Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 06-07-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Munter Ae

Er ligt in Groningen een dal omsloten door Noordbroek, Zuidbroek, Muntendam, Meeden, Westerlee, Heiligerlee, Eexta, Scheemda en Midwolda. In dat dal stroomde ooit tussen het Zwanemeer (waar nu Wildervank ligt) bij het Bourtanger hoogveen en Termunten de (veen)rivier de Oude Ae, ook wel Munte, Munter Ae, Munter Ee, Termunter Aa of Oude Æ genoemd. De breedte van de stroom de Oude Ae in dat dal is meer dan 500 meter geweest en de diepte meer dan drie meter. Bij Termunten mondde de Oude Ae uit in de Eems. De rivier zou volgens overleveringen tot Muntendam bevaarbaar zijn geweest.

De Munte zou zijn naam hebben gegeven aan de plaatsen Termunten en Muntendam, alsmede aan het Termunterzijlvest. S.J. Fockema Andreae waarschuwt in 'Studieën over waterstaatsgeschiedenis, dl. 6: Oostelijk Groningen, Leiden 1950, p. 26.' echter voor snelle conclusies: "Dat de Ae ooit Munte of Munter Ae geheten zou hebben is slechts eene gissing". In dit artikel zullen wij dus veelal de aanduiding 'Oude Ae' hanteren, maar ook wel Munte of Munter Ae.



 -   +  (klik op de min voor het achterliggende kaartje van de huidige toestand.)
Ooit stroomden in het gebied van de Dollard tussen de afzonderlijke veenkoepels meerdere riviertjes die het overtollige water naar zee voerden. Zo'n riviertje vormde vaak een breed dal, dikwijls met een slecht doorlatende ondergrond en gedeeltelijk bedekt met laagveen. In het gebied van de Dollard kennen we minstens vijf of zes van zulke rivierlopen, die meestal werden aangeduid als Ae, Aa of Ee. Door inbraken van de zee en door de tijdens de veenontginningen vanaf 1600 gegraven nieuwe kanalen is de Oude Ae grotendeels verzand. Resten zijn nog wel te vinden: de vijvers in Veendam, de kronkelende beken bij de Wiede in Muntendam, de bochten in het Winschoterdiep bij de N33. Ook boven Nieuw-Scheemda kan men de loop van de rivier tot Termunten nog goed volgen.

Een zijtak die het water van de Ooster en Wester Ae en de Siepsloot (Sijpe/Zijpe) bij Meeden in zich opnam, heette eveneens Oude Ae. Hij zette zich voort in de richting van de Oude Geut of Goot halverwege Midwolda en Nieuwolda-Oost. Dit watertje gaf tevens zijn naam aan de buurtschap Binnen Ae of Binderij bij Woldendorp.

De Oude Ae was tevens een waterloop die ontsprong in het Huningameer en bij het eiland Munnekeveen in de Dollard uitkwam. Oorspronkelijk zette hij zich vermoedelijk voort in de Fiemel Ae. Het gehucht Ekamp is genoemd naar deze waterloop.


De naam 'Munter Ae' voor de Oude Ae is afkomstig van het klooster MenterAwolde (Menterna), in het jaar 1247 als mannenklooster gesticht in het stroomdal van de rivier bij Nieuwolda. Dit belangrijke klooster gaf zijn naam aan het gebied van de Eems tot de Hondsrug dat vanaf die tijd of Menterwolde of Wold-Oldambt heet.
Later (1399?) is het (grijzemonniken)klooster door overstromingen verplaatst nabij Termunten. Het was een rijk klooster met verspreid 1150 hectare land, venen, bossen, kwelders en boerderijen zowel in Muntendam als in Termunten. Het veen bij Meeden en Muntendam was deels van dit klooster. In Muntendam was zelfs een kloosterboerderij. Op deze plek staat nu nog een boerderij met deze naam.

De Munte (Oude Ae) werd oorspronkelijk ook wel Mente of Monta genoemd. De naam Munte heeft een oude Indogermaanse stam meu met de vermoedelijke betekenis van 'vieze modderrivier'.


Bovenloop Oude Ae


De bovenloop van de rivier de Oude Ae lag ten zuidoosten van Muntendam. Deze ontstond vanuit het hoogveen ten westen van het tegenwoordige Wildervank waar verschillende veenbeken bij elkaar kwamen. Een van deze veenbeken werd gevoed door het Drentermeer of Zwanemeer. Deze meerstal lag op de plek waar thans de Westerdiepsterdallen liggen. Ten zuiden van Muntendam verbreedde de Oude Ae zich nog doordat hij de Hoetmansgruppe in zich opnam.

In het latere Veendam werden het Wester- en Oosterdiep aan weerszijden van de Oude Ae gegraven. In het centrum van Veendam leidde dat er toe dat beide diepen, die doorgaans parallel van elkaar liepen, van elkaar gingen wijken. Hierdoor kreeg Veendam een vorkstructuur. De loop van de Oude Ae is in het noorden van Veendam opgenomen in de singels en waterpartijen die door de wijken heen lopen. De straatnaam AE Kade herinnert aan de loop van de rivier.

Om wateroverlast tegen te gaan, legden de cisterciënzers van het Grijze Monnikenklooster in de late middeleeuwen een dam aan in de bovenloop van de Munte. Dat werd het begin van Muntendam. Het veenwater verzamelde zich achter deze Hoge dam (nu Bredeweg), waar het via een sluisje 'gecontroleerd' naar de Oude Ae werd geleid.

Tegenwoordig maken de vochtige graslanden bij Muntendam rond deze voormalige loop deel uit van het 46 ha grote natuurreservaat De Wiede van Staatsbosbeheer. Dit watertje werd in 1590 Muntendamster Ae of E genoemd. Afdamming en verveningen hebben tot het verdwijnen van deze bovenloop geleid. Een kronkelslootje in de polder De Wieden herinnert nog aan de vroegere rivierloop.

De polder De Wiede is rijk aan moerasijzererts. Veldverkenningen in deze polder leverden behalve kogelpotaardewerk een groot aantal ijzerslakken op, duidend op middeleeuwse exploitatie van het ijzererts. Winning en verwerking van het in het woldgebied aanwezige moerasijzererts is een economische activiteit geweest, maar op welke schaal dit gebeurde is nog niet bekend.

Vanaf Muntendam stroomde de Oude Ae, die vanaf hier vaak ook wel Munte of Munter Ee wordt genoemd, ten oosten van Broek (Zuidbroek/Uiterburen/Noordbroek) over Scheemderzwaag, 't Waar, Nieuwolda en Woldendorp naar Termunten. Op de plek waar enkele zijtakken zich bij de hoofdstroom voegden, werd het rivierdal breder. Dit waren de Leest onder Zuidbroek en de Ooster Ae (in 1391 Letze of Zyp genoemd) vanuit Meeden, die daar afsplitste van de Zype (Siepsloot) tussen Oosterlee (Heiligerlee) en Scheemda.

Tijdens de transgressiefasen (perioden met een relatieve zeespiegelstijging waardoor de kustlijn verder landinwaarts oprukt) reikte de invloed van de zee tot in dit gebied en werden mariene sedimenten afgezet. Dit had tot gevolg dat de rivierbedding van de Munter Ee verplaatsingen onderging wanneer deze dichtslibde. Zo liep het oorspronkelijke tracé van de Oude Ae waarschijnlijk tussen de zandrug van Noordbroek/Zuidbroek en de Oude Dijksterweg. Het latere tracé, nog voor de middeleeuwse ontginningen, lag meer in noordoostelijke richting ca. 2 km verderop richting Scheemderzwaag. Deze verplaatsing deed zich al tijdens de periode van Eemskleiafzettingen voor.

Zeker vanaf 500 v.Chr. toen de zeespiegel steeg stond de Oude Ae ook onder invloed van de getijdenwerking van de Eems. Vermoedelijk gaf dit wateroverlast wanneer de Oude Ae de verwerking niet aankon en overstroomde. Dit resulteerde plaatselijk in afzetting van kalkrijk klei buiten het feitelijke stroomdal en had een eroderende werking op het onderliggende veen. Dit laatste was duidelijk zichtbaar in een profielopbouw aan de rand van het stroomdal van de Oude Ae, ter hoogte van Zuidbroek (Oude Dijksterweg). In dit profiel was onder andere onrijpe Eemsklei zichtbaar (klei met relatief veel vocht), dat overging in humeuze klei met brokjes verslagen veen. Er is op deze plek ook een lengteprofiel gemaakt, waarbij de breedte van het dal 350 meter bestreek met een dalinsnijding die reikte tot -6,5 meter NAP bij een maaiveldhoogte van gemiddeld -,5 meter NAP. De vulling van het dal kon geheel in het Holoceen (het geologische tijdvak van bijna 12.000 jaar geleden tot nu) gedateerd worden. - (masterscriptie A.F. Vermue MSc, pag. 42)


De meeste onderzoekers gingen er van uit dat de rivier via de oude kleistrook waarop nu Nieuw-Scheemda en Nieuwolda liggen naar het noorden liep. Later veronderstelden meerdere auteurs - in navolging van Siemens - dat de Ae al in de late middeleeuwen zijn weg in noordoostelijke richting naar de Dollard zou hebben gezocht. Onderzoek te Zuidbroek door archeoloog Hennie Groenendijk leek dit te bevestigen. Hij vond bij opgravingen ter hoogte van de Oude Dijk bij Medemertol aanwijzingen dat de oude loop van de Ae naar het noorden al in de middeleeuwen was geblok­keerd. Op grond hiervan concludeert de waterbouwkundige H. Boer dat de rivier rond 1400 via Scheemderzwaag richting de zo'n 4 km verder noord-oostelijk gelegen Oude Geut liep, vanwaar zij dan in de richting van Nieuwolda afboog. De omstreeks deze tijd genoemde Folckerdewal of Falcker dam zou dan de oostelijke oever van de Ae betreffen, die samenviel met de pleistocene rug waarop de dorpen Scheemda, Midwolda en Oostwold in de middeleeuwen lagen. - (masterscriptie AF Vermue MSc, pag. 42)

Er zijn echter ook nog genoeg redenen om aan te nemen dat de Ae wel degelijk via Nieuw-Scheemda naar het noorden liep om daar weg te lopen. Zo werd er - volgens notities van het Groninger Scheepvaartmuseum - bij het Buiten Nieuwe Diep in 1890 op vier meter diepte een schip gevonden, waarvan het dek en de afgebroken scheepsmast nog herkenbaar waren. Ook ten westen van de Rechtewal is omstreeks 1850 op 2.50 m diepte zo'n vondst gedaan. De nabijgelegen Hooilaan en de weg door Noordbroeksterhamrik fungeerden blijkbaar als kade langs de Ae. - (Drs. Otto S. Knottnerus)

(Bij ruilverkavelingswerkzaamheden in 1975 was te zien dat zich onder de Hooilaan ten oosten van het Buiten Nieuwe Diep een veenpakket (met scherven van kogelpotaardewerk) bevond, terwijl het veen aan beide zijden was weggeslagen en vervangen door Dollardklei. De ruime verbreiding van ijzerhoudende kleilagen in de ondergrond (zogenaamde rodoorn) toont aan dat het veenwater (vanuit de Ae?) dit gebied geregeld heeft overspoeld. De hele streek rond de Hooilaan stond vanwege de slechte bodemgesteldheid nog in de negentiende eeuw bekend als Op 't rode. Deze brede strook met onvruchtbare rodoorngronden begon in Zuidbroek en liep via Nieuw-Scheemda en Nieuwolda tot aan Woldendorp.)

Benedenloop Oude Ae


Reconstructie van de loop van de Oude Ae tussen het noordelijker gelegen Nieuwolda en Termunten is nog niet afgerond. Echter, tussen het noordelijker gelegen Nieuwolda en Termunten duikt de naam Ae wel weer op. Dit deel kan gezien worden als de noordelijke voortzetting van de Oude Ae. De Munter Ee mondde bij Termunten uit in de Eems.
Bij Woldendorp zijn de meanders van de Munter Ae grotendeels intact gebleven; ze monden uit in een grenssloot tussen de beide dorpswierden van Termunten.
Het voormalig waterschap De Oude Æ lag tussen Termunten en Woldendorp en verzorgde de afwatering rond de benedenloop van de Oude Ae. Behalve deze waterloop onderhield het ook het Nieuwemaar en het Kleine Diepke. Waterstaatkundig gezien ligt het gebied sinds 2000 binnen dat van het waterschap Hunze en Aa's


Geschiedenis gebied Munter Ae (oldambt)


De ligging van de Oude Ae heeft veel invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis van het omliggende gebied en op de verkavelings- en kerspelgrenzen. Knol veronderstelt dat de oeverwal van de Oude Ae de basis was van waaruit het veengebied werd gekoloniseerd.

In de omgeving van Noordbroek en Zuidbroek zijn vooral rond het voormalige beekdal van de Oude Ae, op een uitloper van de zandrug van Noordbroek een aantal vondsten gedaan uit het Mesolithicum (de periode na de laatste ijstijd, vanaf ca. 10.500 v.Chr.). Deze locatie was aantrekkelijk voor de prehistorische mens, aangezien er vruchtbare Eemsklei werd afgezet via het geulensysteem van de Eems, waartoe de Oude Ae hoort. Prehistorische sporen jonger dan late bronstijd-vroege ijzertijd (1100 - 800 v.Chr.) zijn niet aanwezig, mogelijk heeft de getijdenwerking van de Eems de bewoning weggejaagd.

De veengroei die zo'n 8000 jaar geleden aan het einde van het Atlanticum op gang kwam, heeft tot uitgebreide veencomplexen geleid, waardoor de eerste bewoningsmogelijkheden werden begrensd tot de randen van de beekdalen en zandruggen. Ook het Dollardgebied is relatief laat bewoond geraakt omdat het overgrote deel van dit gebied uit veencomplexen bestond. In de 9e en 10e eeuw na Chr. ontstaan de eerste veennederzettingen en vanaf de 12e eeuw raakt het gebied geheel bewoond. Vanaf dat moment werd een groter veengebied ontgonnen en gebruikt als akkerbouwgrond. Archeologische vondsten die worden gedaan in het Oldambt bestaan dan ook vooral uit laat-middeleeuwse sporen van akkers en bewoning. Dit komt omdat de sporen in het veen goed worden geconserveerd onder de jongste klei-afzettingen van de Dollard.

De eerste ontginningen van de natte veengebieden in de 12e eeuw waren kleinschalig en onregelmatig. De bewoning bevond zich over het algemeen op de randen van de beekdalen en zandruggen. Er was sprake van een agrarische samenleving waarbij in het Wold-Oldambt op de hogere gronden vooral rogge werd verbouwd. De lage en natte gebieden werden gebruikt als hooiland en weide. Er wordt verondersteld dat er zelfs al aan grondverbetering werd gedaan om het veen geschikt te maken voor de akkerbouw, dit gebeurde door het veen met zand te vermengen. De afvoer van het veenwater gebeurde via de beken en riviertjes, zoals de Oude Ae die afwaterde in de Eems.

Toen vanaf de 12e eeuw de kolonisatie van het Woldgebied op gang kwam werd het gebied in grotere mate ontgonnen, dit gebeurde volgens een bepaalde ontginningstechniek (welke tot op heden ook is terug te zien in landschappen in verschillende landen rond de Oostzee en Noordzee, zoals bij Lincolnshire-Engeland). Als eerste moesten er ontwateringssloten worden gegraven om de bovenste lagen van het veen te ontwateren. Men kon het veen betreden en de akkers aanleggen wanneer er voldoende was ontwaterd. Nadat de aanwezige begroeiing was weggehaald kon het land worden bewerkt.

Goede systematiek zoals we die kennen uit de zeventiende-eeuwse Groningse veenontginningen (waarbij het water niet achter ruggen en dijken werd gestuwd maar via de hoofdontginningsas afgevoerd, alvorens het veen zelf werd aangepakt) was de middeleeuwer dus nog vreemd. Het resultaat was dat door drainage het veen ging krimpen en oxyderen. Agrarisch gebruik versterkte de oxydatie van het veenoppervlak nog eens. Het gevolg was dat het maaiveld ging dalen, waardoor uiteindelijk een relatieve stijging van de grondwaterspiegel optrad. Dit had tot resultaat dat de akkers te nat werden om tot goede opbrengsten te komen, wat op termijn kon leiden tot de verplaatsing van nederzettingen. De verschuiving van een nederzetting is kenmerkend voor veengebieden. Wanneer de (oude) nederzettingen zich verplaatsten ontstonden verschillende ontginnings-/nederzettingsassen, afkomstig uit verschillende fasen. In het Oldambt zijn meerdere dorpen (soms meerdere malen) verplaatst, voorbeelden zijn: Noordbroek, Zuidbroek, Midwolda en Meeden. Vergelijkbare veengebieden waar een fasering in de nederzettingsgeschiedenis zich voor deed zijn gelegen in Oostfriesland (Duitsland) en Holland.

De ontginning van het veen begon gewoonlijk vanuit de wat hoger gelegen rivieroevers. Om vast te stellen waar de oudste ontginningsdorpen lagen, moeten we dus precies weten waar deze waterlopen zich bevonden. De oude loop van rivieren als de Munter Ae, de Siepsloot en andere stromen liggen echter grotendeels verborgen onder de Dollardklei achtergelaten na overstromingen vanuit de monding van de Eems. Het zijn vooral inversieruggen in het landschap, ontstaan doordat het omliggende veenland sneller wegzakte dan de rivierbedding, die aangeven waar de rivieren kunnen hebben gelopen. Verder worden er door onderzoekers bij allerlei opgravingen, bodemmonsters en vondsten van voormalige waterwerken of natuurlijke blokkeringen nog wel eens wat conclusies getrokken, maar het blijft daarbij soms nog giswerk hoe het werkelijk zat.

In het dal van de Munte is de grondslag vooral klei met daaronder veen. Hoe is die klei daar gekomen en wat weet men van het veen onder die klei? Een kaart uit 1277 waar in het Latijn op staat dat in dit gebied 33 dorpen door overstroming ten onder zijn gegaan klopt misschien niet helemaal. Maar uit verschillende oude bronnen en oude kaarten gecombineerd met nieuw onderzoek kunnen we echter wel het een en ander afleiden.

Aanvallen vanuit de Eems en de zee


In 1146 zijn de kusten geteisterd door de Julianavloed.

In 1219 zijn de dijken van de Eems doorgebroken. Zeven dorpen gingen verloren. Dit werd de Marcellusvloed genoemd.
Bij de eerste Sint-Marcellusvloed, op 16 januari 1219, de naamdag van de heilige Marcellus, werden, net als bij de Allerheiligenvloed (1170), de Sint-Nicolaasvloed (1196) en de stormvloed van 1214, grote delen van Noord-Nederland en het Zuiderzeegebied overstroomd. Deze stormvloed was vooral zo desastreus, omdat na de storm het water met eb niet veel zakte en bovendien de daaropvolgende vloed de storm nog eens verder aanwakkerde. Hierdoor braken de dijken die nog over waren alsnog grotendeels weg. Deze combinatie, tezamen met het feit dat er vier grote stormvloeden en overstromingen waren in 50 jaar, leidde ertoe dat er twee grote binnenzeeën in Nederland ontstonden, namelijk de Zuiderzee en de Waddenzee.


In 1221 baande het zeewater zich een doortocht tussen de terpengebieden in het Noorden van Groningen tot de zandgronden.

In 1248 braken overal de zeedijken van Fivelingo door.

In 1262 woedde er een hevige storm. De sluis in het Vischmaar bij Garrelsweer werd weggeslagen en het gehele gebied ten zuiden van de Delf werd overstroomd. De Delf is een, waarschijnlijk nog voor het jaar 1000 aangelegde, waterweg van Delfzijl ( = zijl in de Delf) naar Winsum. Het is de voorloper van het Damsterdiep en het Winsumerdiep, die oorspronkelijk met elkaar in verbinding stonden.

In 1287 waren er geweldige overstromingen tussen Eems en Lauwers. Het aantal omgekomenen in dit gebied wordt door de vervolgschrijver van Menko in de kroniek van Bloemhof geschat op 20.000.

Onder het jaar 1290 vermeldt Menko: 'In deze vergadering der wateren is het oude zijlstede te Oterdum (tussen Delfzijl en Termunten) van zijn grondvesten gerukt en de wateren overschreden hun grenzen en vulden alle weiden.'

Marcellusvloed 1362. Ontstaan van de oostelijke boezem Dollard?
In 1362 trof de provincie een wel zeer grote ramp. De tweede Sint-Marcellusvloed of Eerste Grote Mandränke (grote verdrinking van mensen). Deze vloed sloeg een gat in de dijk bij Jansum ten noordoosten van de Punt van Reide, Reiderland overstroomde en daarmee was de oostelijke boezem van de Dollard ontstaan.


De geschiedenis van de dijken rondom het dal van de Oude Ae neemt een aanvang vóór de genoemde overstromingen van de Eems. De bevolking heeft naast hinder van het water vanuit de zee en de monding van de Eems namelijk ook hinder van het overtollige binnenwater, zoals het zure veenwater dat komt uit het Bourtangermoeras. Historische bronnen duiden op belangrijke overstromingen en wateroverlast tijdens het laat-middeleeuwse gebruik in alle ontgonnen veengebieden van het Oldambt. Een aantal dijken had hierdoor een dubbele functie.

Zo spreekt Menko (Kroniek van Wittewierum) onder het jaar 1272 van grote nood. Hij noemt vier oorzaken: ten eerste hebben de kruisvaarders het gereed geld meegenomen; ten tweede is ten gevolge van grote regenval gedurende vier jaren maar weinig koren gegroeid, vooral in de Woldstreken, waar andere jaren juist overvloed pleegt te zijn; ten derde heeft de bisschop van Munster de markten aan de Eems voor de mensen die woonden ten westen van de rivier verboden, waardoor zij hun vee niet konden verkopen noch voor zichzelf het nodige verschaffen door boter, kaas en eieren te leveren; ten vierde heeft reeds zeven jaren lang de veeziekte gewoed, waardoor de meeste dieren gestorven zijn. In twee jaar stierven bijna overal de schapen, zodat de mensen hun honger ook niet konden stillen met melkspijs, zoals zij gewoon waren. Menko vertelt hierbij dat in deze duurte de Woldjers het meeste in benauwdheid raakten, bovenal in Oostwold en in Noord- en Zuidbroek.


In 1399 (of 1299?) moest de cisterciënzerabdij Menterwolde (het Grijzemonnikenklooster) -Campus Silvae (Boskamp) genoemd in 1220, (nu Olde Stoeve te Nieuwolda) - gesticht in 1247 te Menterwolde tussen het tegenwoordige Midwolda en Nieuwolda, verlaten worden vanwege het hoge water.

Ontginning veendal Oude Ae




Schematische west-oost doorsnede door het Wold Oldambt en aangrenzende veengebieden. In de doorsnede is de plaats van de opgraving (oud kerkhof) aangegeven.
Legenda: 1. veenopppervlak 1000-1200 AD: 2. maaiveld 1400-1500 AD; 3. huidige maaiveld: 4. Dollardklei: 5. veen: 6. zand- en keileemondergrond 9. afgeticheld terrein; 1O. geul langs de keileemrug van Scheemda. Tek. J.H. Zwier.


Het dal van de Oude Ae lag in een ongeveer 40-50 km2 groot veengebied dat aan de westzijde begrensd werd door het ruggencomplex van Muntendam-Zuidbroek-Noordbroek, aan de zuidzijde door de rug van Muntendam-Meeden-Westerlee en aan de oostzijde door het keileemschiereiland van Eexta-Scheemda-Winschoten. Aan de noordzijde zette het veengebied zich vele kilometers voort. In de doorsnede hierboven zijn de ruggen van Noordbroek en Scheemda zichtbaar. De rug van Noordbroek-Muntendam is deels door veen overgroeid; de rug van Meeden is grotendeels door veen overgroeid.
De uitgestrekte venen die ten zuiden en zuidwesten van het Wold-Oldambt lagen loosden hun overtollige water via een aantal riviertjes noordwaarts op de Eems, hierbij het Oldambt doorsnijdend. Om ervoor te zorgen, dat de akkers op de veengronden in het Oldambt niet onder water liepen, werd het water 's-zomers in het binnenland gestuwd. De bovengenoemde (keileem)ruggen die van Noordbroek-Zuidbroek-Muntendam-Meeden-Westerlee-Eexta naar Winschoten lopen, fungeerden hierbij als natuurlijke dijken. Op een aantal plaatsen waar de natuurlijke barrière door de rivieren werd onderbroken werden kunstdijken aangelegd.

De waterstroming vanaf het hoger gelegen deel van het Bourtanger Veen ten zuiden van de zandrug van Meeden-Westerlee vormde een permanente bedreiging. Door de inklinking van het veen ging deze door veen overgroeide rug weliswaar weer als natuurlijke barrière fungeren, maar door de naar het zuiden oplopende ondergrond (bijna 2,50 m +N.A.P.) en daarop liggende veenpakketten, werd hier vaak een waterstand bereikt die in de buurt van 2,50 m +N.A.P. lag, iets hoger dan de zandrug en ongeveer 1,50 m hoger dan de akkers in het dal van de Munter Ae en van de Siepsloot. Bij een dergelijk verschil in waterstanden zullen de zijlen in de dijken die het dal afsloten nauwelijks te behouden zijn geweest.

In de rivierdalen van de Zype of het Revier (Oude of Munter Ae) tussen Muntendam en Meeden, en de Zyp ofwel Letze (Siepsloot) verrezen dijken met daarin zijlen om het water naar believen te kunnen stuwen en lozen. De dijk tussen Muntendam en Meeden in het dal van de Oude Ae is tegenwoordig nog aanwezig en heet 'Brede Weg'. Aan deze dijk of beter gezegd dam heeft het dorp Muntendam haar naam te danken.

In 1391, zo'n kleine 300 jaar na de eerste ontginningen, was het reeds nodig de regionale waterafvoer door uitvoerige en harde afspraken te regelen. De verschillende belanghebbenden in het Oldambt en Reiderland regelden het stuwen van het veenwater door het toeslaan van natuurlijke en kunstmatige waterlopen tussen 22 februari en 29 september tot 11 november. Het toeslaan van de waterlopen leverde regelmatig problemen op, wanneer men vanwege hoge buitenwaterstanden de zijlen gesloten moest houden en het veenwater niet gespuid kon worden, waardoor het (zure) water over de akkers liep. Juist 's-winters is het neerslagoverschot het grootst en dus ook de afvoer van het overtollige veenwater. De waterstaatkundige overeenkomst gesloten in 1391 werd na enige twisten hernieuwd in 1420.

En dan lezen wij van twee grensverdragen in 1391 en 1420 tussen hoofdelingen van Reiderland en van Oldambt betreffende waterkeringen die nauwkeu­rige informatie geven over de loop van de Ae:
Het eerste stuk is minder concreet. De rivier loopt 'voort door die hemmericke toe den Zyl Ter Munte'. De betrokkenen moeten bovendien 'dagelycx ... den Eedyck heel holden al omme in den Swage'.
Het tweede stuk is veel concreter. Het water van de Ae loopt eerst 'na Bruick' (Broek) en vandaar 'na den Swaich, und vort an to den siell to Munte, de alle Oldeampen waternen utdragen'. Swaich (Zwaag) betreft hier vermoedelijk niet alleen het huidige Scheemderzwaag (oftewel Lutke Swaech), maar de hele streek langs de rivier van de Grote Swaech bij Wagenborgen tot aan het gelijkna­mige dorpje Zwaag ten zuidenoosten van Woldendorp. Het dorp Zwaag had vermoedelijk flink te lijden van het rivierwater. Gedurende drie decennia was de bevolking zo sterk teruggelopen, dat er in 1419 behalve de kerk nog slechts twee huizen waren overgebleven. De zielszorg werd daarom overgenomen door het Grijzemonnikenklooster. - (Historische geografie van het Dollardgebied - Otto S. Knottnerus)

De Smet zegt over de overeenkomsten dat de afwatering van het Reiderland er niet bij betrokken is en concludeert dat de oprukkende zee hieraan debet zal zijn. De afwatering van een klein deel van Reiderland was echter wel degelijk in de overeenkomsten betrokken in de vorm van de plaatsen Westerlee en Heiligerlee. In de overeenkomsten wordt zelfs speciaal gesteld dat deze plaatsen via Termunten (via dal Oldambt) mogen afwateren. Hoewel Westerlee gezien haar ligging waarschijnlijk altijd al via Termunten heeft moeten afwateren, moeten we in het geval Heiligerlee de bepaling zien als een noodzakelijke gunst. Deze plaats, of beter gezegd het hier liggende klooster Mons Sion, kon namelijk ook in noordoostelijke richting door het Reiderland afwateren in plaats van het Oldambt. Omdat het Reiderland grotendeels door de zee was aangetast, moest de afwatering van het resterende deel anders geregeld worden. Om via de Oude of Munter Ae naar Termunten te kunnen afwateren, groef men voor de kloosterlanderijen de Nieuwe of Monnikesloot, die via een aantal andere waterwegen op de Ae aansloot.



De situatie voor 1970 van het zuidwestelijk deel van het Wold-Oldambt. Het middeleeuwse weg- en waterpatroon is nog grotendeels intact.
1. Verdwenen kerken; 2. Huidige kerken.
Het bestaan van een oud kerkhof bij Noordbroek is niet zeker.
De namen 'Galgeweg' en 'Oude weg' zijn niet oorspronkelijk. Het is niet uit te sluiten dat de Galgeweg destijds doorliep naar Eexta. Ten westen van
Eexta treffen we de sporen aan van een oude bedding van de Oude Ae (onderbroken lijn). De Siepsloot sloot oudtijds aan op de Ooster Ae. Tussen de Hooilaan en de Ooster Ae loopt een gegraven watering, een deel van de in de overeenkomst van 1391 genoemde Zijtwending (tekening J.H. Zwier, B.A.I.)


De overeenkomst was niet voor iedereen even gunstig. In 1411 en 1414 is er sprake van geschillen en van het doorsteken van dijken. Het was in de tijd van de twisten tussen de Schieringers en de Vetkopers.

De dijk die in 1411 te Muntendam werd doorgestoken zal vooral bedoeld zijn geweest om het zure veenwater dat uit het westelijk gelegen veengebied Duurswold (Hoogezand, Sappemeer) kwam buiten het ontgonnen gebied bij (het oude) Scheemda, Midwolda, Oostwold, Meeden en Eexta te houden. Vermoedelijk had veenwater zich dusdanig opgehoopt, dat de dorpen Noordbroek, Zuidbroek en Muntendam er last van kregen. Door de dijk door te steken kon het water in noordoostelijke richting wegvloeien, maar passeerde daarbij wel de akkers van de genoemde dorpen. De onenigheid werd bijgelegd en de dijk hersteld. Deze dijk lag volgens sommigen ten noorden van de bovengenoemde Brede Weg, liggend tussen Zuidbroek en Muntendam. De tegenwoordige Hondelaan of 'Onloane' zou een restant van de dijk zijn. Het is echter waarschijnlijk dat dit een dijk uit de tweede helft van de 16e eeuw is, aangelegd om land terug te winnen dat door de Dollard verloren was gegaan, en dus niets te maken heeft met de situatie uit het begin van de 15e eeuw, waarin het veenwater primair staat. Het incident uit 1411 moet dan ook betrekking hebben op de reeds eerder genoemde Brede Weg of op een veendijk die lag te Tusschenklappen, tussen Muntendam en Zuidbroek.
De vrij nauwkeurig te reconstrueren hoogtes van deze dorpen en dijken geven een indicatie van de waterstanden die bij deze onenigheid in het geding waren. Daar wordt nog nader op ingegaan. Even ten westen van de lijn Zuidbroek-Muntendam en ten zuiden van de lijn Muntendam-Meeden liepen oudtijds veendijken. Een klein deel is nog intact, de rest weerklinkt in veldnamen als Boven Veendijksloot, Beneden Veendijksloot. De dijk tussen Muntendam en Zuidbroek kwam hierboven reeds ter sprake. Het is echter met duidelijk of de veendijk ten zuiden van de lijn Muntendam-Meeden in de late middeleeuwen reeds functioneerde. Zij wordt niet genoemd in de overeenkomsten uit 1391 en 1420. Wel is er in 1612 te Meeden sprake van de 'olde vehndijck' (Achterop, 1969: P: 61), maar dat sluit een eventuele datering van de dijk in de tweede helft van de 16e eeuw, dus na de dorpsverplaatsingen in het Wold-Oldambt, niet uit. Bovendien stelde deze dijk niet veel voor; het was in feite een niet afgegraven veenril (H.A. Groenendijk, mondelinge mededeling).

We kennen uit de 15e eeuw meldingen over achterstallig dijkonderhoud en vernietiging van sluizen in onderlinge twisten (Kooper, 1939, pp: 164, 165; De Smet, 1961: p. 51). Hierdoor kon de Dollard gemakkelijk het land binnendringen en, wat veel erger was, de afvoer van het veenwater werd ontregeld.

In 1420 sloten de hoofdelingen van Reiderland en Oldambt een overeenkomst dat zij elkander niet lastig zouden wezen. In 1425 werd hulp toegezegd voor het onderhoud van de dijken door de stad Groningen, Hunsingo en Fivelingo.

In 1427 werd een overeenkomst van nog groter formaat gesloten en wel tussen de abten, prelaten, priesters, hoofdelingen en mene meenten van Hunsingo, Fivelingo, Oldambt, Reiderland, Langewold, Vredewold, Humerland en Middach op aandrang van de hoofdelingen over de Eems. De overeenkomst werd gesloten omdat de landen te krank waren om op zichzelf te staan door tweedracht en partijtwisten; zij zou twintig jaar duren; zo nodig zouden de hoofdelingen van over de Eems hun bemiddeling verlenen tot beslechting van geschillen. Men zou elkaar helpen bij watersnood. over het leggen van dijken in Oldambt werd bepaald: 'wie, buiten het Oldambt wonende en aldaar ervende hebben, niet voldoet aan de een opvordering om naar de grootte van zijn land te helpen de dijken te onderhouden, verbeurt zijn erve ten gunste van het gemene land; allen die boven de Delfdijk wonende tot Hogebrug toe, zullen het Oldambt helpen maken een dijk van Westerreide tot Finsterwolde en zij die binnen de dijk wonen zullen Eppo Gockinga te Broek en het Oldambt helpen om de dijk verder aan te leggen in het Wold; als dit niet lukt, zullen alle Oldambten helpen, opdat zij niet van watersnood vergaan.'

In 1441 kwamen de afgevaardigen van de mene meenten van Oosterreide en Westerreide, Fimele, Dallingweer, Merer en Lesser Munten, Baemsum, Woltmandorp, Borgsweer, Midwolda, Wagenborgen, Noordbroek en Zuidbroek, Meeden, Eexta, Scheemda, Oostwold en Finsterwolde bij elkaar en maakten de volgende afspraak: 'vrijwillig en eendrachtig dijkrechters te kiezen; de bevelen van de dijkrechters te zullen uitvoeren; de geschillen op te schorten gedurende de uitvoeringen van het dijkswerk.'

In 1454 sloten Stad en Lande en de hoofdelingen, rechters en mene meenten van het Oldambt nog een overeenkomst om de Reiderdijken tussen Palmar en Finsterwolde te maken en te onderhouden.

Het leek echter wel dweilen met de kraan open. Door de continue daling van het maaiveld was een groot, laag gelegen bekken ontstaan, waarin veenwater uit het ten zuiden van Reiderland en het Wold-Oldambt gelegen Bourtanger Moor en het water uit de met afvoerproblemen kampende rivier de Eems gemakkelijk konden binnendringen (Casparie & Molema, 1990).
De bewoners poogden door het toeslaan van natuurlijke en kunstmatige waterlopen en het leggen van dammen in rivierdalen (Oude Ae, Siepsloot) het veenwater periodiek tegen te houden. Men kon zodoende toch nog het land bewerken en oogsten. 's Winters liet men het gestuwde water de vrije loop (Ramaer, 1909; Achterop et al., 1969; Casparie & Molema, 1990).
Het Eemswater en zeewater dat de noordoostrand van het gebied bedreigde, poogde men door bedijkingen te temmen. Ondanks alle maatregelen mislukte uiteindelijk de bescherming en zou de Dollard het gebied in bezit nemen.

Westelijke Dollardboezem


Die dijk van 1454 heeft het uitgehouden tot 1507. Toen brak zij door en begint de westelijke Dollardboezem zich te vormen. En het zeewater kwam tot Noordbroek en Zuidbroek en Muntendam en Meeden. Omstreeks 1518 komt het Dollardwater zelfs tot nabij Groningen. De mene meenten zullen hun best hebben gedaan om ze te herstellen, maar in 1519 moesten zij de strijd opgeven.

Vanaf de tweede helft van de 16e eeuw konden delen van het verloren land langzamerhand weer worden ingepolderd. Het oorspronkelijke veenlandschap was nu echter bedekt met een pakket klei.

De inwoners van Noord- en Zuidbroek werden in 1545 door het Groninger stadsbestuur gewaarschuwd dat ze geen landerijen “over de olde Ee” mochten afgraven of anderszins gebruiken. Ook de afwijkende verkavelingsrichting in dit gebied en het onregelmatige verloop van de gemeentegrens tussen Noordbroek en Scheemda - vroeger mogelijk Hongersloot genoemd - is eigenlijk alleen te verklaren vanuit het verloop van de rivier die als scheiding tussen beide kerspelen diende. Het slootje ten westen van de Oudedijksterweg heette nog rond 1850 de Oude Aa-sloot.

De meest gedetailleerde informatie over de loop van de Ae is een verslag over het dijkherstel in augustus 1573, waarbij stadssecretaris Egbert Alting korte aantekeningen maakte over het dijktracé van de Eideweg of Aeylewegh te Noordbroeksterhamrik tot de sluis van de Oude Ae bij de Meedemer tol (Krommerakken?). In trefwoorden noteerde hij eerst de belangrijkste problemen bij het dijkherstel. De oude sluis (zijl) was dichtgespijkerd, de zeedijken van 3 meter hoog en de binnendijken van 1.20 m moeten hersteld worden. Noordbroek zou voortaan zijn water via de sluis bij Zuidbroek kwijt kunnen, maar daarvoor dubbel zijlschot moeten betalen. Alle landerijen zouden op gelijke voet moest meebetalen. Men wilde bovendien een dijkje maken van de Eideweg naar de Veendijk onder Siddeburen, om het veenwater tegen te houden:

… de zijl togenagelt / de pompe tot de Hoijwech // zijlen wech / zuijdtwendige / dijckbreeff / nu een nije dyckbrieff to maken daer in gras gras glijck gestelt.

- 5 elle hoech - 9 breet // 2 elle hoech 5 breet dat noertbroecke mit de anderen moeghen mede wthwateren vp dubbelt zyelschot g[ra]s g[ra]s ge[lyk]. …

Noertbroeke 800 - Roe binnen de Zydtwendige -j - Roede licht open anden veendyck aeuerst dat se den Aylen wech moegen sluyten ander Veendyck, waervan se dan der waterpendinge to maken[de] gemeent…


De Geute was een naar het zuiden lopend afwateringskanaaltje tussen Noord­broek en Noordbroeksterhamrik. Met Zijdwendinge werd de dijk langs de Siepsloot bij Korengarst genoemd, op de plek waar nu de verharde weg door Noordbroeksterhamrik ligt. Vanuit deze Zijdwendinge liep de dijk dan via de Hooilaan naar de huidige weg van Scheemda naar Noord­broek, een kade die eveneens Zijdwendinge werd genoemd, om vervolgens via de Oude Dijk bij de Karmerzijl te eindigen:

… Johan Tamts huys ande Zydtwendinge voert ander Goete / hyr lopt der AE - tusschen in / ende weijnich van daer / na den Hoywech edder suydtwendinge tho / lopt se weder uthwert buten dyckes ende also nu binnen dan buiten er­schynende /- ist der scheyding tusschen de vander Schembde ende Noertbroecke…


Een nogmaals samengevat: … de affbakinge van de vß. suydtwendinge by de Goete langhes ander ooster sijdt bet de Aylen wech / Karmer Zyll tegh[en] Suydtbroke in de AE…


Twee conclusies kunnen we hieruit trekken: in de eerste plaats was de slingerende loop van de Ae nog goed te herkennen aan beide zijden van de Oudedijksterweg. Daarnaast is de plek waar de Ae vanuit Muntendam in de Dollard uitkwam precies aan te wijzen: niet bij Scheemderzwaag zoals Boer schrijft, maar bij Krommerakken oftewel Meedemer tol onder Zuidbroek. Ook verwante namen als Kuinder en Kundersloot geven trouwens al aan dat hier oorspronkelijk de Karmerzijl te vinden was.

Waar de grondpomp in de Hooilaan toe diende, is niet direct duidelijk. Het bijbehorende inpolde­ringscontract spreekt echter uitdrukkelijk over een afzonderlijke sluis in de Oude Dijk, de zoge­naamde Goetsijl, waarlangs Noordbroek in de Dollard uitwaterde. Mogelijk was een sluisje dat omstreeks 1976 bij ruilverkavelingswerkzaamheden bij de kruising Scheemderweg-Oude Dijk zichtbaar werd hiervan een restant.

In de jaren 1585-1588 werd langs hetzelfde tracé in opdracht van het Groninger stadsbestuur een nieuw kanaal gegraven, dat via Slochteren en Stootshorn over Noordbroek naar de Geut liep. Via de Geut leidde men dit kanaal (het Mosseldiep) naar de Karmerzijl, die vervolgens - om overvallen van de watergeuzen te verhinderen - extra goed bewaakt werd. Buitendijks liep dit kanaal verder via het Papen- of Mensediep (ook wel Mense Hoensdiep) naar Eexta, om via het Opdiep (oftewel de Gaergruppe) en de Tjamme over Heiligerlee naar Winschoten te gaan. Deze vaarweg heeft echter maar kort gefunctioneerd.


Uit zestiende en zeventiende-eeuwse stukken en uit recentere kaarten is er voldoende topografische informatie te halen om het verdere tracé van de Ae te kunnen achterha­len. Zo hebben we de Bolderij en de Olde Diepswalle te Noordbroeksterhamrik, de Olde Ehe, Ol Drij, Beide Sassen (= sluizen of monden), de Boorden en de Groote en Kleijne Ham te Nieuw-Scheemda, de Ol IJ en het Eiland te 't Waar, de Ae-weg en de Ae-landen in Nieuwolda-West, de Lagerie te Nieuwolda. Onregelma­tige perceelsgrenzen en kronkelslootjes verraadden de vroegere meanders. De meeste boerderijen in Nieuwolda-West strekten zich rond 1600 uit van over de Ae tot in de Fledder (= moeras) bij Wagen­borgen. Ook Cornelius Edskens tekent in zijn Dollardkaart van ca. 1640 de loop van de Ae langs de Hoofdweg door 't Waar en Nieuwolda. Eerst ten oosten van dit dorp liep de vroegere rivier volgens hem buitendijks. De landerijen ten zuidoosten van de Rechtewal strekten zich het begin van de zeventiende eeuw uit tot aan de vroegere loop van de Ae, vanaf de Hooilaan reikten zij tot aan “de Ehe offte Schembderwech”.

De mens bleef niet stilzitten en begon het land weer te veroveren. Er is een verslag van een landmeter die in 1577 het buitenland te Noordbroek heeft opgemeten. Dat gebied heette toen de Klippers Bult. Jochem Wijpkens en anderen die daar woonden lieten hem komen om ieder zijn opstrekkende heerd toe te meten. De totale breedte van het oude aansluitende land was 2063 voet (ca. 619 meter). Aansluitend bij het oude land meette hij 2108 voet (632 meter) en het oostelijk eind 2068 voet. De breedte van dat nieuwe land verschilde dus weinig van die van het oude land en elke landbouwer kreeg ongeveer een recht opstrekkende heerd.

Er wordt in datzelfde verslag van de landmeter nog wel gesproken over een meer. En uit een oprichtingsbrief van het Termunterzijlvest in 1601 blijkt dat men in dat jaar geen last meer had van zeewater. De strijd ging blijkens die brief alleen nog tegen het uit de venen opkomende water. De regeling in deze brief bleek echter niet voldoende. Men had nog te veel last van het veenwater. Er werd in 1637 een regeling met de stad Groningen getroffen dat het water van de venen ten zuiden van Muntendam op geheel andere wijze zou worden afgevoerd naar de zee. Het Muntendammerdiep zou worden gegraven en dan zou de afvoer verder plaatsvinden langs Winschoterdiep en Reitdiep.
En zo gebeurde het en driehonderd jaar lang werden massa's veenwater op deze wijze naar zee afgevoerd. De oude landen behielden hun waterafvoer door het Termunterzijldiep. De molens pompten het water op uit het Termunterzijldiep en het meren en kanalenstelsel dat daar in uitmondde, een stelsel dat in de loop der jaren ging bestaan uit Siep, Ringsloot, Lutjemaar, Hondhalstermaar, Buiten-Nieuwediep en Papendiep-Mensediep. Het eerste kanaaltje mondde uit ten noorden van Nieuwolda, het tweede bij 't Waar en het derde bij Scheemderzwaag.

22 november 1686 heerste er een zware storm en braken de dijken weer op vele plaatsen door. De zee kwam nogmaals tot Noordbroek en Zuidbroek en vele dieren vonden de dood. De drost Wichers heeft toen veel moeten doen om mens en dieren te redden. Ook in 1717 heerste weer een verschrikkelijke storm en werden in Noordbroeksterhamrik 18 woningen vernield.

Ook van het binnenwater heeft men nog veel last gehad. Tot 1805 stonden het Meerland, de Evenreiten en een groot deel van Noordbroeksterhamrik des winters geheel onder water, zodat men van Noordbroek kon schaatsen naar Scheemda, Nieuw-Scheemda en Midwolda. Maar in dat jaar verbeterde men met 600 man het Termunterzijldiep en 8 augustus van dat jaar werd op een extra zijlvestendag in Zuidbroek gerapporteerd dat het diep voltooid was.

In 1863 werd het Termunterzijlvest omgezet in het waterschap Oldambt. Door het nieuwe waterschap werd bijna het gehele waterlopenstelsel onder handen genomen: Het Buiten Nieuwediep te Noordbroek en het Mense- en Papendiep kregen een verbeterde loop. Keersluizen (klieven genoemd) die de kanalen van de algemene boezem afsloten werden meest opgeruimd. Door het verbeteren van bestaande molens en het gebruik van stoom werd de toestand aanmerkelijk verbeterd. Nog onbemalen landen werden onder bemaling gebracht.

Bronnen:
• H. Antonides, 'Noord- en Zuidbroek in vroegere jaren' (Noordbroek 1973)
Noordbroek - een interdisciplinair onderzoek naar de vorming en ingebruikname van de kleilanden in de 15e en 16e eeuw - A.F. (Annelies) Vermue
Historische geografie van het Dollardgebied - Otto S. Knottnerus
MenterAroute, Menterwolde en het Wold-Oldambt.

CASPARlE. W.A. & J. MOLEMA. 1990. De ontwikkeling van het middeleeuwse veenontginningslandschap in Oost-Groningen. De opgravingen op het 'Oud Kerkhof' van Scheemda in een veenkundig, hydrologisch en historisch perspectief. - ugp.rug.nl/Palaeohistoria (pdf)

Van De Mieden, Egeste en Broke
De middeleeuwse nederzettingsgeschiedenis van het zuidwestelijk Woldoldambt inkort bestek J. Molema
Biologisch-Archaeologisch Instituut, Groningen, Nederland (1994) - ugp.rug.nl/Palaeohistoria (pdf)


AAN DE OEVERS VAN DE AE; Verdwenen landschappen onder de Dollard klei Henny Groenendijk, John Smit.


Pageviews vandaag: 10.