Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 08-04-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Nicolaus Engelhard

Nicolaas Engelhard (1696 Bern Zwitserland -1765 Haren Groningen) was professor in de wijsbegeerte en wiskunde aan de Universiteit van Groningen van 1728 tot 1765. Hij werd de eerste voorzitter van Pro Excolendo. Hij was een aanhanger van de Duitse wijsgeren Leibnitz en Wolff, man der Verlichting.

Engelhard had rechten gestudeerd in Bern en Lausanne, en in Utrecht de colleges van de theoloog Friedrich Adolphe Lampe (1683-1729) gevolgd. In 1723 werd hij hoogleraar in de filosofie aan de universiteit van Duisburg, waar hij Van Musschenbroek opvolgde die in dat jaar naar Utrecht vertrok. In 1728 volgde Engelhards benoeming in Groningen. Ongetwijfeld was hij een van de belangrijkste exponenten van de leibniziaans-wolffiaanse traditie in Nederland, al wil daarmee niet gezegd zijn dat hij haar in alle onderdelen kritiekloos aanvaardde. Engelhard overleed in 1765.

Hij was de zoon van Nicolaus Engelhard, die voor wetenschappelijke doeleinden veel in het buitenland gereisd had en in de kracht zijner jaren ambteloos was overleden, en van Dorothea Ulrich (overl. 1724), een zeer ontwikkelde vrouw, dochter van Nic. Ulrich en van Johanna Lupichia. Sedert 1711 bezocht hij het gymnasium zijner geboorteplaats, waar hij een zoo goeden aanleg voor de studie bleek te bezitten, vooral in de philosophische en wiskundige wetenschappen, dat hij daarin in 1718 en volgens 's lands gebruik in 1721 te Lausanne in het openbaar kon promoveeren. Daarna volgde hij twee jaren de colleges van prof. F.A. Lampe te Utrecht. Vervolgens werd hij hoogleeraar in de wijsbegeerte en de mathesis aan de koninklijke hoogeschool te Duisburg ter vervanging van Petrus Musschenbroek, die naar de universiteit van Utrecht was overgegaan. In 1728 uitgenoodigd onder zeer vereerende voorwaarden om het hoogleeraarschap te Groningen te aanvaarden, gaf hij daaraan gehoor en hield er zijn intrede met de rede Aranea Brahmanum emblematica (20 Aug. 1728). Hij behoorde daar tot de oprichters van het genootschap 'Pro excolendo jure patrio', waarvan hij de 1e voorzitter werd. Ook de Holl. Mij v. Wetensch. telde hem onder haar leden. Eigenaardig was zijn zinspreuk 'Bene qui latuit, bene vixit', wat aan Staring's Het kleine veiligst herinnert. Hij mag een der sieraden van de groningsche hoogeschool genoemd worden. Ook als mensch wist hij aller harten te winnen. Hij is de auteur van: De natione extensi ad mundum applicata (Duisburg 1726); De lege parsimoniae; Dissertationes variae argumenti (Groningen 1733); Feriae Groninganae varii argumenti (1736); Otium Feriis Groninganis interpositum (1740); Institutiones Philosophiae theoreticae (1743); Institutiones philosophiae moralis (verscheen na zijn dood).

In 1730 was hij gehuwd met Arnolda Leijendecker uit een akensch geslacht. Zij overleed in 1742, na hem geschonken te hebben twee zoons en een dochter: Nicolaus, die volgt, Johannes Arnoldus, die voorgaat, en Arnolda, ongehuwd in 1775 te Zuidlaren overleden.

Bronnen en websites:
• Nicolaus Engelhard (1696-1765) en zijn kritiek op de Beginselen der Natuurkunde van Petrus van Musschenbroek (1692-1761): wolffianisme versus newtonianisme - dspace.library.uu.nl

Nicolaas Engelhard ontwikkelde zich van 1711 tot 1718 op het Gymnasium Illustre te Bern, vooral in de wiskunde en filosofie, waarbij hij - zoals te doen gebruikelijk - voorlezingen gaf en deelnam aan disputen. Dit zette hij voort in Lausanne, waar hij een leerling van Johannes Petrus de Crosa (1663-1750). Hij was te Utrecht nog een tweetal jaren leerling van Lampe (?). Hij werd daarna beroepen tot de leerstoel Wijsbegeerte en Wiskunde te Duisburg, welke hij met de rede de Vero Philosopho aanvaardde.

In 1728 werd hij op aanbeveling van Bijnkershoek (?) beroepen als hoogleraar filosofie en wiskunde te Groningen; hij was daarmee de opvolger van De Crosa. Op 21 Augustus 1728 sprak hij de rede de Areana Brachmanum emblematica uit. Evenals bij zijn voorganger speelde ook bij deze benoeming de Groningse hoogleraar publiek recht Jean Barbeyrac (1674-1733) een belangrijke rol. In 1761 was hij mede-oprichter en eerste voorzitter van het nog steeds bestaande juridisch genootschap "Pro excolendo jure patrio." Engelhard werd in 1855 lid van de in 1852 opgerichte Hollandse Maatchappij der Wetenschappen.

Filosofie en theologie.
Zoals reeds uit de pagina's (lemmata?) over Bernoulli en De Crosa moge blijken was het was een roerige tijd in filosofisch en theologisch opzicht. Hier volgt een samenvatting van de positie die Engelhard hierin inneemt, voor details verwijzen we naar Van Berkel.

Engelhard was, onder meer door De Crosa, in Lausanne opgeleid in de cartesiaanse traditie. Langzamerhand echter bewoog hij in de richting van Leibniz die streefde naar een strikt mechanistische natuurfilosofie. Deze stroming was nader uitgewerkt door de Duitse filosoof Christian Wolff (1679-1754). Engelhard ontwierp een eigen variant van deze leibniziaans-wolffiaanse traditie en schreef hierover een aantal leerboeken, die lange tijd toonaangevend bleven.

Hoe is dit alles te rijmen met de nog steeds vigerende orthodoxie? Leibniz' Théodicée, waarin gesteld wordt dat een volmaakte God deze wereld geschapen heeft als de beste is van alle mogelijke werelden, werd immers beschouwd als ketterij. Bovendien bleek dat Engelhard op college ook nog eens het heliocentrische wereldbeeld van Copernicus had behandeld. Groningen was in dit opzicht tamelijk achterlijk.

Op filosofisch niveau heerste de tegenstelling Leibniz-Wolff versus Newton. In Newtoniaanse opvattingen hoefden met betrekking tot de natuurfilosofie alleen wiskundige principes te worden gehanteerd, maar volgens Leibniz-Wolff ging het niet zonder een metafysische onderbouwing. Voor meer details zie de Dictionary of seventeenth and eighteenth century Dutch philosophers, deel I.

Had De Crosa in dit opzicht nog dicht bij Bernoulli gestaan, Engelhard was filosofischer ingesteld. Hij en zijn leerling en opvolger Widder hebben hun aandacht voornamelijk besteed aan niet-wiskundige onderwerpen en moesten balanceren op een koord dat door de verschillende protestantse fracties was gespannen. Eerst met het aantreden van Antonius Brugmans in 1776 zou weer meer aandacht aan zuiver wis- en natuurkundige onderwerpen ontstaan.

Pro Excolendo.
In 1761 werd het juridische genootschap "Pro Excolendo jure patrio" opgericht door Frederik Adolf van der Marck (1719-1800), die sinds 1758 in Groningen hoogleraar natuur-, staats- en volkenrecht was. Bestaansreden van dit genootschap was het in academia overheersende Romeins recht aan te vullen met, dan wel te vervangen door, vaderlands, inheems en natuur-recht. Ook praktiserende juristen konden lid worden. Nicolaas Engelhard, tevens in de rechten gepromoveerd, was mede-oprichter en, om anciënniteitsredenen, tevens de eerste president. Zijn opvolger bij de universiteit, de hoogleraar Anthoni Brugmans (1732-1789) werd tevens zijn opvolger als president van "Pro Excolendo". Onder Brugmans leiding werd het genootschap meer algemeen wetenschappelijk van aard, dit geheel in de geest van de Verlichting. Als gezegd bestaat het genootschap "Pro Excolendo" nog steeds. Voor meer details zij verwezen naar Van Berkel.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Pageviews vandaag: 5.