Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 31-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Noordbroeksterhamrik

Noordbroeksterhamrik is een buurtschap van en ten oosten van dorp Noordbroek in Midden-Groningen. De naam Noertbroekerhemmerich, dat zoiets als 'buitengebied van Noordbroek' betekent, wordt voor het eerst genoemd in 1548. Het dorp vormt mogelijk de voortzetting van een middeleeuws veenontginningsdorp, wellicht Rommelskerken bij Korengarst. Noordbroeksterhamrik vormde sinds 1660 samen met Noordbroeksterveen, Veenhuizen, Westfalen het kerspel Noordbroeksterhamrik.

De bebouwing bestond aanvankelijk uit een rij boerderijen langs het door ruilverkaveling verdwenen Lutjemaar, Oudemaar of de Cromme Rotmer. Mogelijk hebben er ook huizen langs de Hardeweg gestaan.



Men gaat er wel vanuit dat na de bedijking van 1542 de gehuchten Korengarst en Noordbroeksterhamrik zijn gesticht. Korengarst werd immers genoemd in 1563 als 'Koerengarst' en Noordbroeksterhamrik werd in 1548 genoemd als Noertbroekerhemmerick.

Het vermoeden bestaat dat de bewoners vanaf Noordbroeksterhamrik begonnen met de veenontginningen volgens het recht van opstrek. tussen deze eerste ontginningsas en de laatste ontginningsas, waar het huidige dorp Noordbroek ligt, zijn er vermoedelijk nog één of twee ontginningsfasen geweest. Door middel van de bodemkundige onderzoekingen kan er in ieder geval met zekerheid worden vastgesteld dat dit gebied tussen Korengarst en Noordbroeksterhamrik reeds voor de Cosmas- en Damianusvloed in 1509 een ontwikkeld akkerbouwgebied was en dat de overstroming van de Dollard geleidelijk moet zijn verlopen. De aanwezigheid van intacte oude kavelstructuren in het veen en de paleobotanische resten zijn hiervan het bewijs.
Na de bedijking moet een proces van inklinking van het hier dunne kleidek dat de Dollard had achtergelaten de oude onderliggende structuren inzichtelijk hebben gemaakt. De gebruikers konden vervolgens de kavelgrenzen reconstrueren en de gronden opnieuw ontginnen. Of het gebied Korengarst-Noordbroeksterhamrik, naast bewerkt, ook bewoond werd vóór de overstroming van 1509 is niet met zekerheid vast te stellen. De vroegst traceerbare bewoner, klei-kolonist, was van 1579. De stelling dat Korengarst en Noordbroeksterhamrik ná de bedijking zijn gesticht is dus plausibel. Desalniettemin is het niet uit te sluiten dat bijvoorbeeld Rommelskerken of Korengarst, gelegen op een zandrug, reeds bewoond werden door de eerste permanente bewoners van de nederzetting Noordbroek. - A.F. (Annelies) Vermue

Het watertje Crumme Rotmer of Lutjemaar, dat oorspronkelijk in het Noordbroeksterveen ontsprong, liep vermoedelijk aan de buitenzijde van de Zijdwending naar Noordbroeksterhamrik om vervolgens bij 't Waar in de Ol IJ uit te monden. Juist uit dit gebied komen in 1273 de eerste klachten over de lage ligging van het akkerland.
De lage ligging van dit gebied wordt in elk geval bevestigd door de kroniekschrijver Menko, die verhaalt hoe de bewoners in 1272 wegtrokken vanwege de wateroverlast: 'Tijdens deze periode van schaarste werden vooral de bewoners van de Wolden in het nauw gedreven, met name in Oostwold en Broke, vanwege de lage ligging van de akkers, en velen vluchten naar de steden, sommigen om te bedelen, anderen om knecht te worden tegen een loon waarmee ze zich ter nauwernood in leven konden houden, terwijl ze vroeger hun eigen akker hadden om te bewerken. Want als de bewoners van de Wolden geen goed roggeoogst hebben, kunnen zij niet terugvallen op vee of op zuivelprodukten.' - ottoknot.home.xs4all.nl/dollard/Dollard09.html

De verkavelingsstructuur en de versplinterde eigendomsver­houdingen wekken de indruk dat we te maken hebben met middeleeuws cultuurland. Ook komt er de perceelsnaam Monnikeveen voor. Twee andere percelen kloosterland, dat later vanwege de vorm bekend stonden als Biel en Stoal ('bijl en steel'), hebben blijkbaar een afzonderlijk erf gevormd. Verderop langs het Lutje­maar onder Nieuw-Scheemda zal eveneens bewoning zijn geweest. Het grote blok kerkenland aan de Zwaagweg moet van voor de Dollarddoorbraak stammen.

Een van de boerderijen langs de huidige weg door Noordbroeksterhamrik heet 't Leger omdat hier volgens een overlevering ooit Spaanse troepen gelegerd waren.

De oudste polder werd beschermd door de Rechtewal, een planmatig aangelegde dijk die mogelijk dateert uit 1542. Een kade aan de noordkant - de Zijdwende - moet het veenwater uit de Siepsloot keren.

Noordbroeksterhamrik heeft nooit een eigen kerk gehad, zoals Scheemderhamrik (Nieuw-Scheemda), Midwolderhamrik (Nieuwolda) en Beertsterhamrik (Nieuw-Beerta). Wel vormde het sinds 1660 samen met Stootshorn en Korengarst een eigen kerspel met eigen dijkrechters. Voor belastingzaken, openbare orde en waterstaatszaken bleef het echter één geheel met Noordbroek vormen. De oude dorpsschool bij de kerk viel vermoedelijk onder Noordbroeksterhamrik; in de kern van Noordbroek stond een tweede school met een eigen klokkentoren. Een dergelijke oplossing kwam vaker voor: ook andere polderdorpen (en later ook Muntendam) hadden al een eigen dorpsorganisatie met een eigen school voordat ze een kerk mochten bouwen.

De bewoners van Noordbroeksterhamrik en Korengarst halverwege de 16e eeuw waren over het algemeen (Vlaams) doopsgezind. De bewoners van Noordbroek waren in 1550 nog gewoon katholiek, rond 1600 was een een kwart tot maximaal veertig procent doopsgezind. Waren de bewoners uit Noordbroeksterhamrik en Korengarst etnische Vlamingen of werd enkel de gemeenschap zo genoemd? En waren dit ook de mensen die de eerste boerderijen van Korengarst en Noordbroeksterhamrik hebben laten bouwen?

Een weg voor Noordbroeksterhamrik

Vanwege de lage ligging heeft Noordbroeksterhamrik altijd veel last gehad van overstroming. Tot ver in de negentiende eeuw stond het land daar 's winters onder water. Daardoor was het moeilijk daar een begaanbare weg te krijgen.

In 1834 richtten H.L. Kroon en anderen van Noordbroeksterhamrik een verzoek tot de Raad om hun een zandvoetpad te geven van het dorp langs de Pastoorsweg naar Nieuw-Scheemda. De Raad ging er niet op in. Motivering: men kon wel langs de lanen van de landbouwers; de Raad kon dat niet doen voor de ongeveer tien gezinnen van Noordbroeksterhamrik; dan konden andere gehuchten ook wel komen.

In 1842 vroegen die van Noordbroeksterhamrik of de gemeente een publieke weg wilde maken van de Hooilaan; dan konden zij gemakkelijk bij de Scheemderweg komen, die in dit jaar verhard was. De Raad antwoordde: de Hooilaan bestond eigenlijk uit twee nutlanen, lopende de een vanaf de Pastoorsweg, de andere vanaf de Rodetilsterweg, beide tot aan het Nieuwediep; welke nutlanen voor enige jaren door belanghebbende landgebruikers door het leggen van een til over het Nieuwediep met elkaar verbonden waren: die nutlanen waren particulier eigendom en daar kon de gemeente niet over beschikken.

In 1855 verzochten H.J. Schepel en anderen te Noordbroeksterhamrik om vanaf het dorp Noordbroek tot aan het bestaande voetpad in Noordbroeksterhamrik een in alle jaargetijden bruikbaar voetpad te leggen. De Raad antwoordde, dat de gemeente bereid was een bijdrage te verlenen.

In 1883 kwam er uitkomst door de aanleg van een grindweg van Noordbroeksterhamrik over Rommelskerken, aansluitende op de Eideweg. De kosten werden gedragen door particulieren met twintig procent subsidie van de Provincie.


Korenmolen Harm de Vries

Tot plusminus 1938 had Harm de Vries onder Noordbroeksterhamrik een korenmolen voor eigen gebruik. deze molen had een vierkant houten onderstuk, waarop een kap.

Bronnen:
Noordbroek - een interdisciplinair onderzoek naar de vorming en ingebruikname van de kleilanden in de 15e en 16e eeuw - A.F. (Annelies) Vermue
www.bdpoppen.nl/pdf/wel_en_wee_in_noordbroeksterhamrik.pdf
ottoknot.home.xs4all.nl/dollard/Dollard09.html


Pageviews vandaag: 7.