Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 13-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Noordbroek

Het voormalige kerspel Noordbroek (Gronings: Noordbrouk) is een voormalige gemeente en Nederlands wegdorp ontstaan in de hoge middeleeuwen op een dekzandrug op de westelijke grens van het Oldambt met ten oosten de kleiafzettingen van de Dollard en ten westen het oude veen- en zandlandschap. Het ligt 20 km ten oosten van de Stad Groningen, aan de oostgrens van Slochteren, ten N.O. van Hoogezand-Sappemeer, ten noorden van de A7 en ten westen van de N33. In 2019 had Noordbroek 1.880 inwoners.



In de 19de eeuw bouwde men in het langgerekte dorp diverse grote boerderijen en aan de zuidzijde haaks daarop aan de Havenstraat en Scheemderstraat linten landarbeiderswoningen. Na de Tweede Wereldoorlog kwam ten noordwesten van de kruising Havenstraat/Hoofdstraat nieuwbouw tot stand.

Van 1910 tot 1934 had het dorp een spoorwegstation aan de spoorlijn Zuidbroek-Delfzijl van de Noordoosterlocaalspoorweg-Maatschappij.

Onder Noordbroek vallen Stootshorn, Korengarst en Noordbroeksterhamrik, alsmede de voormalige buurtschappen Noordbroeksterveen, Veenhuizen, Westfalen en Zuiderveen. In het buitengebied onderscheidde men verder Zuiderklei (tegenover Zuiderveen), Evenreiten, Bovenland, Bovenmeerland en De Kampen. De eerste drie buurtschappen vormden sinds 1660 het kerspel Noordbroeksterhamrik.



Vanaf 1811 tot 1 juli 1965 was Noordbroek een zelfstandige gemeente. Daarna vormde Noordbroek met Zuidbroek de gemeente Oosterbroek, die in 1989 fuseerde met Muntendam en Meeden tot de gemeente Menterwolde. Menterwolde fuseerde later weer met Slochteren en Hoogezand-Sappemeer (Gorecht) tot de gemeente Midden-Groningen.


Gids Noordbroek

Wat er te doen is op het gebied van bedrijvigheid, kunst en cultuur, overnachtingen en bezienswaardigheden in Noordbroek vind je in de gids Noordbroek.


Noordbroek is van oorsprong een sterk agrarisch dorp, dat zich langs een weg die de natuurlijke zandrug slingerend volgt, uitstrekt. In het zuiden ligt in deze hoofdweg een dam, die Buiten Nieuwediep afsluit. De hoofdweg heeft aan
weerszijden bebouwing die bestaat uit woonhuizen en boerderijen. De laatste staan, vooral naarmate de lintbebouwing dunner wordt, enkele meters achter de rooilijn. Hiertussen, direct aan de weg, staan arbeiderswoningen en in de verdichte gebieden burgerwoningen en winkeltjes. Zowel bij de boerderijen als bij de meer kleinschalige bebouwing is de nokrichting evenwijdig aan de lengterichting van de kavel, dus niet loodrecht op de weg. Omdat de hoofdweg kronkelt, verspringen de verschillende panden ten opzichte van elkaar. Vanuit het hoofdlint ontspringen met name aan de westkant, de veenzijde, lanen waaraan kleine landarbeiderswoningen, type krimpjes, liggen.

Rond 1850 bevindt de bebouwing van Noordbroek zich voornamelijk langs de hoofdweg, die in het noorden, na de afsplitsing van de Pastorieweg, als onverharde weg verdergaat. Tegenover deze splitsing staat de middeleeuwse kerk van Noordbroek met kerkhof, tuin en pastorie. Ten noorden van de kerk staan hoofdzakelijk boerderijen. Ten zuiden ervan wordt de Hoofdstraat aan weerszijden geflankeerd door stroken bebouwing die met name aan westzijde bestaan uit burgerwoningen en winkels. Eveneens aan de westkant, tussen de kerk en de verharde Slochterstraat, staat na voorgangers vanaf 1628, sinds 1849 de huidige pel- en korenmolen De Noordstar. Schuin tegenover deze splitsing bevindt zich aan oostzijde de doopsgezinde kerk Noordbroek (1811) die later dienst heeft gedaan als cultureel centrum. Iets verderop staat een school, die nu als zodanig niet meer in gebruik is. Langs het Buiten Nieuwediep bevindt zich aan noordwestzijde een strook arbeiderswoningen van het krimpjestype.

1850-1900
In de tweede helft van de negentiende eeuw breidt Noordbroek zich uit langs de zandwegen die op de Hoofdstraat uitkomen. Deze nieuwe bebouwing bestaat grotendeels uit arbeiderswoningen, type krimpje, waarvan de nok vaak evenwijdig aan de laan is gericht. Aan het Buiten Nieuwediep verschijnen behalve vrijstaande woningen ook enkele bedrijfjes ten behoeve van de binnenscheepvaart. Het hoofdlint raakt meer en meer verdicht met woonhuizen van het symmetrische type, winkels en kleine bedrijven zoals een kalkbranderij, bierbrouwerij, weverij, touwslagerij, smederijen en verschillende molens (van dit alles is één molen overgebleven). Aan westzijde tussen de Slochterstraat en het Buiten Nieuwediep wordt rond 1880 een nieuw gemeentehuis voor de gemeente Noordbroek gebouwd.

1900-1940
De bebouwingsexpansie langs de lanen zet zich in de eerste helft van de 20ste eeuw voort.Ten westen van de Hoofdstraat en ten noorden van het Buiten Nieuwediep ontstaat, mede ten gevolge van de landarbeiderswet uit 1919, een lanengebied. Tientallen arbeiderswoningen met een eigen stuk grond liggen aan zandlanen, die op hun beurt op de hoofdweg uitmonden.
Een enkele dwarsstraat verbindt de lanen onderling. Helaas is dit karakteristieke gebied na de Tweede Wereldoorlog vervangen door een nieuwbouwwijk, die qua wegenstructuur en qua bebouwingsschaal totaal van het karakter van het oude gebied afwijkt.
Langs het diep breidt de reeds aanwezige bebouwing zich uit met arbeidershuisjes. In het oosten sluit zij aan bij het station van de NOLS. In het noorden van het dorp is de Molenlaan aan beide kanten volgebouwd en onstaan ten zuiden van de Pastorieweg een paar korte lanen. Aan deze laatstgenoemde weg wordt in de jaren dertig een nieuw kerkhof aangelegd.
Ten noorden van dit nieuwe kerkhof worden aan de oostzijde van de hoofdweg in de jaren twintig een serie vrijstaande arbeiderswoningen gebouwd. Het grootste gedeelte hiervan is gesloopt.
In de periode voor de Tweede Wereldoorlog verdicht het hoofdlint zich opnieuw tussen de bestaande boerderijen.
Het slingerend karakter en verspringende bebouwing van de Noordbroekse Hoofdstraat is nu nog steeds zeer herkenbaar aanwezig.

Het Noordbroekster volkslied

Tekst: W.F. Wolrich
Muziek: J.J. Smedes
Daar wordt een plaats gevonden
In 't noorden van ons land:
Z' is op de grens gelegen
Van vette klei en zand.
De landbouw en de handel,
Zo bloeiend in die hoek,
Doen iedereen haar kennen,
De schone plaats Noordbroek.

Haar rijke, vruchtb're bodem
Beloont des landmans vlijt
Door duizendvoudige oogsten,
Verzonden wijd en zijd.
Haar vee uit stal of weide,
Als schoon staat het te boek.
De allerfraaiste paarden,
Men vindt ze in Noordbroek.

Haar nijv're dorpelingen,
Slechts klein in zielental,
Staan pal voor hunne rechten,
Voor vrijheid bovenal.
Hun rustloos, werkzaam leven
Maakt sterk hen, fier en kloek,
En doet de welvaart bloeien
Der schone plaats Noordbroek.

Bezienswaardigheden

De Hervormde kerk van Noordbroek (Noordersingel 1) is een middeleeuwse laat-romanogotische kruiskerk met vijfzijdig gesloten koor en een vrijstaande romaanse klokkentoren, beide gebouwd in de eerste helft van de 14e eeuw.
In de noordelijke Nederlandse provincies, met name Groningen, en het Duitse Oost-Friesland, kunnen veel kerken tot een zelfstandige romanogotische stijl worden gerekend. De kerken van Stedum en Zuidbroek zijn redelijk complete voorbeelden van de vroege stijl. De kerk in de romaans-gotische stijl van Noordbroek vertoont een overgang richting de gotiek. In Zeerijp is het laatste stadium van de romanogotiek vertegenwoordigd; deze kerk vertoont puur gotische vormen in combinatie met romanogotische bouwwijze en details.
De oudste schilderingen bestaan zoals bij veel kerken die in die periode werden gebouwd uit baksteenmotieven en geometrische figuren. In de veertiende en vooral de vijftiende eeuw werden veel kerken gewit en voorzien van figuratieve schilderingen. De muren en gewelven van de Hervormde Kerk bevatten schilderingen uit in hoofdzaak twee periodes: het derde kwart van de 14de eeuw en het begin van de 16e eeuw, met o.a. de Zondeval, de Doop van Christus, het Laatste Oordeel, St-Christophorus tijdens het oversteken van Christus over de rivier de Jordaan en de vier Evangelisten. Er is een preekstoel naar ontwerp van W.E. Struve (Groningen 1757); banken van H. Hesselink; Orgel in 1695-96 gebouwd door A. Schnitger, gewijzigd door A.A. Hinsz in 1768 en vergroot door H.H. Freytag in 1809. In het koor vele zerken, de oudste uit 1603. - (www.kerk-noordbroek.nl)

De bij de Hervormde kerk van Noordbroek behorende pastorie uit 1822 met Engelse tuin.

De doopsgezinde kerk Noordbroek van 1811 met pastorie
De doopsgezinde kerk Noordbroek (Hoofdstraat 80) is een eenvoudige, door pilasters gelede en recht gesloten zaalkerk met schilddak. Boven de omlijste classicistische ingang staat het stichtingsjaar 1811. De pastorie (Hoofdstraat 82), eveneens met omlijste ingang, stamt uit het midden van de 19de eeuw.

Het voormalige raadhuis (Hoofdstraat 65) werd in 1880 gebouwd in neoclassicistische vormen. Het eenlaags pand heeft een naar achteren liggend middendeel en driezijdig uitgebouwde zijrisalieten.

De dorpsschool (Sappermeersterweg 1) is een langgerekt en met riet gedekt L-vormig pand in cottagestijl, gebouwd rond 1930.

Hoofdstraat 1 is een langgerekt diep pand met zadeldak voorzien van wolfeinden, dat getuige de jaartalankers uit 1716 stamt. De winkelpui werd in het begin van de 20ste eeuw toegevoegd.

De voormalige onderwijzerswoning (Hoofdstraat 26) is een 19de-eeuws diep pand met hoog tentdak en opengewerkte dakruiter. In de dakruiter hangt een klok uit 1700.

De drie panden Hoofdstraat 107-111 zijn voorbeelden van eenvoudige neoclassicistische dorpshuizen met opgaand middenrisaliet, gebouwd rond 1875.

Eclectisch van vorm is het gepleisterde pand Hoofdstraat 49 uit omstreeks 1885.

Chalet- en neorenaissance-details heeft Zuiderstraat 34 uit omstreeks 1905.

Naar het Nieuwe Bouwen verwijst de villa Zuiderstraat 36, gebouwd rond 1934 met strakke vormen en platte daken.

Voormalige dorpsherberg 'Wapen van Noordbroek', daterend uit de 17e eeuw

Onderwijzerswoning uit 1811 met klokkentorentje en carillon

De Noordstar, een uit 1849 daterende pel- en korenmolen

De in 1990 gerestaureerde achtkante stellingkoren- en pelmolen De Noordstar (Molenlaan 3) heeft een met riet gedekte romp op bakstenen voet. De molen werd in 1849 gebouwd voor J.N. Mulder. De molenaarswoning (Molenlaan 4) stamt uit dezelfde tijd.

De Noordermolen, een gerestaureerde poldermolen, even ten oosten van Noordbroek op het Noordbroeksterhamrik

De Noordermolen (Hamrik 2), gelegen ten noordoosten van Noordbroek in Noordbroeksterhamrik, is een met riet gedekte achtkante bovenkruier op veldmuren, voorzien van een vijzel. De molen werd in 1805 gebouwd ter ontwatering van de Noordermolenkoloniepolder.

Een aantal monumentale boerderijen van het Oldambster boerderijtype

In het dorp staat een aantal belangrijke boerderijen die alle tot het Oldambster type behoren.

Tot de oudere varianten behoort Noorderstraat 4, gebouwd in de eerste helft van de 19de eeuw. De boerderij heeft aan de zuidzijde een uitgebouwd vertrek. Het pand biedt nu plaats aan het strijkijzermuseum.

Zuiderstraat 63 heeft een neoclassicistisch onderkelderd voorhuis met omlijste ingangspartij en werd gebouwd in 1868. Vergelijkbaar is Zuiderstraat 61.

Boerderijen met dwars voorhuis zijn Zuiderstraat 14 (omstreeks 1890) en Hoofdstraat 77 (omstreeks 1908); de laatste vertoont jugendstil-details.

Ons Noordbrouk

Wijze: De Lindeboom
Tekst: B. AE. Hofmans-Sijpkens
Noordbrouk dat is het ploatske/i>
Daar woonden wie as kind,
Noordbrouk wordt deur ons allen
Mit hart en ziel bemind.
Al vlogen wie noar 't westen,
Noar oost of zuud of noord,
De plek woar wie ains woonden
Vergeten wie toch nooit! (bis)

In 't midden van dat dörpke
Doar was ain beokeboom,
Hai ston doar lange joaren
Dei haile dikke boom.
O, ôle, broene beukeboom
Ik minde die zo zeer;
Woarom toch most doe staarven goan
As offer van 't verkee? (bis)

Wanneer wie noa lang schaiden
Ons dörpke binnen goan,
Din zain wie al van verre
Zien trotse meulen stoan.
O, grode, slaanke meulen,
I goa al noar die tou;
Het ia alsof hai wenkte:
O, kom toch, kom toch gauw! (bis)

Ons mooie grode kerke
Het aiwen hier al stoan
En mainige Noordbroukster
Zel hier noar 't kerkhof goan.
De grieze, ôle Dodde
Zingt altied nog zien laid;
Hai let zien tonen heuren
Bie vreugde en verdrait! (bis)

Noordbrouk, doe bist het plekje
Dat ik boven alles min.
Die zel ik aiweg eren
Zolaang ik hier nog bin.
Ik wil die nooit vergeten
Woar of ikook mag goan;
Noordbrouk blift toch nog altied
In mien gedachten stoan! (bis)

Geschiedenis gebied Noordbroek

Een groot deel van de tekst in dit artikel is ontleend aan de scriptie 'Noordbroek - een interdisciplinair onderzoek naar de vorming en ingebruikname van de kleilanden in de 15e en 16e eeuw' van A.F. (Annelies) Vermue. Een aanrader voor wie in het ontstaan van Noordbroek geïnteresseerd is.

Noordbroek is een veenontginningsdorp ontstaan in de tiende of elfde eeuw, dat vermoedelijk vanaf de oevers van enkele stroompjes (met name de Oude Ae) is ontgonnen. Aan het einde van de middeleeuwen sprak men over het dorp Nortdabrock. Het woord -broek in de naam verwijst naar de bodemgesteldheid: moerassige grond. Het dorp lag tot ongeveer het eind van de 13e eeuw waarschijnlijk dus verder naar het oosten, maar vanwege wateroverlast en stormvloeden zocht men steeds hogere grond op. Omdat ook de lagere delen van Noordbroek, waar een kleilaag ontstond door afzettingen van de Dollard, bewoond zijn gebleven werden de bewoners ook wel spottend Woddels (wortels), Woddelkoppen of Woddelkappen genoemd.

Menko, de derde abt van het klooster Bloemhof te Wittewierum en voortzetter van Emo's kroniek, schrijft dat in 1272 "Astawalda" en "Broke" door een hongersnood getroffen werden. In zijn "Groninger Plaatsnamen" bekritiseert De Vries de traditionele interpretatie die dit "Broke" altijd als een samenvoegende aanduiding voor Noord- en Zuidbroek heeft uitgelegd. Van Astawalda en Broke zegt Menko dat het laaggelegen plaatsen zijn. Noordbroek daarentegen ligt juist hoog. De aanduiding "broek" (= drassig, laaggelegen land) slaat niet op de bodemgesteldheid van het dorp zelf maar geeft de ligging ten opzichte van het broek aan. De oude vorm in "North da brôk", hetgeen "ten noorden van het broek" betekent.
Het staat vast dat de parochie Zuidbroek in 1283 bestond. Joosting concludeert uit dit gegeven hetzelfde voor Noordbroek, waarbij hij zich juist baseert op de door de Vries aangevochten interpretatie van "Broke" = Noordbroek en Zuidbroek. De stichtingsdatum van de parochie Noordbroek kan slecht zeer globaal worden geschat aan de hand van het kerkgebouw dat van omstreeks 1300 dateert. De eerste vermelding in de geschreven bronnen is van veel latere datum. De parochie komt als "Nordabrock" voor op het, door Von Ledebur in de tweede helft van de 15e eeuw geplaatste "Registrum curarum terre Frisie Monateriensis dioecesis ex saeculo XV", een lijst van de dekanaten en parochies in het aartsdekanaat Frisia. - (archieven.nl)

Hoogveen
Oost-Groningen en het hedendaagse Oldambt bestonden voor een groot deel uit hoogveengebied. Na de laatste ijstijden vanaf 11.800 jaar geleden begon het Holoceen. De ijskappen ten noorden van Nederland smolten en de zeespiegel en het grondwater stegen. Vooral in depressies in de pleistocene ondergrond op plekken waar het water moeilijk weg kon komen begon het veen vanaf 8000 jaar geleden te groeien. Eerst ontstond laagveen gevoed door het grondwater, daarbovenop kon hoogveen ontstaan dat gevoed werd door neerslag. Het stijgende zeewater bemoeilijkte de afvoer van het grondwater en langs de Eems was door aanslibbing een oeverwal ontstaan die de ontwatering van het binnenland tegenhield waardoor het gebied nat bleef. Onder andere in het Hunzedal heeft zich zo een enorm hoogveenpakket gevormd dat ook Noordbroek bedekte.

Prehistorische bewoning
Tijdens het Weichselien leefden de Neanderthalers als nomaden in Europa, levend van de jacht. In deze periode was de invloed van de mens op het landschap zeer beperkt. Toen echter rond 3000 v. Chr. de landbouw opkwam, nam de invloed van de mens toe. De bewoningsgeschiedenis werd in eerste instantie nog wel bepaald door de natuurlijke omstandigheden in een gebied. De veengroei van de duizenden jaren daarvoor had ook in het gebied van de latere Dollard tot uitgebreide moerassige veencomplexen geleid, waardoor de eerste bewoningsmogelijkheden werden begrensd tot de randen van de beekdalen en op de zandruggen.

De Oude Ae
In de omgeving van Noordbroek en Zuidbroek zijn vooral rond het voormalige beekdal van de Oude Ae en op een uitloper van de zandrug van Noordbroek een aantal vondsten gedaan uit het Mesolithicum (de periode na het aflopen van de laatste ijstijd ca. 10.500 v.Chr.) Deze locatie was aantrekkelijk voor de prehistorische mens aangezien er vruchtbare Eemsklei werd afgezet via het geulensysteem van de Eems, waartoe de Oude Ae hoort. Prehistorische sporen jonger dan late bronstijd-vroege ijzertijd (ca. 800 v.Chr.) zijn echter niet aanwezig, mogelijk heeft de getijdenwerking van de Eems de bewoning weggejaagd.

Het stroomdal van het (veen)riviertje de Oude Ae verloopt vanaf de bron het bourtangermoeras, het hoogveengebied ten westen van Wildervank onder Veendam, in noordoostelijke richting. Het gebied ten oosten van Zuidbroek-Uiterburen boven Muntendam valt onder het benedenstroomse gedeelte van de Oude Ae en wordt ook wel de Munter Ee genoemd. De Munter Ee mondde uit in de Eems bij het Noordelijk gelegen Termunten. De ligging van de Oude Ae heeft veel invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis van het omliggende gebied en later op de verkavelings- en kerspelgrenzen. De oeverwal van de Oude Ae speelde waarschijnlijk ook een belangrijke rol als de basis van waaruit het veengebied werd gekoloniseerd.

Vroeg-middeleeuwse bewoning
De eerste veennederzettingen in het Oldambt dateren uit de 9e en 10e eeuw na Chr. Er begonnen zich langs de oevers van de Eems boeren te vestigen. De bewoning bevond zich over het algemeen op de randen van de beekdalen en zandruggen van het stroomgebied. Er was sprake van een agrarische samenleving waarbij in het Wold-Oldambt op de hogere gronden vooral rogge werd verbouwd. De lage en natte gebieden werden gebruikt als hooiland en weide. Er wordt verondersteld dat er zelfs al aan grondverbetering werd gedaan om het veen geschikt te maken voor de akkerbouw, dit gebeurde door het veen met zand te vermengen. De afvoer van het veenwater gebeurde via de beken en riviertjes, zoals de Oude Ae die afwaterde in de Eems. Door het ontginnen van het land droogde de inmiddels hooggelegen veenbodem echter uit waardoor de bodem inklonk en dus daalde waardoor het land te nat werd. Zij moesten daarom steeds verder landinwaarts om hoger gelegen gebieden te ontginnen.

Uiteindelijk bereikten zij zo de hoog gelegen zandrug waarop nu de dorpen Noordbroek en Zuidbroek liggen. Deze rug was eerst ontstaan tijdens het Saalien, de voorlaatste ijstijd 240.000-126.000 jaar geleden, door een opstuwende landgletsjer. Tegen de ruggen aan van deze nog lage stuwwallen rondom het Dollardgebied van keileem -een mengsel van zand, klei en leem- werd in de daaropvolgende ijstijd, het Weichselien van 115.000 tot 10.000 jaar geleden, door wind aangevoerd zand gedeponeerd dat kwam uit de drooggevallen rivierbeddingen en Noordzeebodem. Op de zogenoemde dekzandrug van Broek lag maar een dunne laag veen waardoor de vernatting uitbleef toen door ontwatering het laagje veen begon in te klinken.

Vloedgolven
Inmiddels was de monding van de Eems veranderd waardoor bij noordwester stormen het zeewater steeds hoger kon worden opgestuwd tegen de oeverwal. Politieke onmin zorgde er bovendien voor dat het onderhoud van sluizen en dijken werd verwaarloosd. In 1287 heeft een aantal grotere en kleinere stormvloeden de oeverwallen doorbroken en de laagste delen van het Wold-Oldambt gebied onder water gezet. Allengs ontstond zo het steeds grotere zeegat: de Dollard. Het pakket zeeklei dat het huidige Oldambt bedekt is dus gedurende de middeleeuwen afgezet tijdens de verschillende uitbraken van de Eems.

Korengarst
Bij vloedgolven hielden nu alleen de bewoners van Korengarst (bij Noordbroeksterhamrik) dat op een hoger gelegen gebied ten noorden van Noordbroek lag nog droge voeten. Men denkt wel dat hier de voorloper van het dorp Noordbroek ligt en daar ook nog ergens de fundamenten van een eventuele voorloper van de Hervormde Kerk van Noordbroek begraven liggen. Over een eerdere kerk is niets bekend, wel zijn er aanwijzingen dat die er geweest kan zijn. Er zou een oud kerkhof aan de Pastorieweg zijn. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor een ouder kerkgebouw te Rommelskerken bij Korengarst.

Er is niet heel veel bekend over de Middeleeuwen. Er zijn geen eenduidige sporen van steenhuizen. Wel bevond zich vermoedelijk een steenhuis aan de Grachtlaan. Dit zal de woonplaats van ene Remben Gockinga zijn, die in 1441 genoemd wordt. In de 17e eeuw bevond zich hier een huis dat men Bouckenberg noemde.

Oldambt

Het Oldambt kon onderscheiden worden in het noordelijk gelegen kleigebied klei-(of 't Kleine)Oldambt en het meer zuidelijk gelegen veengebied Wold-(of Groote)Oldambt. Noordbroek bevindt zich in het Wold-Oldambt. Deze begrenzing binnen het Oldambt gaf naast een bodemkundig verschil, ook een verschil in rechtsgebied aan. Tot het jaar 1444 hadden de twee Oldambten beide hun eigen rechtspraak. In het Klei-Oldambt werd dit uitgeoefend door het adellijke Houwerdageslacht, in het Wold-Oldambt door het adellijke Gockinga-geslacht. Op deze manier oefenden deze hovelingen hun macht uit in het gebied.

In 1401 koos Noordbroek partij voor de Gockinga's en werd hierom bestraft. Er volgende plunderingen van boerderijen en de kerk werd in brand gestoken. Er werden vijf gouden schrijnen gestolen en de miskelken en kazuifels vielen ten prooi aan de vlammen.

De stad Groningen nam omstreeks 1440 van de geslachten Gockinga en Houwerda de rechten in het Oldambt over. Het gebied is voortaan een stadsjurisdiktie. De stedelijke zeggenschap strekt zich ook uit tot kerkelijke aangelegenheden. Na het overlijden van Eppo Gockinga in 1444 eigende de stad Groningen zich de rechtspraak 'in de streek bij de Dollard' toe.

Cosmas en Damianusvloed
Bij de Cosmas en Damianusvloed in 1509 werd de verste uitbreiding van de Dollard bereikt en was dus het grootste gebied bedekt met water. Hierbij werd een dik pakket Dollardklei afgezet. Dit was echter niet de laatste overstroming die de Eems heeft gehad. Gedurende de zestiende en zeventiende eeuw zijn er meerdere uitbraken geweest, al dan niet gepaard gaande met dijkdoorbraken.


De kaart geeft in lichtgroen het bereik van het Dollardwater bij de Cosmas- en Damianusvloed van 1509. Dit was de grootste uitbraak van de Eems en overstroomde het Duitse Reiderland en nagenoeg het gehele Oldambt. Na 1540 begon men met bedijken. De stippellijnen geven oude, verdwenen Dollarddijken aan, de dikkere lijnen geven de binnen- en buitendijken aan.

Hoewel er aanwijzingen zijn voor vroegere, kleinschalige heroveringen op het water, werd er na 1540 grootschalig begonnen met de bedijking van het Oldambt. De dorpen aan de Dollardrand kennen op dat moment twee landschappen, aan de noordwestzijde het oude veen- (en zand)landschap, aan de Dollardzijde (oost) het nieuwe kleilandschap dat in cultuur wordt gebracht. Noordbroek is zo'n dorp dat op de grens van de twee landschapstypen komt te liggen. De noord-zuid georiënteerde zandrug waarop het dorp zelf gelegen is, kan gezien worden als de grens. Tot aan de ruilverkavelingen in de jaren '70 en '80 van de vorige eeuw, waren de verschillen tussen de twee landschapstypen nog goed zichtbaar in het landschap.

Een korenmulder wordt genoemd in 1548.

Kerspel Noordbroek
Een kerspel is de middeleeuwse benaming voor kerkgemeenschap of parochie en omvat een afgebakend gebied. Een kerspel behoorde toe aan een bisdom. Ook Noordbroek was een Kerspel. De kerspelen Noordbroek, Zuidbroek, Eexta, Scheemda, Nieuw Scheemda behoorden tot het bisdom Münster. De kerspelen Sappemeer, Slochteren, Schildwolde, Hellum en Siddeburen ten noorden en westen van het kerspel Noordbroek behoorden tot het bisdom Osnabrück. De Siepsloot ten noorden en westen van Noordbroek was een natuurlijk gevormde grens tussen de bisdommen van Münster en Osnabrück.

In de Middeleeuwen maakte Noordbroek deel uit van het dekanaat Farmsum, dat op zijn beurt weer ressorteerde onder het aartsdekanaat Frisia. Het aartsdekanaat Frisia behoorde weer tot het bisdom Munster, dat een suffrafaan was van het aartsbisdom Keulen. De kerkelijke herindeling uit de jaren 1559-1561 zou aan deze "buitenlandse" invloedssferen een eind maken door de creatie van een, aan Utrecht ondergeschikt, bisdom Groningen. - (archieven.nl)

Reductie

Na de reduktie (1594) werd Noordbroek ingedeeld bij de klassis Oldambt en Westerwolde, sinds 1816 klassis Winschoten genaamd.

De laatste pastoor van Noordbroek, Henricus Dijckmannus was niet bereid om de verre van ongebruikelijke metamorfose tot dominee te ondergaan, hetgeen hem er niet toe belette nog ruim twee jaar aan te blijven. Pas in april 1597 gaf de Groningse raad "de olde priester toe Noortbroeck" opdracht om op korte termijn zijn post te verlaten, overigens niet dan na aan twee raadsgecommitteerden financiële verantwoording te hebben afgelegd. Dijckmannus werd op verzoek van het kerspel tot schatbeurder aangesteld. Toen de stadsregering hem in 1602 uit dit ambt ontzette, sprongen 41 van zijn ex-parochianen voor hem in de bres. Zij hadden het besluit "mit grooten droeffenisse" vernomen en poogden de raad "uuijt Christelijcke compassie" te vermurwen. Vergelijken we de namen van de ondertekenaren van dit rekest met de lijst die Johannes Lolingius omstreeks 1624 vervaardigde van hem die zich "uterlick (...) tot des H. Avontmaal holden", dan valt het op dat deze twee reeksen namen niet corresponderen.
Ten dele is dit te verklaren doordat er tussen de data van opstelling ruim 20 jaar ligt: een aantal rekestanten zal zijn overleden toen Lolingius zijn 74 schapen telde. Niettemin bewijst de lijst van 1602 dat de gemeente niet en masse overging tot het nieuwe geloof, hetgeen ook blijkt uit de grote aantallen van hen die na 1625 voor het eerst aan de avondmaalsviering deelnemen. De dominee en zijn vrouw, tijdelijk vertrokken en teruggekeerden alsmede uit andere plaatsen afkomstige lidmaten niet meegerekend zijn dat er in 1629 29 en het jaar daarop 18. Deze getallen kunnen, vergeleken met die van de volgende jaren, niet alleen als normale aanwas worden geïnterpreteerd maar wijzen op een golf van bekeerlingen omstreeks 1627.

De eerste "officiële" predikant, Johannes Sprenger (1597-1599), behoorde tot de pioniers van de hervorming in Groningen. Hij had in de jaren '70 de wijk moeten nemen naar Duitsland. In 1578 werd hij van Bingum naar Leer beroepen. De twee jaar voor zijn komst naar Noordbroek was Sprenger predikant te Huizinge.

De verhouding tussen Sprengers opvolger Johannes Lolingius (1600-1624) en zijn gemeente is jarenlang vertroebeld geweest door een ruzie waarvan de precieze achtergronden onbekend zijn, maar die mogelijk in verband heeft gestaan met een al dan niet bewuste weerstand van een deel der dorpelingen tegen de introductie van de heersende godsdienst. Op 25 april 1608 hoort de synode beide partijen "Uppet klagelicke angevent der gemeinte van Nordtbroick wegen ehres itzigen pastorn Johannis Lolingii. Uit de naburige klasses worden twee bemiddelaars benoemd, die "in bijwesen so moglick eniger heren des E. Rades" moeten proberen een verzoening te bewerkstelligen. Deze poging mislukte. Op 7 mei 1613 vroeg de synode zich af: "Oft niet noodigh, dat men den ergerlicken strijdt ende onenicheyt, so sich naer veler luiden seggen nu eenige jaeren herwaerts tusschen den pastoor te Noortbroeck ende den caspelluden solle verholden, door eenige deputerten des synodi sich onderstaen wegh te nemen unde door eenige deputerten des synodi sich onderstaen wegh te nemen unde tho dempen. Het jaar daarop komt het conflict in de synodale vergadering nogmaals aan de orde maar wordt dan "affgedaen".

Afsplitsing Kerspel

In de jaren 1657-1664 splitsten Noordbroeksterhamrik, Korengast en Stootshorn zich van Noordbroek af en gingen een afzonderlijk kerspel vormen. "Hier heeft men dus een eigenaardig geval van een kerspel zonder kerk, want kerkelijk bleven de beide kerspelen verenigd" (Formsma).



Het Noordbroekstermeer werd omstreeks 1612 drooggelegd.

Al in de 17e eeuw had Noordbroek twee scholen, één aan de rand van het kerkhof en één midden in het dorp voorzien van een eigen klokkentoren. Later had het dorp ook een eigen rechthuis.

In 1666 overleden veel mensen in het gebied aan de pestilentie: in Noordbroek 716 en in Zuidbroek 736.

Noordbroek had meerdere buitenplaatsen. De oudste was Veenhuizen in Stootshorn. Deze werd genoemd rond 1650 en achtereenvolgens eigendom van de families Van Hoorn, Munninghe, Van Sijsen en Gockinga. De uitgestrekte bossen en waterpartijen waren nog in de negentiende eeuw voorhanden. Daarnaast bevond zich aan het begin van de Oosterstraat het 'Noorderhof' van de familie Wolters en bezat de familie Veenkamp omstreeks 1750 een buitenplaats met zware eikenbomen, iepen en essen.

Noordbroeksterdiep

Door samenwerking van de Stad en het kerspel Noordbroek werd in 1653 het Noordbroeksterdiep gegraven over Stootshorn naar de zandrug van Noordbroek.

Het eerste doel was het afvoeren van turf. Voor dat doel was een brede sloot voldoende. Maar later kwam de behoefte aan een kanaal voor de scheepvaart. Voor dat doel werd het Noordbroeksterdiep in 1771 verbreed en verdiept van de Dam tot de Pijp te Sappemeer. De kosten daarvan hebben bedragen 5000 Carolusgulden.
Hiervan werd betaald door de stad Groningen 3000 gulden en door de kerspels Noordbroek en Noordbroeksterhamrik samen 2000. Deze beide kerspels brachten hun bijdrage op de volgende wijze bijeen: van de landgebruikers door middel van de verponding 1171 gulden en vrijwillig van enige personen 345 gulden en 5 stuiver, van de burgers 329 gulden en 15 stuiver en van de arbeiders 154 gulden.
In 1968 is het Noordbroeksterdiep weer gedempt.

De snik I

In 1661 verzocht Haijo Alles aan Burgemeesters en Raad van Groningen, of hij een schuitendienst van Noordbroek naar Groningen mocht oprichten. In het eind van de achttiende eeuw werd die dienst waargenomen door het Winschoter veer. De schepen van die veerdienst voeren het Noordbroeksterdiep op om personen en goederen op te halen en te brengen. In de zomermaanden gebeurde dit tweemaal per dag en in de wintermaanden éénmaal. Dat ging zo tot 1855.

Buiten Nieuwediep I

Aan de andere kant van de zandrug werd in de zeventiende eeuw het Buiten Nieuwediep gegraven, dat
bij 't Waar uitmondde in het Termunterzijldiep. Het eerste doel van dit kanaal was om een betere afwatering te krijgen. In 1809 kwamen er klachten: het was te smal en te ondiep en vol modder en ongemak.
In 1864 heeft de Raad van Noordbroek geprobeerd om het Noordbroeksterdiep te verbinden met het Buiten Nieuwediep en zo een scheepvaartkanaal te krijgen van Sappemeer naar Termunterzijl. Er moest dan een draaibrug en een sluis komen op de plaats waar nu de Dam is. Die poging is niet gelukt.

In 1666 overleden veel mensen in het gebied aan de pestilentie: in Noordbroek 716 en in Zuidbroek 736.

In 1672 werd in het koor te Noordbroek begraven Ds. Ellerus Eppinus, van wie vele Oldambster geslachten afstammen. Hij was predikant te Noordbroek geweest van 1625 tot 1672.

Tussen 1744 en 1768 werden herhaaldelijk verkopingen gehouden in het Rechthuis te Noordbroek o.a. van enige landerijen onder het kerspel Noordbroek gelegen, namens de heer E. Rengers, heer van Farnsum, de secretaris L. Wichers en de kapitein J.A.J. Cruys.

Kluften of buurschappen

Noordbroek telde in de achttiende eeuw tien buurtgilden, waaronder Broodhörn, Achteromshörn, Pijpkergilde, Torengilde en Moushörn. De eerste betrof een buurtje aan de weg naar Zuidbroek, de laatste een buurtje ten noorden van de kerk.

In de achttiende eeuw werd de ontginning van het hoogveen voortvarend ter hand genomen. Niet alleen Stootshorn ontwikkelde zich tot een klein dorpje, ook op het Zuiderveen werd - tenminste vanaf 1761 - een tiental huizen gebouwd, die meest na 1950 weer zijn verdwenen. De bebouwing volgde een laatmiddeleeuws veendijkje (Lutke Borg) langs de Burgsloot, die vanaf de Sijpe vermoedelijk doorliep in de richting van Zuidbroek.

De gronden rond Noordbroek werden al vroegtijdig bemalen. Op het grondgebied van Noordbroek ontstonden de waterschappen Westerschemolenpolder (1798, gedeeltelijk), Evenreitstermolenkolonie (1799), Roodetilsterpolder (1799), Noordermolenkolonie (1801), Korengarst (1804/1894), Legemeedsterpolder (1842), De Bolderij (1863), Stootshorn (1885), De Kampen (1884/1888) en Waterkampen (1889).

Van 1798 tot 1808 zijn Noordbroek en Zuidbroek een gemeente geweest. In 1808 kwam Noordbroek weer apart.

In de nacht van 21 op 22 december 1811 werd ingebroken in het huis van Fokke Willems Huisman te Noordbroek. Een houten venster was aan de westzijde opengebroken. Daarna een ruit uit het glasraam genomen en vervolgens twee krappen van het binnenvenster afgedraaid. De dief had de la uit het kabinet meegenomen.

In 1812 was de hondsdolheid uitgebroken te Nieuwolda. De maire van Noordbroek gaf opdracht aan de kerspeldienaars aan de roroede en aan de nachtwachten om alle loslopende honden door te slaan.

Op 12 februari 1818 stuurden enige landgebruikers onder Stootshorn de volgende klacht aan de schout van Noordbroek. 'Er wordt een deur vermist van de klijf liggende in de uitwatering van onze landen onder Noordbroeksterhamrik. Die klijf ligt daar te kering van het door watermolens op te jagen water. Het water dat de molens opjagen, komt nu in onze landen terecht.' De dijkrechters beloofden de dijk te herstellen.

Op 29 juni 1820 kwam de Raad van Noordbroek bijeen. Er was een droevig ongeval gebeurd; blijkbaar was een kind verdronken in een put. Met algemene stemmen werd bepaald dat iedere put van een vast en sterk deksel moest worden voorzien. En deputten waarvan het gemeentebestuur het nodig achtte, moesten bovendien een houten raam krijgen ter hoogte van drie voet boven de grond.

Uit een verordening op de broodzetting blijkt dat in 1823 in Noordbroek gebakken werden: roggebroden van twee of vier pond, grof weiten bollen van vijf ons, Franse bollen, regelweggen, Hollandse bollen en tarwebollen van drie ons.

Omstreeks 1832 werd er veel sluikhandel gedreven in sterke drank. De Raad van Noordbroek stelde een beloning op ontdekking daarvan. De plaatselijke ambtenaar die een sluiker op de daad betrapte met het gevolg dat hij gestraft werd, kreeg als beloning een gulden per kan van de in beslag genomen drank.

In 1852 bezocht Koning Willem III de gemeenten Noordbroek en Zuidbroek. In Zuidbroek werd de boerderij van C.J. Geertsema bezichtigd en in Noordbroek werden paarden beschikbaar gesteld voor de rijtuigen van de koninklijke stoet. Verder maakte de Raad van Noordbroek Zijne Majesteit opwachting bij de grens van Zuidbroek, werden twee erebogen geplaatst (een bij de Dam en een bij het begin van de grindweg naar Slochteren) en er werd een erewacht opgesteld.

De snik II

In 1855 gaf de gemeenteraad aan twee Noordbroeksters vergunning om een eigen veerdienst op te richten. Dat waren Lammert Berghuis en Jan Draaijer. Zij voeren elke morgen naar de Stad en des avonds terug met personen en goederen. De Raad stelde in 1859 voor dit veer de volgende bepalingen vast.
'Als lig-, laad- en losplaats of haven voor de schepen, schuiten en vaartuigen wordt aangewezen
het gedeelte van het Trekdiep te Noordbroek dat zich uitstrekt vanaf de Dam tot het punt waar vanwege het gemeentebestuur een handwijzer, voorzien van het woord HAVEN, zal zijn aangebracht.
De schippers zijn verplicht bij het binnenkomen van gemelde haven hun zeilen te strijken of te
geien, de vaart hunner schepen te stoppen, de wrijfhouten behoorlijk uit te hangen, de losse boegsprieten in te nemen en geen ankers of dreggen van de boeg te laten hangen.'
De snik van Berghuis en Draaijer kon vervoeren zestig personen en achttienduizend kilogram goederen.
Latere eigenaren waren W. Atzema en J. Hilbrands.

In 1888 kwam er nog een veerdienst bij op Groningen. Ondernemer was Thomas Reint Wildeman, bakker
te Noordbroek. Deze schuit voer alleen op dinsdag en vrijdag. Zij was ingericht voor vervoer van zestig personen en zesentwintigduizend kilogram goederen. Zij vertrok des morgens om half vijf uit Noordbroek. Dan was men ongeveer half tien in Groningen. 's Middags vertrok de snik weer uit Groningen om tien minuten over drie. Een enkele reis naar Groningen kostte dertig cent, een retour vijftig cent.

Om ze te onderscheiden, had de snik van Hilbrands een gele mast en die van Wildeman een witte mast.
In vroegere tijden werden brieven ook wel per snik verzonden. Om te voorkomen, dat de ondernemers
te veel vroegen van de geadresseerden, werden van overheidswege tarieven vastgesteld voor de bezorging. Zo stelde de schout van Noordbroek in 1814 het volgende tarief vast:
Voor bezorging in de gemeente Noordbroek 4 duiten, in Korengarst 1 stuiver, Noordbroeksterhamrik 1 stuiver en 4 duiten, Zuidbroek tot aan de kerk 1 stuiver, Zuidbroek bij de kerk en verder 2 stuiver, Nieuw-Scheemda 6 stuiver, Nieuwolda tot aan de klap 8 stuiver, verder oostwaarts 10 stuiver, Siddeburen, Hellum en Schildwolde 6 stuiver en Wagenborgen 8 stuiver.De loper mocht in drie gevallen een extra vergoeding vragen: in de winter, als er “expres” op de brief stond en als hij niet voor zonsondergang terug kon zijn. Dit extraordinair loopgeld bedroeg voor Korengarst 1 stuiver en 4 duiten, Noordbroeksterhamrik 2-2, Zuidbroek tot aan de kerk 1-4, Zuidbroek
bij de kerk en verder 3, Nieuw-Scheemda 9-, Nieuwolda 12, verder oostwaarts 15 stuiver, Siddeburen, Hellum en Schildwolde 9 stuiver en Wagenborgen 12 stuiver.

Dit wordt alles wat duidelijker als wij er op letten, dat het voor de invoering van de postzegel in 1852 gebruikelijk was, dat de geadresseerde de port betaalde. Zo is bijvoorbeeld nog een brief in het gemeentearchief aanwezig, die Jacob de Looze te Heerenveen op 11 oktober 1809 aan het gemeentebestuur zond, waarin hij aanbood manschappen als vrijwilligers te leveren voor tweehonderd en vijftig gulden. Deze brief werd over verschillende veren vervoerd. Op de dichtgevouwen brief staan twee streepjes, dan het cijfer 3 en ook nog het cijfer 4. Voor elk veer was een stuiver verschuldigd en de geadresseerde moest 4 stuiver betalen.

De postwagen

In 1835 stapte men te Noordbroek wat de postdienst betreft over van de snik op de postwagen. Maar dan
moest de post door een bode worden afgehaald van Zuidbroek. Als bode werd benoemd Wilke Hindriks Edens, wonende te Noordbroek en de burgemeester van Noordbroek stelde de volgende regeling vast: De afhaling en bezorging der brieven, pakketten en alle andere stukken op het postkantoor te
Zuidbroek aankomende en voor deze gemeente bestemd, zal geschieden door een expres daarvoor aangestelde bode, in de gemeente woonachtig.
De bode moet zich dagelijks op een aangegeven uur aan het postkantoor te Zuidbroek vervoegen, de voor deze gemeente bestemde brieven, pakketten en andere stukken tegen betaling van de verschuldigde port overnemen en die dadelijk aan de huizen der ingezetenen rondbrengen. Behalve de voorgeschoten kosten kan hij van de geadresseerde vijf cent vorderen voor elk stuk
dat in het dorp Noordbroek bezorgd moet worden, en tien cent als dit moet gebeuren in een van de gehuchten van Noordbroek.
De bode moet ook de brieven die hem ter hand worden gesteld, overbrengen naar het postkantoor te Zuidbroek, waarvoor de afzender twee en een halve cent moet betalen.

Spoorlijn

De ingezetenen van Noordbroek wilden graag dat de spoorlijn Groningen-Nieuwe Schans zo dicht mogelijk langs hun dorp ging. De raad verleende op 3 oktober 1861 adhesie aan een poging om te bewerken, dat hij gelegd werd tussen Noord- en Zuidbroek.

Op 9 december 1866 werd een theevisite gehouden bij Scholto ten Have te Noordbroek . Op die theevisite werd besloten een reciteercollege op te richten, later genoemd 'rederijkerskamer Oldambt'.

In 1867 werd de weg Slochteren-Noordbroek verhard met puin dat afkomstig was van het klooster te Wittewierum bij Ten Post.

Baanvegers

Toen er nog geen ijsbanen waren, werd de schaatssport druk beoefend op kanalen en wijken. De baanvegers hadden vaak ruzie, omdat zij allemaal op de beste plaatsen wilden staan. In 1870 maakte de Raad van Noordbroek een verordening op het gebruik van ijs. De inhoud van die verordening kwam op het volgende neer:
Een baanveger had een benoeming nodig van Burgemeesters en Wethouders. Tevens werd aan elke benoemde de plaats toegewezen. Zodra het ijs betrouwbaar was, moesten de baanvegers er voor zorgen, dat er des morgens om negen uur een behoorlijke baan geveegd was. Zij moesten de onbetrouwbare plaatsen afbakenen met stro. Zo nodig moesten zij een tweede baan maken voor paarden om vrachten per slede te vervoeren. Als teken van hun waardigheid droegen zij op de arm of op de pet in rood de letters B.V. (Baan Veger). Zij mochten op bescheiden wijze een fooi vragen aan de ijsgebruikers.

In 1879 stelde de Raad van Noordbroek de volgende bepaling vast: 'Het is verboden met voertuigen die met honden of ezels bespannen zijn of met velocipèdes bij het naderen van paarden door te rijden en deze anders dan stilstaand te laten voorbijgaan. De bestuurder of geleider diens zich op te stellen tussen zijn voertuig en de paarden. De bestuurder of geleider moet zijn voertuig plaatsen aan de kanaalzijde als zich langs de weg een kanaal bevindt.'

in 1881 heeft Noordbroek zijn best gedaan om een stoomtram te krijgen. De raad verleende concessie aan de heer Hoogstraten te Leiden. Van de aanleg is niets gekomen.

Gemeentehuis Noordbroek

Noordbroek kreeg in 18866-88 een eigen gemeentehuis. het was gebouwd op het perceel van H.H. Delden. Voordien huurde de gemeente een lokaal van een van de ingezetenen. In 1808 vergaderde de Raad b.v. in een kamer van de kastelein H.S. Hillinga, in 1830 bij G.S. Noording, in 1848 bij L.K. Steernberg, in 1849 bij J.J. Boelens, in 1853 bij A. Kroon en voor 1888 in hotel Quatre Bras, nu het 'Wapen van Noordbroek' genoemd. Het nieuwe gemeentehis stond er nog maar even toen een zware storm het gehele dak opnam en op de weg neerzette. Dat gebeurde overdag, even na twaalf uur.

In de nacht van 28 op 29 april 1892 werd ingebroken bij bakker Berend Poppens, bij bakker Dallinga en bij manufacturier G. Hevinga, allen te Noordbroek. Vermist werden eieren, een droge ham en andere kleinigheden. het was spoedig duidelijk, dat Willem Schreuder weer aan het werk was geweest. Die had een hol in het Slochterbos en zijn vrouw en kinderen woonden op het Siddebuursterveen. Een paar maanden later werd Schreuder gearresteerd op het land van Schrage. hij werd op een korrewagen weggevoerd. Op 18 maart 1895 overleed hij in de strafgevangenis te Leeuwarden, op drieëndertigjarige leeftijd.

Op 17 december 1892 werden er huzaren ingekwartierd in Noordbroek, Zuidbroek en omliggende plaatsen, in verband met anarchistische woelingen.

Vrienden uit Noordbroek

In de zomer van 1900 is Paul Krüger hierheen gehaald door onze kruiser 'Gelderland. In augustus van datzelfde jaar besloten vier vrienden in Noordbroek om samen een vakantieweek door te brengen in Den Haag. De vier vrienden waren bakker M. Medema, stelmaker H. Simons, blauwverver R. Zuidema en meester J.P. Bloemhof.
op een maandagmorgen vertrok het viertal tegen vijf uur uit Noordbroek. Men ging lopende naar het station Zuidbroek, elk met een koffertje in de hand. Verder met de trein.
Op Woensdagavond gingen de vrienden wandelen in Den Haag. Plotseling hoorden zij muziek. Zij zochten die muziek op en kwamen bij een hotelletje met een mooie tuin. In die tuin vonden zij een goed plaatsje.
Nadat enige mooie nummers gespeels waren, kwam er een deputatie van deftige heren op de vier Noordbroeksters af. En wat was er nu aan de hand? Toen het viertal aankwam trok het direct de aandacht. Allereerst door hun kledij, die wel keurig verzorgd was, maar toch afstak bij de meer moderne costuums van de Hagenaars.
Verder spraken zij een heel andere taal dan het officiële Nederlands. En ten derde... bakker Medema keken zij aan voor Paul Krüger. Hij had hetzelfde ronde gezicht met een extra dikke platte neus, hij droeg een ouderwets zijden hoofddeksel met klep en hij had een ringbaard, net als Paul Krüger.
Meester Bloemhoff hielp de deputatie gauw uit de droom, wanneer de heren zich lachend weer verwijderden.
De Noordbroeksters hebben er achteraf veel pret over gehad.

Station Noordbroek

Vanaf 1910 had Noordbroek een spoorwegstation aan de spoorlijn Zuidbroek-Delfzijl, dit was echter van korte duur, in 1934 werd het weer opgeheven.

Leven in Noordbroek rond 1900

Jeugdherinneringen van Freerk Bennema
Ik ben geboren in 1882 te Noordbroek. Mijn ouders waren Freerk Bennama en Anne Telkamp.
In mijn jeugd werd in het zuiden van ons dorp vaak harddraverij gehouden van boerenpaarden. Dat gebeurde op de weg vanaf de boerderij van Harm Edzes tot aan de Dam. Die Edzes had veel beste dravers. Hij won vaak een prijs.

Daar links woonden Hindrik en Frouwke. Die leefden met minstens 10 mensen in een klein kamertje. Mijn moeder en ik hebben er vaak koffie gedronken. Het was er altijd gezellig. Er stond geen kachel; wel was er een vuurhaard. Dikke stukken hout werden op het vuur gelegd. Er omheen stonden niet meer dan vier stoelen voor wel tien personen. Een tafel was er ook niet. Midden in de kamer stond een grote kist en in die kist zaten een paar etensbakken, vorken en lepels.

Borden om van te eten waren er niet. Werden er des avonds aardappelen gegeten, dan stipten wij samen uit de pan. Pap aten wij samen uit de grote kom.
Hindrik was vaste arbeider bij Harm Edzes. Nu schoot Edzes des winters vaak kraaien op zijn land. Dan kreeg Hindrik de kraaien mee naar huis en zijn vrouw braadde de vogels in de pan. Die smaakten wel goed. Ik heb er wel eens een stukje van gehad. Als het nieuwjaar was, kreeg Hindrik een roggebrood mee naar huis. Meestal had Edzes dan goed getracteerd en dan slingerde Hindrik met de achtponderbrood onder de arm. Hindrik verdiende drie en een halve gulden met de kost per week. Hij moest werken van vier uur 's morgens tot zes uur 's avonds.

Dan stond daar aan de linkerkant het huis van Berend en Anje. Het stond met het achtereind naar de weg. Tegen de muur aan was een ouderwetse plee gebouwd. Ieder die daar voorbij ging, deed daar desgewenst zijn behoefte. Heel vaak ging een zekere Sies uit Veendam in dat hokje zitten. Hij liep met boter en eieren. Die artikelen kocht hij in Noord- en Zuidbroek en hij bracht ze in Veendam weer aan de man. In dat hokje deed hij niet alleen zijn behoefte, maar hij maakte ook zijn berekeningen met potlood en papier.

Even verder woonde in mijn jongensjaren de boderijder Kok. Die liep altijd naast zijn wagen van en naar Winschoten. Vrouw kok was een grote, forse vrouw. Zij had altijd een heldere, witte muts op. Er waren drie kinderen. Een ervan heette Jan en die leerde voor meester. Later is hij de directeur geworden van de landbouwschool van Veendam.

Verder kregen wij de kruidenierswinkel van Hendrik en Geertje. Dit waren erg beste mensen. De vrouw verkocht kruidenierswaren uit his en de man ventte er mee in de omgeving. Hij trok een wagentje en daarmee kwam hij wel in Noordbroeksterhamrik. Toen ik een jongen van een jaar of acht was, moest ik voor Geertje kruidenierswaren halen uit Zuidbroek van de grossierderij van Zuidema en Meihuizen. Als ik terugkwam, kreeg ik altijd een halve stuiver en een dikke boterham met kaas er op.

In het heel oude huis ernaast woonden twee gezinnen. Elk gezin had maar een kamer. In een daarvan woonden Harm en Jantje. Die oude Harm kon zo fijn lezen en hij had heel veel van die oude almanakken. Als mijn moeder en ik daar 's avonds eens gingen koffiedrinken, las Harm ons wat voor uit die almanakken. Dat waren avonden om nooit te vergeten.

Dan stond daar het huis van Jan Staal. Staal was klompenmaker en heel Noordbroek liep op Staalklompen. Die waren wel erg zwaar, maar heel sterk en niet zo duur als koopklompen. Bij zijn huis lagen altijd een stapel dikke bomen, waar Staal klompen van maakte. Daar speelden wij als kinderen op. en die waren daar toen nog al wat, daar in Broodhörn.

Naast Staal stond de kruidenierswinkel van Jan en Aaltje en daarnaast woonde bakker Kuiper. Later woonde daar bakker Fröling. Da was een echte kindervriend. Wat mochten wij die man graag. Hij had een grote tuin waarin hij niets verbouwde. Die moest een speelplaats blijven voor de kinderen.

Even verder woonde Koos Waslander. Hij was arbeider en ook scheerbaas. Hij ging met zijn scheergerei rond, wel tot Noordbroeksterhamrik. Hij had dan zijn scheernap bij zich en een keteltje met water, dat warm gehouden werd door een vuurstoof. Als het een beetje waaide, stoof het vuur over de weg. Hij kreeg als loon voor het scheren een halve stuiver.

Naast Waslander woonde Schuurman. Die had wat bouwland, maar was ook een voerman, bijenhouder en boerenslachter. Vaak ben ik met Schuurman naar Westerwolde geweest om de bijen daarheen te brengen. Eerst gingen de bijen naar het Hogeland en tegen de herfst naar de bloeiende heide in Westerwolde. Wij gingen er vaak met drie wagens vol bijen heen.

Naast Schuurman kwam schoenmaker Baas. Achter het huis van Baas stond een pereboom. Daar kwamen die dikke Reint Huisnmanperen aan. Baas verkocht ze twee voor een cent. Ik heb nog een herinnering aan de strenge winter van 1890-1891. Toen hebben wij zeventien weken strenge vorst gehad met veel sneeuw. Die lag soms wel drie meter hoog langs de weg. Toen moesten zij bij dat oude huis van Jurrie Baas een tunnel in de sneeuw graven om in en uit dat huis te komen.

Dan kwam schoenmaker Bartelds. Die was schoenmaker en barbier. Hij liep ook met zijn scheernap en keteltje door het dorp om zijn klanten te scheren. Des zondagsmorgens zat zijn schoenmakerswerkplaats vol arbeiders. Die lieten zich maar eenmaal in de week scheren. Tweemaal kwam te duur.

En daar ziet u de boerderij van Luitjen Boelema. Die heeft veel goed gedaan. Daar gingen des middags vele oude weduwen heen en haalden in een pannetje of potje eten op met een stukje spek erin. Als zij op de boerderij de dorsmachine hadden, kreeg iedere arbeider een stukje spek in zijn akertje.

Dan kregen wij links van de weg naast elkaar Roelf Zuidema en Hendrik Simons, bijgenaamd Hendrik Koeper, want hij maakte botervaatjes voor de zuivelfabrieken. Roelf Zuidema was wolkammer en blauwverver. De schapevachten werden door hem schoongemaakt en gekamd. Dan ging de wol naar de vrouwen toe die nog een spinnewiel hadden. Die maakten daar dunne draadjes van. Dan kreeg de wolkammer de wol weer en hij maakte er op de tweernmo;len vier- of vijfdraads garen van. Als blauwverver had hij twee grote stenen kuipen in de schuur staan met blauwe verf. Daar dompelde hij het laken in dat hem gebracht werd. Wat uid de kuip kwam, hing hij in de schuur of in de buitenlucht te drogen. het geblauwverfde laken werd in de regel gebruikt voor werkkielen.

Nu de Achteromshorn. Aan het begin van die rondlopende laan stond de smederij van Jan Wedema. Achter Wedema woonde Derk van der Laan. Die was steenklopper van beroep. hij haalde met de kruiwagen veldkeien uit de heidevelden. Die klopte hij stuk. De stuk geklopte keien verkocht hij aan de boeren voor verharding bij de lanen van de boerderijen.

Verderop stond in mijn jeugd een heel oud huis, waar drie gezinnen woonden, namelijk Beren en Graitje, hendrik en zijn vrouw en dan nog Sander. Met die oude keet hebben wij veel plezier belefd. Het dak was zo laag dat wij er tegenop liepen en dan zaten wij in een rij op de nok. De geiten liepen soms ook op het dak.

Nu nog iets over de omgeving vanaf de grens van Zuidbroek tot aan de Dam.
Aan de oostzijde kleiland tot aan de Oudedijk. Eerst achter de huizen het zogenaamde Piepke, met stromend water. Verder naar Scheemda de Oude Geut. Ten Oosten van het Piepkelagen de klingen. Dat waren wallen van zand, die oost-west liepen. Tussen elke twee boerderijen had je zo'n kling. Zij waren begroeid met struikgewas; o.a. groeiden er brommels en sleeproemen. En wat zaten er veel vogelnesten. Aan de westkant van de Zuiderstraat was het meest zand en veen. Er werd in mijn jeugd nog turf uitgegraven. Meest voor eigen gebruik. Het achterste gedeelte was toen nog veen, heide en bos. Men haalde er ook heide weg voor het voeren van de geiten. Een van de bosjes daar heette het Vossebosje. Vermoedelijk heeft een vos daar eens een hol gehad. Op de plaats van Rozeveld stond ook een bosje en op die van Engels ook.

Wat was dat een mooie tijd als wij vacantie hadden of plat liepen. Wij hebben vaak plat gelopen en dan moesten wij de volgende dag de meester wat voorliegen. Des zomers waren er niet veel jongens in de klas, vooral in de hoogste klassen niet. Dan zwierven wij wat in de vrije natuur.

In mijn jeugd kwamen des morgens al heel vroeg de Muntendammers met hun karren en kruiwagens venten naar de kleistreken of om werk te zoeken bij de boeren. Daar waren ook een Bronno en een Jantje bij. Die hadden een lange kar met een stuk of vier honden er onder. De honden werden soms vreselijk geschopt en geslagen. In die kar zaten Jantje en een stuk of zeven kinderen met wat oud beddegoed en lompen. Bronno liep altijd achter de kar in onderbroek. Dan gingen zij het Hogeland op. 's Zaterdags gingen zij terug naar Muntendam. Bronno was dan meestal dronken; Jantje zat weer met haar kroost op de kar en maar schelden op Bronno en de kinderen en slaan op de honden.

Aan de Scheemderstraat had je vroeger eerst het houtstek van Dalebout. Verder viel op het huis van boderijder Meerman. Hij had een vaste dienst op Winschoten. Zijn vrouw was hoedenmaakster en met haar zelfgemaakte hoedjes ging zij op stap om die aan de huizen te verkopen. Zij droeg die hoedjes in grote, ronde blauwe hoedendozen. Zij kwam er zelfs mee in Slochteren en Siddeburen.

Even verderop was het logement van Jannes Eggens. Hij was venter in galanterieën en hield ook een nachtverblijf voor rondrekkende mensen, stoelenmatters, enzovoort. Voor de gevel hing een groot bord, waarop een grote Groninger koffiepot was geschilderd.
Dan kwam het café van Bertus Ruzius 'Veldzicht'. Bij winterdag als het vroor, was het daar erg druk. Als de schaatsers vanhet oude Diepje afkwamen, gingen zij daar vaak nog plakken. Zij hadden dan meestal tochten gemaakt naar Termunterzijl, Midwolda, scheemda of Winschoten. En dan was het 's avonds feest bij Bertus Ruzius. Daar werd dan stevig gedronken en soms stevig gevochten.

Nu de weg op naar Sappemeer.
Het eerste grote huis met ankers van 1716 was in mijn jeugd ingericht als houtstek. Het was ook van Dalebout. In dat huis zit nog een grafkelder.
Daarachter stond een woning met pilaren. Daar woonde de evangelist Dijkstra met zijn grote gezin. Hij reed in een klein wagentje met een ezeltje ervoor.
Verderop bij de korenmolen van Hidskes stond vroeger nog een kalkoven.

Nog een eind verder gaat er een zijweg naar het noorden. Die weg heette vroeger paleispad. Daar om de hoek stond het werkhuis voor ouden van dagen. Daarin was een grote zaal met een vloer van grote, blauwe tegels. In het midden van die zaal stond een grote kachel en een grote tafel. Aan die tafel zaten zij allemaal met elkaar. Allen die opgenomen werden in het werkhuis, moesten vader en moeder zeggen tegen het hoofd en zijn vrouw. Dat viel niet altijd mee. Bij het werkhuis ws een groot stuk land en er werden twee koeien eneen aantal varkens gehouden. Het land werd bewerkt en de dieren werden verzorgd door de oudjes.

Nu de Hoofdstraat.
Achter de molen Aurora woonden vroeger Nathan en Janna. Die hadden een manufacturenzaak. Zij liepen beiden met het bontpak bij de weg, dat wil zeggen, dat zij broeken en kielen en schorten en hemden en lapjes stof in een pak gebundeld hadden en daarmee ventten bij de huizen.
Rechts van de molen stond een heel rijtje huizen. Dat rijtje noemden wij de Jordaan. In een van die huizen woonde kleermaker en barbier Albert. Hij was ook aanzegger van overlijden en van geboorten. Bij overlijden droeg hij zwarte handschoenen en bij geboorte witte.

Toen wij naar school gingen, woonde in het huismet het torentje meester Zijlstra. Dat was een beste meester, maar hij was erg streng. Hij liep wat mank en daarom had hij altijd een stok bij zich met een koperen knop er op. Als hij kwaad werd kreeg je een pak slaag met die stok.

Dokter Niemeijer woonde vroeger schuin tegenover meester Zijlstra. Hij was de eerste die een fiets kreeg in Noordbroek. Dat was een Fongers. Hij had ook een paard met rijtuig. Jan van der Veen was zijn koetsier en tuinknecht.

In het hoekhuis bij de Gockingalaan woonde vroeger Wiete Molema. Die had een kruidenierszaak en een kroeg. Er was ook een portaaltje en in de muur tussen dit portaaltje en de kroeg was een luik, dat koekoek werd genoemd. Voor die koekoek kon men goedkoper een borrel krijgen dan in de kroeg. Voor een grote borrrel hoefde men maar acht centen te betalen.

Links van de laan woonde de koetsier van meneer Gockinga en daarnaast stond het koetshis. Des morgens spande de koetsier de paarden voor een rijtuig, hij reed de Gockingalaan af naar de borg en dan moest hij meneer Gockinga vaak naar Groningen brengen, want die zat ook in het bestuur van de provincie. Maar dat was alles voor mijn tijd en dat hebben oudere mensen mij verteld.

Verder de hoofdstraat in woonde in een oud geel huis aan de rechterkant van de weg Aeilko Hamster. hij had een huishoudster die Lena heette. Zij had het hele huis vol vogels, o.a. een papegaai. Die vroeg elke morgen: 'hoegaat het meet de oude heer, Lena? . In die tijd gingen er vaak straatmuzikanten rond om bij de huizen te spelen. Dit waren meest Duitse groepjes. Kwamen ze bij Hamster, dan werd de oude baas in zijn leunstoel in de gang gezet en speelden de muzikanten een extra nummertje voor hem. Lena gaf hun dan lekkere boterhammen en nog een rijksdaalder bovendien.

Even verder woonde Geertje Hevinga en haar broer Schelto. Geertje was gebrekkig en Schelto was klein. Zij hadden een winkel waar garen, band, enzovoort verkocht werd. Schoolkinderen plaagden hem vaak door hem uit te schelden voor 'lutje kereltje'. Dan kwam hij hen achterna op de Kliplaan en dan schoot hij als een bruinvis door de oude heg die om zijn huis stond.
In datzelfde huis heeft omstreeks 1840 de Weduwe L.H. Bloemhoff-de Boer gewoond. Haar man heette Pieter Jans Bloemhoff, die eerst hoofd van de Noorderschool geweest is en organist van de kerk. Later ging hij helemaal in de muziek op.

Een eindje verder woonde boer Dijkstra, die hier burgemeester is geweest. Als hij op reis ging naar Groningen, bracht Berend hem altijd in de koetswagen naar de trein te Zuidbroek.

Even voor de pastoorsweg is er nog en zijweg naar rechts. Die heet Zeemanslaan. Dat komt omdat daar vroeger een zekere Haiko Zeeman woonde. Zeeman was schoenmaker en hij had wwn drukke zaak. Hij had zelfs een paar knechten. Maar de schoenmakerij ging later niet best. Daarom werd hij dokkenbinder. Hij bond stro in kleine bosjes, die ongeveer zo lang waren als een dakpan. Deze bosjes stro heetten dokken. Zij werden onder de pannen gelegd om sneeuw en regen tegen te houden.

In mijn jeugd gingen wij vaak naar de wildernis. Die lag ten zuiden van de Slochterweg en hoorde bij het plaatsje van Jan Wildeman. Het was allemaal water, moeras en lage struiken. Er stond een watermolen bij die Veenhuizen heette.'\Op de weg stond vroeger een tolhek. Op de Dwangsweg stond een hulptol om te voorkomen dat de mensen langs een weg gingen bij het bos van meneer Gockinga en zo de tol ontliepen. Aan de noordkant van de weg waren toen baggerputten. Daar haalde men de baggerspecie uit en stak daar kleine vierkante turfjes van baggers. Sommige putten waren wel drie meter diep. In de oudste putten groeiden veel russen. De 'russensnieders' ginger er vaak naakt in om de russen te snijden.

Gasboringen

In 1962 vonden in de omgeving de eerste aardgasboringen plaats.

Bronnen:

Noordbroek - een interdisciplinair onderzoek naar de vorming en ingebruikname van de kleilanden in de 15e en 16e eeuw - A.F. (Annelies) Vermue
De verhalen van Groningen
Monumenten in Nederland. Groningen(1998)


Eerste pageview van vandaag: 1