtreder weer geaccepteerd in de samenleving. Wij vermelden hieronder enkele artikelen van dit strafrecht:
Iemand schelden met woorden die een man aan zijn lijf gaan, als dief, verrader, moordenaar: boete 10 daler, breuk 5. De drost daarvoor uitschelden, als hij in zijn ambt is: boete 80, breuk 40.
Een ander de baard uittrekken: boete 4, breuk 2.
Iemand met stokken slaan, met stenen of andere dingen werpen waar bloeding door ontstaat: boete 1, breuk 1.
Iemand stoten in een sloot of in diep slijk: boete 4, breuk 2.
Voor iedere wonde, bloeding, bloedige of blauwe slag: boete 2, breuk 1. Als de bloedige of blauwe slag daarna doorbreekt of door de barbier doorstoken moet worden, zal die voor een wond gerekend moeten worden. Voor iedere wond die door de huid in het vlees of op de botten gaat: boete 10, breuk 10. Wonden gaande door het holle van het lijf, door hals, arm, hand, been of voet zullen dubbel gerekend worden. Idem alle hoofdwonden.
Iemand beroven van zijn neus, tong, oog, hand of voet: boete 40, breuk 20. Van zijn oor, duimvinger of teen: boete 20, breuk 10. Van ieder lid van duim, vingers of tenen: boete 10, breuk 5. Voor iedere tand: boete 5, breuk 2.5. Voor een ribbe in tweeën geslagen of gestoten: boete 10, breuk 5. Voor een arm of been in tweeën geslagen die weer terecht komt: boete 20, breuk 10. Als die niet weer terecht komt: Boete 40, breuk 20. Een man van zijn mannelijkheid of een vrouw van haar borsten beroven: boete 80, breuk 40.
Voor een doodslag, als de schuldige ontloopt: boete 80, breuk 40. Allen die erbij zijn als een doodslag geschiedt, zullen verplicht zijn de schuldige te vervolgen en in verzekering te brengen, op poena van 5 daler.
Wie met opzet eens anders koren, gras of riet afmaait, hout afhouwt, vissen vangt of makke zwanen doodt, zal geven boven de waarde van het goed: boete 20, breuk 20.
Voor het inslaan of inwerpen van eens anders deur of venster: de schade dubbel betalen en boete 40, breuk 20.
Voor overspel: breuk 80.
Voor meineed: verlies van de voorste twee vingers, die gelost mogen worden met 80 daler.
Wie een landscheiding met opzet vernietigt of verduistert, verbeurt 80 daler.
Wie een mans moedwillig ter dood brengt, die zal men met een zwaard het hoofd afslaan.
Zeerovers, straatrovers of straatschenders zal men met een zward het hoofd afslaan en het hoofd op een staak zetten.
Moordbarners, die eens anders huis moedwillig in brand steken, die zal men aan een staak binden en tot pulver verbranden.
Moordenaars, kerkenschenders en hun medeplichtigen zal men radbraken op zulk een manier, dat men hun armen, benen en rug in tweeën slaat, met een axe het hoofd afslaat en dit met het licheem op een rad zet.
Verraders die vorsten en herren, steden of landen verraden en in ellende brengen, die zal men levend het hart uit het lijf nemen en onder ogen werpen en hem voorts in vier stukken houwen en op verscheidene plaatsen hangen en zetten de hoofden op staken.
Tovenaars zal men tot pulver verbranden.
Vrouwen die haar kinderen doden, zal men barnen.
Een mens die zichzelf moedwillig doodt, zal tot pulver verbrand worden.
Wie stomme zonden begaan of tegen de natuur zondigen met een beest, zal men met het beest tot pulver verbranden.
Wie een meisje verkracht, die zal men met een zwaard het hoofd afslaan, indien het meisje daar binnen 24 uur over klaagt.
Wie een meisje tegen haar wil en de wil van haar ouders ontvoert, om haar te vervreemden of de ouders te schatten, die zal men met een zwaard het hoofd afslaan.
Een man die twee vrouwen of een vrouw die twee mannen trouwt en beslaapt, zal met het zwaard gericht worden.
Wie eens anders vrouw ontvoert, die zal ook met het zwaard gericht worden. Diezelfde straf zal de vrouw ondergaan, als dit met haar toestemming geschied is.
Wie vals geld munten en daarme handelen, zullen in een ketel gekookt en gebrand worden n hun goederen zullen worden verbeurd verklaard. Wie munten besnijden of anders in gewicht verminderen, zullen met het zwaard gestraft worden.
Wie zeedijken moedwillig doorsteken, zodat het zoute water daarin loopt, zal men in dat gat levend versmoren.
Dieven die gestolen hebben, zullen met kaak en brandmark of met de galg of anders naar gelegenheid van de zaak, naar het oordeel van het recht, gestraft worden.
Als de bewoner van een huis iemand daarin aantreft die daar buiten zijn weten en wil in gekomen is, mag hij hem aanklagen voor dief, moordenaar of anders. Wat de indringer aangedaan wordt is zonder boete of breuk, met uitzondering van dood, tenzij hij zich verdedigde.
Als enig beest uit zichzelf gewoon is kwaad te doen en alzo misdoet, moet de eigenaar de schade betalen. Is het beest niet gewoon kwaad te doen, dan zal de eigenaar zijn keus hebben of hij het beest wil overleven of de schade vergoeden en de halve boete en breuk betalen. Wie een beest met opzet ophitst tot enige misdaad, wordt gehouden, dat hij het zelf gedaan heeft.
Wat de kinderen die onder ouderlijke macht staan, misdoen, daarvoor zullen de ouders de boete en de breuk betalen.
Van alle misdaden aan personen met een bepaald ambt als raadspersonen of de drost, zal de boete en de breuk vierdubbel wezen. Van al hetgeen edellieden, rechters, predikanten, schrijvers, gerechtsdienaars, vrouwen, kinderen en andere onnozele personen geschiedt, zal de breuk dubbel wezen.
Als personen die zulke ambten bedienen of edellieden wat misdoen, zijn boete en breuk ook dubbel of vierdubbel, naar gelegenheid.
Oertredingen die des nachts gebeuren, of op het kerkhof, op weg van of naar de kerk, op wagens of paarden, in schepen of kraamhuizen, idem als iemand in zijn dagelijkse arbeid is van dijken, ploegen, zaaien of maaien, worden met dubbele boete en breuk gestraft. Van alle delicten die in kerken geschieden, zal boete of breuk vierdubbel zijn.
Wie zijn boete of breuk niet betalen kan, die zal aan den lijve of met verbanning of anders naar gelegenheid van zaken gestraft worden.
Het recht zal de berechte personen niet op de pijnbank brengen zonder merkelijke oorzaken, voorgaande wetenschap of verkregen inlichtingen. Op bekentenis in de pijn gedaan zal het recht niet lichtelijk veroordelen, ten alle tijden denkende, dat het beter is een schuldige ongestraft te laten dan een onschuldige te straffen.



Op 11 februari 1618 werd dit nieuwe landrecht voorgelezen in de kerk van Zuidbroek, nadat burgemeester Alting van Groningen een inleidend woord gesproken had. bij de plechtigheid waren verder aanwezig gecomitteerden van Burgemeesters en Raad van Groningen, de drost, de landschrijver en een groot aantal ingezetenen.

Intussen werd de Dollard teruggedrongen door inpolderingen en het Oldambt kreeg langzamerhand zijn bekende aanzien van rijk landbouwgebied (18de-19de eeuw). Aan de zuidkant ontwikkelden zich sinds het begin 17de eeuw de Veenkolonieën.

De stad Groningen ging op grote schaal door met het afgraven van de venen. Er was overal behoefte aan turf voor brandstof. De afgraving, het transport en de verkoop gaf aan vele mensen brood en het geheel was een winstgevende zaak. Als er maar een brein achter zat, adt dit kon organiseren. En dat brein was de stad Groningen. En dat haar streven juist in de richting van Zuidbroek ging, lag in het feit, dat zij hier bezittingen had en rechten.

Na aanvankelijk een kanaal tot het Sappe-meer gegraven te hebben, werd dit in 1628 voltooid tot Zuidbroek. Meteen werd toen een veerdienst opgericht tussen de Stad en Zuidbroek. Burgemeesters en Raad van de Stad regelden alles. Hun ordonnantie komt op het volgende neer.Het veer wordt opgericht ten dienste van de reizende man.
Het zal aanvankelijk bediend worden door twaalf snikkevaarders, te weten zes van de Stad en zes van Zuidbroek, twee en twee op iedere snik.
Elk paar snikkevaarders wordt voorzien van een bekwame snik met toebehoren en zij zullen bij beurten, de een na de andere van hun respectievelijke plaatsen varen, zonder hun beurten te laten overschieten.
Elke beurt wordt gereken heen en weerom, zo dat wie de ene dag van zijn plaats uitvaart, de volgende dag van de andere plaats vaart en wel alle dagen des morgens om negen uur op beide plaatsen voor vier brasstuiver voor iedere persoon, hetzij dat er vele of weinige reizigers zijn. Zij zullen ook niet langer wachten dan 9 uur.
Als een snikkevaarder zijn beurt verzuimt door dronkenschap, om eigen gewin of moedwillig, zal hij van de beurt verstoken wezen en bovendien in de armenbus betalen achtehalf brasstuiver en ook geen deel hebben aan de winst. Maar als hij vanwege ziekte of andere vergeeflijke oorzaak niet kan varen, zal hij dit meedelen aan zijn opvolger, die de beurt zal waarnemen. Hij zal niettemin meeprofiteren van hetgeen in de bus komt.
Van iedere persoon die niet verder dan Foxhol wil varen, zullen zij niet meer dan twee brasstuivers genieten voor vracht, mits die persoon tevoren medegedeeld heeft, dat hij niet verder wil varen.
Als buiten de genoemde tijd van negen uur een, twee, drie, vier of vijf personen dertig brasstuiver willen geven en zes tot en met tien personen veertig brasstuivers, zullen zij hiervoor een bijbeurt maken.
Als meer geld mocht komen van een gewone bijbeurt dan twee Carolus guldens, zal dat in de gemene bus geworpen worden tot profijt van alle snikkevaarders. Daarna zal het geld onder hen gelijk verdeeld worden. Er is een bus voor de snikkevaarders van de Stad en een voor die van Zuidbroek.
Alle snikkevaarders die volle vracht, namelijk twee Carolus guldens of meer, op een reis ontvangen hebben, zullen in de armenbus van hun plaats zonder verzuim een brasstuiver storten.
Als een snikkevaarder tegen iemand met een geweer, hout, mes, of vuisten of anders gevochten heeft, zal hij in de gemene bus twee daler betalen, indien dit tegen iemand van zijn medeveerlieden en eend aler, indien het geschiedt tegen iemand anders, ongeacht de breuk aan de bevoegde rechter.
Opdat deze ordonnantie des te beter onderhouden wordt, zullen de snikkevaarders elk op hun respectievelijke plaatsen een olderman kiezen, die opzicht zal houden en het effect bevorderen.
Als eerste veerschippers van de stad werden aangesteld JAn Berends met Geert Hendriks, Jan Tonkens met Tinke Jansen en Peter de Keyser met Egbert Hendriks. Van Zuidbroek jan Alberts met Benne Fokkens, Henderik Lubbers met Roelof JAnsen en Jan Lubbers met Jurjen Kamerlink.
En toen ontstond er te Zuidbroek grote bedrijvigheid op de plaatsen waar alle dagen de snik aankwam en vertrok.

Nog was de energie van de Stad niet uitgewerkt. In 1635 werd het Winschoterdiep doorgetrokken tot Winschoten. Twee jaar later werd het Muntendammerdiep gegraven en in 1635 het Noordbroeksterdiep. Ook in Noordbroek bracht het kanaal grote levendigheid.

De grote activiteit van de Stad riep weerstanden op in het Oldambt. Het waterschapsrecht van 1601 en het burgerlijk- en het strafrecht van 1618 was nog in samenwerking met de kerspelen vastgesteld, maar bij het graven van de kanalen en het afgraven van het veen werd het anders. Toen de Stad het Winschoterdiep liet verlengen voorbij Zuidbroek en toen zij het Koediep lieten graven bij Scheemda, deed zij dat zonder de eigenaren er in te kennen en zonder behoorlijke schadeloosstelling. Dit werkte grote tegenstand en verbittering. Er groeide een georganiseerd verzet tegen de Stad. Het hoofd van dit verzet was Sebo Huninga te Midwolda. Het kwam zover, dat Huninga in 1639 verbannen werd en zijn goederen verbeurd verklaard. Toen de Stad de verbeurdverklaring wilde doorvoeren, zond zij soldaten. De Oldambsters brachten ook een legertje bijeen en verhinderden de inbeslagneming. De drost Valcke en zijn ambtenaren werden weggejaagd. Men erkende hem niet meer en stelde zelf een ander aan.

In 1640 lieten de Oldambten een boekje drukken over de vrijheid en de onafhankelijkheid der vrije Oldambten en stuurden dat aan de Staten-Generaal. Aan dat boekje ontlenen wij het volgende:
De Oldambten hadden vroeger een eigen zegel; er bestaat een akte van 1411, gezegeld met de zegels van Foppe en Nonne, pastoors te Zuidbroek en Noordbroek en met de zegels van de rechters van het Oldambt. het Oldambt is in 1580 zelfstandig toegetreden tot de Unie van Utrecht en een der Oldambster kerspels, namelijk Zuidbroek, heeft zelf een afgevaardigde gezonden naar de landdag te Den Haag.
In 1642 was het zover dat de Oldambsters zich ontslagen verklaarden van alle betrekkingen met de Stad. Men wilde een eigen regering en eigen rechtspraak. De stad zond toen een leger van driehonderd man om de rust te herstellen. maar de Oldambsters wachtten dat leger op bij de Zwarteweg, de grensscheiding tussen de voormalige gemeente Oosterbroek en Hoogezand-Sappemeer van het Oude Winschoterdiep naar het Spitsbergerdiep. De Groningers waagden zich niet verder en trokken af. Toen werd het geschil voorgelegd aan de Staten-Generaal.De stad verweet aan de Oldambsters: zij hadden zich verzet tegen de drost, toen die wilde dijken; zij hadden geweigerd om waterschapslasten op te brengen; zij hadden het Zuidbroekster verlaat geopend tegen de orders van de drost; zij hadden de wallen van het Zuidbroekster diep doorgestoken; zij hadden zelf ordonantiën gemaakt op bruiloften en op het begraven van doden; zij hadden kerklanden verhuurd zonder overstaan en bijwonen van Stadsgecommitteerden; zij hadden ingezetenen van het Oldambt afgeperst door gewapende personen; zij hadden zich verzet tegen de justitie en inbeslagneming verhinderd ten huize van Ailko Oppens en Sebo Huninga.

In 1648 verscheen bij drukker Huens te Noordbroek een boekje onder de titel 'Oldambster jurisdictie van de stad Groningen zo schandelijk misbruikt, zodat zij daarvan naar recht en metterdaad vervallen is.' Dit boekje ,meldt de volgende klachten tegen de stad:

De stad heeft de weg van het Oldambt over Kropswolde naar Drente gesloten, niettegenstaande deze passage sinds mensenheugenis bij nacht en bij dag door vreemde en inlandse passagiers tot nu toe gebruikt is. Zij heeft de paarden van Oldambster voerlieden daar uit de wagen gespannen en deze binnen Groningen op de markt verkocht met het doel om de Oldambten te beroven van de doortocht en nering van de vreemde luiden.
Verder heeft zij de Oldambten met verschillende tollen bezwaard: met biertol over alle bieren, die in de Oldambten door de herbergiers worden uitgesleten of getapt, met scheepstollen, een te Zuidbroek en de andere te Martenshoek, waar de voorbijgaande turf- en andere schepen deels drie deels vier rijksdaalder van ieder schip vol Oldambtster turf wordt afgeperst, in strijd met het contract van 1635, waardoor zij de luiden uit nood er toe te dwingen, haar geërfde en eigen venen aan de Stad om niet weg te geven; met een boom- of wegtol bij Kropswolde op paarden en viervoetige dieren, eisende aldaar met gelijke onbeschaamdheid van iedere wagen een Carolus gulden; met poort- of pastol op de goederen en beesten gaande uit de stad naar de Oldambten, mitsgaders op de Oldambtster inkomende en doorvarende boter, kaas, koren en andere koopmanschappen.
Insgelijks hebben de stadsregeerders en -officieren, om de Oldambten uit te putten en tot armoede te brengen, dan het ene kerspel met hun vrouwen, kinderen, dienstboden en anderen bezocht; en als zij daar enige dagen hadden gelegen en geteerd, zijn zij weer naar Groningen vertrokken, latende de betaling daarvan tot last van de arme en zuchtende gemeente, hetwelk jaarlijks enige duizenden bedroeg.
Op last van de Stad heeft de Stadsrentmeester in het jaar 1638 de verlaten te Zuidbroek geopend en daardoor een gedeelte van de Oldambten mitsgaders derzelver winterbouwten, tot vele duizenden in waarde, onder water gezet en bedorven; hij heeft ook geopend de klijf bij Zuidbroek tot verscheidene malen, zoekende te doen doorsteken die hetzelve beletten wilden.
Misbruik van rechtspraak door de Stad blijkt ook daaruit, dat zij het Sappemeer met omliggende venen, ter waarde van enige tonnen gouds, zoals de eigenaars van Zuidbroek met zegels en brieven van de Stad zelf kunnen bewijzen, aan zich heeft willen trekken; men heeft ook de eigenaars gedwongen om zijn afgravers en executeurs tegen hun eigen goed door vijf gekwalificeerde personen in de gevangenis te werpen met hun advocaat om geen andere oorzaak dan dat zij in de vorm van justitie of doleantie daartegen troost hebben gezocht; verbiedende aan de bewaarder van de gevangenen, dat iemand bij hen mocht komen; dreigende de gevangenen, dat wanneer iemand om hunnentwil naar Den Haag mocht reizen, dat zij en die iemand hun kraag zouden verliezen; openbrekende intussen de kisten en kasten in de woningen van de gevangenen, terwijl zij nog in de Stad opgesloten waren, niet anders of het een samenzwering betrof.
Misbruik van van rechtspraak blijkt verder uit het bevel van de drost aan alle meijeren van de Oldambster gedeelde kloostergebieden, dat zij zich zouden voorzien van wapenen en volk en zich verzetten tegen de beslaglegging die de volmachten van het landschap van plan waren op hen toe te passen wegens verschenen Oldambster kloosterhuren.
In 1649 werden vier personen afgevaardigd naar Den Haag om de rechten van de Vrije Oldambten te bepleiten bij Zijne Vorstelijke Hoogheid van Oranje en de Edelmogende Heren Gecommitteerden van de Hoogmogende Heren Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden. De vier personen waren Sebo Huninga, Focko Menninga, Doedo Edzes van Noordbroek en Wirtio Matthiae. Uit de overgelegde stukken vermelden wij nog de volgende klachten tegen de Stad.

Focko Luppens, voerman te Zuidbroek, is te Kropswolde bij de tolboom aangehouden door de ambtman van de Stad en de paarden zijn in beslag genomen. In 1636 heeft de Stad venen in bezit genomen te Zuidbroek, die naast aan het diep gelegen waren; deze venen waren eigendom van Alko Phebens, Tiddo Tjaens, Eppo Hiltjens en Joan Egberts.
Het volgend jaar deden de Staten-Generaal uitspraak. De stad werd in het gelijk gesteld en nadat Johann de Witt persoonlijk zijn invloed te Groningen had aangewend, keerde in 1653 de rust terug, waarbij de oude orde van zaken hersteld werd.

Bij sommigen bleef nog wel een wrok achter want in 1662 klaagde de drost er over, dat de bevolking probeerde om de volmachten tegen het Stadsbestuur op te zetten. In het bange jaar 1672 was er zelfs een groep, die het kon klaarspelen, dat er een overeenkomst met de bisschop van Munster gesloten werd, dat de ingezetenen der Vrije Oldambten weer naar het Duitse Rijk wilden terugkeren.
Omstreek 1700 was het hier blijkbaar erg met de braspartijen bij geboorten, verlovingen, huwelijken en bij sterfgevallen. In 1721 zagen burgemeesters en Raad van de Stad Groningen zich genoodzaakt om een ordonnantie uit te vaardigen tot beperking van die braspartijen. Die ordonnantie gold ook in het Oldambt.

'Ten tijde van de verlossing der vrouwen zullen niet meer dan twee of drie van de naaste buurvrouwen mogen worden verzocht en de bloedverwanten tot en met de volle nichten. Als er geen bloedverwanten zijn, mogen er goede bekenden worden genodigd, maar het getal van acht mag niet worden overschreden. Kinderbieren ter gelegenheid van jonggeboren kinderen met buren, vrienden en verdere bekenden zijn verboden.

Op de feesten bij verlovingen, lovelbieren genoemd, zal niemand mogen verschijnen. De vrienden zullen verwant moeten zijn aan bruidegom of bruid tot en met de vijfde graad. Bij gebreke van bloed- of aanverwanten mogen twee goede bekenden worden verzocht zowel van de kant van de bruidegom als van die van de bruid. De lovelbieren zullen met een dag moeten eindigen. Het thuis brengen van bruidegom en bruid zal geschieden in alle zedigheid zonder schieten of enig spel.

Op een bruiloft zullen niet meer dan twintig personen en niemand jonger dan achttien jaren genodigd mogen worden met uitzondering van de ouders en voogden van bruidegom en bruid. De bruidegom en bruid zullen op de dag van het huwelijk naar de kerk gaan en terugkeren zonder spel, schieten of schenken van enige drank.

Bij het ontkleden der doden of als die in de doodskist gelegd worden, zullen geen drinkpartijen, zoals tegenwoordig zeer gebruikelijk zijn, geschieden. De naburen in de kluft zullen, onder genieting van zoveel en zodanige drank tot ontnuchtering en verversing als erfgenamen nodig zullen oordelen, na hun dienst verricht te hebben, aanstonds moeten vertrekken. Bij het samen- of terugkomen zal geen drank mogen worden gepresenteerd noch door iemand geëist. Veel minder zullen op de dag van de begrafenis de erfgenamen in hun of andere huizen uitings- of leedbier aan iemand mogen geven. Hiervan zijn uitgezonderd de nabestaanden tot in de vijfde graad. Deze nabestaanden zullen in het sterfhuis het middagmaal mogen gebruiken. De verwanten die verder wonen en 's avonds niet thuis kunnen komen, mogen tot de volgende dag blijven.'

Met de Franse bezetting eindigde de overheersing van de Stad. Na de bevrijding in 1813 heeft zij nog geprobeerd een deel van haar oude invloed terug te krijgen. Zij wilde het recht hebben om voordrachten in te dienen voor de benoeming van de schouten in de Oldambten. Hiertegen ontstond krachtig verzet o.a. van schout Tjapko JAcobs Huisman van Noordbroek. En de opzet van de Stad ging niet door.

Wat echter in vorige eeuwen was opgebouwd, bleef in vele opzichten bestaan, uiteraard op vrijwillige basis. Zo bleef de stad een centrum van verkeer, handel, dienstverlening en onderwijs.


De Gockinga's II

Aan het eind van dit hoofdstuk moeten wij nog iets meedelen over het Gockinga-geslacht en de Gockingagoederen.
Toen de botsing plaats vond met de stad Groningen, hadden de Gockinga's reeds een lang verleden. In 1260 woonde er een Eppo Gockinga te Zuidbroek. Zijn wapen was de zilveren lelie. Volgens Polvliet was hij ook de stichter van het klooster te Heiligerlee. Zijn opvolgers in rechte linie waren:
Ayolt gehuwd met Hinne van Lingen; Tammo gehuwd met N. Abdena; Tammo, gehuwd met Benelopa, gravin van Diepholt; deze Tammo stelde zich in 1398 onder bescherming van de graaf van Holland; overleden 1399; Ayolt, gehuwd met Wemele, gravin van Kauwenborg en Sternborg; deze Ayolt moest het in 1401 aanzien, dat zijn stins te Zuidbroek werd vernietigd door een Gronings leger; Eppo, gehuwd met Frouw Cirkzena; deze Eppo heeft de tweede botsing met Groningen doorgemaakt; hij overleed 1444; Ayolt, gehuwd met Wemele Huninga van Oostwold; Tammo, in 1483 gehuwd met N. Bauckens van Farmsum; Eppo, gehuwd met Herens; Eppo BAuckens Gockinge, in 1566 gehuwd met Hille Enthens van Mentheda; Scato, geboren 1566, gehuwd met Luurtje Edzama en later met Agnes de Mepsche overleed in 1641; Eppo, in 1633 gehuwd met Catharina Clant en later met Clara Eyssinge.

Bovengenoemde Scato, geboren in 1566, is secretaris geweest van Gedeputeerde Staten van Stad en LAnde en syndicus van de Ommelanden.

Het geslacht Gockinga is in de mannelijke lijn uitgestorven. Alle latere Gockinga's stammen af van Hille, dochter van genoemde Scato. Deze Hille is getrouwd geweest met Ludolf Henrici Werumeus. Van dit ouderpaar komen wij nog de volgende nakomelingen tegen (de stamnaam van de moeder werd aangehouden): Scato Gockinga, drost van de Oldambten van 1679 tot 1687; Henric Gockinga, landschrijver der Oldambten van 1731 tot 1747, daarna syndicus van Groningen; Joseph Gockinga, landschrijver der beide Oldambten van 1750 tot 1763; Mr. Campegius HArmannus Gockinga, van 1777 tot 1797 secretaris van Groningen; deze had een buitenverblijf te Noordbroek; Mr. Jan Gockinga, in 1844 kantonrechter te Zuidbroek; deze woonde ook te Noordbroek.

Het verloop met de Gockinga-goederen is niet volledig bekend. Zoals blijkt uit de hiervoor opgenomen kaart, behoorden er in 1724 nog drie heerden toe waarop een boerderij of ander gebouw stond. Maar de oorspronkelijke Gockinge-goederen beperkten zich niet tot Uiterburen, want in 1526 behoorde daar ook nog bij land bij de Oudeweg, in de Lage Meeden en bij de Edeweg. In 1576 verkocht de stad aan Arijs Tonkens een heerd, waarop tot dat jaar de ambtman woonde. In 1581 begeerden de Oldambten Joh. van Ballem als ambtman en ook, dat hij de Gockinga-heerd met de behuizing mocht gebruiken evenals de vorige ambtman. In 1629 was de drost Wolter Siegers eigenaar van een behuizing. De stad kocht die, besteedde er vierduizend guldeen aan voor verbetering en verhuurde het huis toen weer aan de drost, die jaarlijks honderdenvijftig gulden huur moest betalen en het huis onderhouden. Ruim honderd jaar later, in 1734, was het huis zover afgetakeld, dat de drost H. Berghuis er niet meer in kon wonen. In 1787 ging men over tot verbetering van het oude huis. Er werden vier ramen in de grote zaal aangebracht, de schoorsteen werd vernieuwd en de bomen op de brink werden gekapt.
Toen op drie november 1788 de nieuwbenoemde drost E.W. Uchtman kwam, reed deze eerst naar de drostenborg en toen naar het rechthuis. Hiermee wordt bedoeld het latere café Het Oude Rechthuis, Kerkstraat 86 (afgebroken in 1987).
In 1789 zocht men een gewone man of arbeider die voor een kleine toelage het drosthuis wilde bewonen en oppassen. Op 22 november 1798 vroeg de drost R. Pruimers, of hij er in mocht wonen, maar op 20 januari 1800 deed hij afstand van het gebruik van de borg.
Inmiddels begon de stad met het verkopen van de bomen. In 1799 tweehonderd zware eiken en in 1802 nog tweehonderd en tachtig eiken staande op een der akkers achter de drostenborg. In 1857 deed de Stad alles van de hand wat zij nog bezat van de Gockinga-goederen. Er waren nog zestien percelen samen 31 ha en 87 are. Hiervan kocht weduwe Onno Reint van Iddekinge, rentenierse te Uiterburen, de volgende peercelen; huis en erf groot 16.70 are, tuin 68 are, boomgaard 28.10 are, grond tot vermaak 16.6 ha, water tot vermaak 32.7 are, bos 2.9 are en bouwland 76 are.
Mevr. van Iddekinge deed de borg weer over aan Mr. Joseph Gockinga, procureur te Winschoten en deze weer aan Mr. Jozef Gockinga, rechter te Groningen.
Deze Gockinga's kochten deze borg vanwege de oude herinnering, want zij hebben er Zzelf nooit op gewoond. In 1872 verkochten zij het huis van de herinneringen aan aannemer Wubbo Bos, die het liet slopen.
Aan de noordzijde van de borg was het schathuis. Daar heeft het laatst op gewoond Ludolf Brink.


Pageviews vandaag: 3.