Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 30-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Münster

Dichtbij de Eems, ongeveer 150 km vanaf de monding lag de stad Münster. Toen het Frankische rijk in +- 800 n.Chr. op het hoogtepunt van zijn macht stond, zetelde Karel de Grote in Aken. Hij bevorderde het Christendom. De rivieren, de natuurlijke waterwegen, waren een belangrijke factor voor hem bij de indeling van zijn gebied, zowel kerkelijk als burgerlijk. Hij wees dan ook het gebied ten westen van de Eems tot aan de Lauwers aan Ludger toe voor de evangelieprediking. Later stelde hij Ludger aan als bisschop van Münster.

Karel de Grote liet het burgerlijk gezag en de rechtspraak veelal zoals het bestond bestaan bij de overwonnen volken. De bevoegdheden van de volksvergaderingen en de grondbezitters werden niet aangetast. En om rechtszekerheid te scheppen werden in zijn tijd de geldende rechtsregels opgeschreven in o.a. de lex Frisionum, de wet van de Friezen.

Na de dood van Karel de Grote viel het Frankische rijk uiteen en kreeg de bisschop van Münster steeds meer macht. Deze bisschop, of zijn plaatsvervanger de officiaal, ging op geregelde tijden langs bij de parochies en kloosters in zijn gebied en organiseerde er synodes, toen zeenden genoemd.

De bisdommen waren in dekanaten verdeeld. Zo behoorden de parochies Noord- en Zuidbroek bij het dekanaat Farmsum. De dekens waren aanvankelijk geestelijken, later waren dit ook wel personen van de adel. Deze dekens waren belast met de rechtspraak in kerkelijke zaken: als er op kerkelijke feestdagen gewerkt werd, kinderen hun ouders sloegen, er op heilige dagen gevochten werd en als er woeker werd genomen. De overtreder moest dan boete betalen aan de benadeelde en breuk aan de deken om weer in de gemeenschap opgenomen te worden.

Wie het overheidsgezag in bestuur en rechtspraak uitoefende was niet altijd duidelijk in die tijd. Het is wel zeker dat er volksvergaderingen werden gehouden en dat de grondbezitters grote invloed hadden en dat enkelen van deze de grootsten werden en alle macht naar zich toe trokken. Deze noemden zich dan hoofdelingen. Zij oefenden dan praktisch alleen de rechtspraak uit en beurden de breuken en met hun huurlingen, ruters genoemd, brachten zij hun gezag tot gelding. Er was uiteraard vaak strijd tussen de hoofdelingen en volksvergaderingen. Als de hoofdelingen krachtig waren hadden de volksvergaderingen niet veel te vertellen.

Reeds Karel de Grote scherpte zijn graven voortdurend de grootste rechtvaardigheid in, vooral tegen het gewone volk. Hij benoemde voor elk gebied twee koningsboden die daar moesten toezien op wereldlijke en kerkelijk zaken. Zij moesten er gerichtsdagen en gouwvergaderingen houden, klachten in ontvangst nemen en misbruiken tegengaan. zij moesten vooral kerken, weduwen, wezen en de kleine man beschermen. Omstreeks de 13de eeuw was er behoefte aan eenheid op het gebied van wet en rechtspraak. Er was toen sprake van de Zeven Friese Zee-landen, die zich uitstrekten van Vlaanderen tot de Wezer. De afgevaardigden van deze zee-landen kwamen bijeen onder de Upstalboom ten zuidwesten van Aurich in Oost-Friesland. In de kroniek van het premonstratenzerklooster Bloemhof in Wittewierum geschreven in de 13de eeuw wordt herhaaldelijk gesproken over de bisschop van Munster en zijn helpers en hoe het gehele gebied van de Lauwers tot over de Eems georiënteerd was op Munster. Het gebied van de lauwers tot de Eems werd toen Friesland of Oost-Friesland genoemd.

Nu hebben de abten van Wittewierum bij Ten Post ons een schat van gegevens nagelaten over bijna de gehele dertiende eeuw. Daarin wordt ook herhaaldelijk gesproken over de Bisschop van Münster en zijn helpers en hoe Oldambt, Fivelingo en het gehele gebied van de Lauwers tot over de Eems georiënteerd was op Münster. Dit gebied werd toen Friesland of Oost-Friesland genoemd en de bewoners Friezen. Wij geven hieronder verschillende gedeelten weer uit de kronieken van de abten Emo en Menko en van een Vervolgschrijver. Daaruit is te zien met welke gebeurtenissen hier de bisschop van Munster zich zoal bemoeide.
In 1204 bracht de bisschop van Münster een bezoek aan Jukwerd bij Appingedam. Hij kon er gemakkelijk komen door de Eems af te varen. Te Jukwerd was een kerkgebouw gesticht en die kwam hij wijden.

In 1208 was er onenigheid tussen Emo van Romerswerf, de stichter van de kerk van Jukwerd en naburige monniken. Popko, pastoor van Tjamsweer, deed zijn best om elke vonk van tweedracht tet doven. er kwamen afgevaardigden van de bisschop van Münster. Die riepen de partijen voor zich, maar de tegenpartij wilde niet komen. toen brachten de afgevaardigden een minnelijke schikking tot stand.

In 1209 gaf Otto, de bisschop van Münster, aan meester Emo, eens pastoor van Huizinge, en aan Emo van Romerswerf, macht om in de gestichte kapel te Jukwerd God te dienen en daar bovendien broeders en zusters te verzamelen.

In 1220 kwam Diederik III, sedert 1218 bisschop van Munster, in de gouwen van Friesland. Hij kwam met een grote aanhang en had dus veel nodig en hij beweerde, dat hem de opbrengst van het synodale ressort toekwam van het jaar waarin hij verplicht was visitatie te doen. Zo trok hij door naar Eemsgo, waar een langdurige oorlog had gewoed. Hier werd hij overreed om ten bate van de vrede tussenbeide te komen, maar men luisterde niet naar hem.

In het jaar 1223 was een zekere Herderik proost van het klooster Mariëngenade te Schildwolde. De bisschop van Münster had hem aangesteld tot zijn officiaal. Dit betekende dat hij voor de bisschop de zaken moest waarnemen waaronder ook viel het innen van de belastingen. Herderik werd veel te verwaand, deels omdat hij niemand boven zich had, deels omdat de rijkdommen hem toevloeiden. Hierop steunde hij maar het meest nog op de macht van de bisschop, zodat hij vaak beweerde zich niet te bekommeren om wat alle geestelijken hem zeiden, zolang hij de bisschop in de gunst stond. De abt van Prémontré, als vader van het klooster te Wittewierum, deed Herderik in de ban. Afschrift van het banvonnis werd aan de bisschop van Münster gezonden; die aanraadde zich tot Prémontré te wenden. Herderik werd woedend op Emo, abt van het Premonstratenzer klooster te Wittewierum. Hij liet de notaris van de bisschop alles optekenen en Emo werd bij bevelschrift gedagvaard voor de bisschop van Munster. Emo ging in beroep bij de paus te Rome. Broeder Paulus, procurator van het klooster werd als zaakgelastigde naar Munster gezonden. Herderik riep de geestelijkheid bijeen. Hij beval hen, de bisschop te overreden om het klooster met de ban te slaan, zodat niemand hun iets zou mogen verkopen. Toen ging broeder Paulus naar de aartsbisschop van Keulen in beroep. Inmiddels werd de spanning steeds groter. Er werd een vergadering gehouden van beide partijen te Loppersum. Op die vergadering ontstond een allervreselijkst rumoer door te lopen, te schreeuwen en te schelden. De volgende dag kwam het volk als een man te Appingedam samen. Aanwezig waren ook de redgers van het landschap Fivelinge en de gezworenen van de Upstalboom. Daar hoorden de bijeengekomenen dat de paus de banvloek had uitgesproken over de bisschop van Munster en de kardinaal over Herderik. Zij kwamen tot de conclusie dat zij niet hoefden te gehoorzamen aan de bisschop, tenzij de dekens onder borgstelling van tweeduizend mark er voor instonden dat het landschap geen schade leed. De dekens konden dit niet aanvaarden. zo zaten de boden van de bisschop, alleen en veracht, tegen wil en dank aan een lege tafel en zagen zich ontbloot van eer en met lege beurzen. Deze moesten toen wel een verzoening accepteren die voor het klooster van Wittewierum aannemelijk was. Herderik ging echter door in zijn machtsbegeerte. het volk kwam in opstand en verbrandde zijn klooster. Herderik riep een gewapende bende van vrienden en verwanten bijeen en de tegenpartij deed hetzelfde. De redgers van het landschap en de gezworenen van Upstalboom bemoeiden zich er weer mee.
Op 24 april 1225 kwam de bisschop zelf in dit gebied. Hij riep de redgers voor zich en haalde hen over om de Schildwolders te dwingen, boete te betalen voor het verbranden van Herderiks Klooster. Na partijen verzoend te hebben, inde de bisschop zelf negenhonderd mark als boete voor de heiligschennis en keerde op de eenendertigste mei naar Münster terug.

In het jaar 1226 wer een zekere Lulolf bisschop van Münster. In 1232 kwam hij al voor de derde maal in deze streken, nu onder meer om geestelijken te wijden.

De Fivelingoërs smeedden een samenzwering tegen hem vanwege de geldelijke eisen van de geestelijkheid en de buitensporige banvloeken, maar vooral vanwege de geldelijke voldoening die de bisschop had vastgesteld voor de moord op de priesters, bijna vijf jaar geleden. De Appingedammers kregen slechts met moeite een verzoening met de kerk door naakt en geknield een kastijding met de roede te doorstaan.

Onder het jaar 1238 vertelt Menko vele interessante gegevens over de bouw van een nieuwe stenen kerk te Wittewierum, die de houten moest vervangen.
De abt van het klooster huurde een zekere meester Wverard, bedreven in de kunst van steenhouwen, een Keulenaar van oorsprong, om de nieuwe kerk te bouwen tegen vast loon, zowel des winters als des zomers. Dit bedroeg behalve de kost zeven Deventer penningen daags, maar van Sint Maarten (11 november) tot Maria Lichtmis (2 februari) drie. In die tijd moesten er stenen worden gehouwen, maar dit kwam door de korte dagen en de donkere lucht zeer schadelijk uit. Daags voor Hemelvaart onderzocht de meester de bodem op de plaats waar het kerkgebouw zou verrijzen. Terstond is daarna met het grondwerk begonnen, met de grootste moeite en kosten, omdat een gebouw spoedig waggelt als het een zwakke grondslag heeft. Dus mat de meester met het schietlood hoe diep het fundament moest worden gegraven, opdat het in de grond geplaatste hout altijd water zou hebben, waardoor het voor verrotting bespaard pleegt te worden. Het was nodig het gehele fundament tot een diepte van achttien of twintig voet te graven. Toen het fundament was gegraven, werden van kuil tot kuil onderin om en om dennepalen gelegd, nog nieuw en sappig, tot meerdere duurzaamheid van het werk, eerst in de lengte van de bouw, te weten van het oosten naar het westen, en daaroverheen andere, overdwars. Toen dit met grote vlijt klaar was gemaakt, werd er aarde bovenop gebracht, eerst vette en mestrijke om het water sterker aan te trekken en het hout te bewaren, vervolgens droge met heiblokken aangestampt. Elk werd door vier man in beweging gebracht, die als zij moe waren, door vier anderen werden afgelost.
Zo moesten er, zolang het werk duurde, steeds tachtig man bezig zijn, want er waren tien heiblokken en het om beurten verwisselen was noodzakelijk. Als zij volle kracht werkten, trilde het hele dorp, zodat in de naburige huizen de melkemmers overliepen en van de ganzeëieren, door het schudden van de grond beschadigd, geen kuikens konden komen. getrouwelijk werkten de parochianen der kerken en de ingezetenen van Wolersum mee, zodat zij bijna de helft van het werk volbrachten. Dagelijks werd aan iedere werker de helft van een rond brood meegegeven en des middags een homp kaas benevens drie of tenminste twee kannen bier. Zodoende werkten zij zeer opgewekt. op gezag van de bisschop werd iedere werken vijf dagen aflaat van de boetedoeningen verleend. Allen werkten mee, zowel de geestelijken in de kloosters als de lekebroeders. Zo werden de grondslagen van de kerk binnen vijf jaar voltooid. In 1259 is de kerk voltooid en gewijd. Er is dus eenentwintig jaar over gebouwd.

1247 was het sterfjaar van magister Lulolf, bisschop van Munster. menko beschrijft hem als een man, door zijn natuurlijke aanleg machtig in alle opzichten, die de overmoed der dienstmannen van Sint Pauls kerk krachtig en wijselijk bedwong, de goederen der kerk manmoedig uit hun handen redde en in al zijn daden steeds voorspoedig was. Kloosterlingen en nederige mensen had hij genoegzaam lief en hij verdedigde hen krachtig.

Toen in dat jaar de kerken van Holwierde en Bierum door de strijd tussen Ripperda en Alberda bezoedeld werden, moest door ieder zestig mark aan de bisschop van Münster betaald worden.

In 1271 hadden de bewoners van deze streken ernstige klachten tegen de dekens en de bisschop. De Oost-Friezen van Eemsgo, Reiderland en Oldambt vernielden en verbrandden de huizen van hun dekens. Het begin van dit oproer was een twist tussen Walbert Eppinga en Hrodbern, die voor zijn zoon, nog een kind, de kerk van Farmsum met dekenambt had verkregen. Walbert stookte de gehele bevolking van het Oldambt tegen de bisschop en de dekens op vanwege de invordering der kerkelijke boeten voor heiligschennis en dergelijke. Zij verwoestten de huizen van de dekens en dreven henzelf het land uit. Dit gebeurde met de hulp van de Reiderlanders, Eemgoërs en Fivelingoërs. Gerard, bisschop van Münster, die inzag dat zijn rechterlijke macht en die van zijn dekens teniet werd gedaan, kondigde vanwege de gepleegde heiligschennis het algemeen interdict af, een verbod om kerkelijke diensten te verrichten. Dit verbod namen de priesters in drie landschappen streng in acht, maar niet die van het Oldambt. Want Walbert en zijn medeplichtigen dwongen de pastoors om de mis te bedienen onder bedreiging van verlies van inkomsten en vogelvrijverklaring. Daarbij voerden zij tot hun verontschuldiging aan, dat de meeste dekens hun vaders waren opgevolgd zonder dispensatie van de paus en dat zij de ongebondenheid van hun vaders navolgden. Bovendien werden de kerkelijke inkomsten en dekenambten door de bisschop aan kinderen gegeven. Ook waren er verschillende klachten over onmatige kerkelijke boeten.

In 1282 was er in deze streken weer grote beroering, waar de bisschop van Münster aan te pas moest komen. Ebbo Menalda te Hellum trouwde met het jonge meisje Ida van Menterwolde, toen nog gelegen ten noorden van Midwolda. na een jaar verliet de jonge vrouw haar man en keerde naar haar vaderlijk huis terug. Folpert, zoon van Diederik Folpetra van Midwolda trouwde met het voortvluchtige meisje. Ebbo met zijn verwanten, verbitterd over de schande, overvielen in de stilte van de nacht vader, zoon en jonge vrouw op hun stins en brachten allen gevankelijk naar Hellum. Diederik werd vrijgekocht. Folpert werd tenslotte overgegeven in handen van de abt van Wittewierum. Folpert wist uit het klooster te ontsnappen met hulp van een groep Midwolders. Bisschop Everard van Munster zond schriftelijk bevel dat Ida naar een veilige plaats moest worden overgebracht. Maar Ebbo vertrouwde Ida niet, stoorde zich niet aan het bevel van de bisschop en beriep zich op de paus. De paus wees de abt van klooster Klaarkamp bij Rinsumageest als rechter aan. Deze deed op pauselijk gezag een uitspraak die in strijd was met die van de bisschop. De toestand werd steeds meer verward. Eindelijk stemden beide partijen er in toe om de zaak te laten beslissen sdoor twee scheidsmannen. hiertoe werden benoemd deken Albert van Loppersum en deken Hessel van Farmsum. beide partijen stortten veertig mark in goud. Als een dder partijen zich niet bij de uitspraak van de scheidsrechters wilde neerleggen, zou die het goud kwijt zijn en de toestemmende partij zou het ontvangen. Het ghoud werd aan de abt van het klooster Bloemhof ter hand gesteld. De scheidsrechters konden het niet eens worden.
Toen ontstond er strijd over het goud. De bisschop droeg aan de abt op, aan beide partijen het goud terug te geven. Aan de scheidsrechters droeg hij op zich niet meer met de zaak te bemoeienen omdat de uiteindelijke beslissing aan hem stond. De abt gaf het goud terug. Maar Ebbo was lang niet tevreden. Hij nam de ossen en ploegen van het klooster weg en mishandelde lekebroeders. Dit wilde hij ook de abt aandoen, maar die kreeg steun van Dodo van Heck, Haiko van Heppinge van Westeremden, Eppo Boelsma van Stedum en Eppo Stithenga van Garmerwolde. Ebbo hield zich toen rustig.

In 1283 schonken de patroons van de kerk van Uithuizen het ambt van pastoor van die kerk aan de abt van het klooster te Wittewierum. Daar kwam onenigheid over. En die zaak werd voorgelegd aan de bisschop, toen hij hier kwam om volgens de aloude en beproefde gewoonte de onderhorigen van zijn diocees te visiteren en hun gebreken et corrigeren. De abt legde de kwestie aan hem voor, maar de bisschop was hem niet erg ter wille. De prelaten van Friesland en het gehele bisdom maakten toen de afspraak dat niemand de bisschop zou ontvangen zonder voorkennis en onderlinge toestemming van allen. Dit deden zij om de buitensporige uitgaven waartoe hij zeer onredelijk de kloosters verplichtte.
De monniken van Aduard hielden zich niet aan de afspraak. Toen ontvingen ook de anderen de bisschop, ofschoon aarzelend. Toch kwamen zij niet volledig bij de bisschop in de gunst. De bischop vertrok en droeg de zaak ter verdere behandeling op aan zijn officiaal, meester Hendrik. Hendrik trok, zoveel in zijn vermogen was, de beslissing in de ontstane onenigheden aan zich, zoals de afloop der zaak in de kerspelen Woltersum, Garsthuizen en Zuidbroek uitwees.
Hier toch veranderden de geestelijken de hun geschonken ambten in misdaden tegen hun eigen heil. Inzake het pastoorsambt van Uithuizen droeg hij aan de abten van Rottum en van het Thesingerklooster en de deken van Loppersum op, de menig van de patroons van de kerk te vragen en daarvan een verslag te sturen naar Munster. Toen luwden de onlusten om dit geschil en de bisschop kwam op de hand van de abt.

Na 1300 brokkelde de kerkelijke macht van de bisschop van Munster af. Dat kwam vooral doordat de dekanaten steeds meer in handen kwamen van wereldlijke personen en door de stijgende macht van de stad Groningen. Verder was een groot gedeelte van dit gebied een paar eeuwen bedekt met water wat het de bisschop niet aantrekkelijk maakte hier te verkeren.

Het Friesenbild

Nu is er nog iets dat op een andere manier wijst op de band die bestaan heeft tussen Münster en Groningen. Er is namelijk een muurschildering geweest in de domkerk van die stad, waarop bewoners van deze gewesten afgebeeld waren, terwijl zij geschenken aanboden aan Sint Paulus. Mr. J. Dirks heeft daar een artikel aan gewijd in de Friese almanak van 1889 en later Drs. H. Halbertsma in De Vrije Fries, 42e deel. Aan die beide schrijvers ontlenen wij het volgende.
In de domkerk te Munster bevond zich een muurschildering die het Friesenbild werd genoemd. Hierop kwamen voor Friezen uit Reiderwolde, Oldambt, Fivelingo en Hunzingo, die gaven aanboden aan hun patroon. (De apostel Paulus was patroon van de domkerk). De muurschildering strekte zich uit over de volle breedte van de noordelijke wand van het wester dwarsschip en besloeg een lengte van 863 centimeter en een hoogte van 226 centimeter. Er bestaan enkele afbeeldingen van. De hoofdfiguur in het midden is blijkbaar de apostel PAulus. Aan elke kant van hem staat een geestelijke die de gelovigen aan hem voorstelt. Elke geestelijke houdt een afgerolde strook perkament in de hand. Op de ene strook staat in het Latijn: 'Mogen onze gaven u aangenaam zijn, Paulus'.
De groep van Smalagonia, waarmee ongetwijfeld Oldambt bedoeld wordt, bestaat uit acht personen: twee nonnen, een monnik, een krijgsman, een hoofdeling, een boer en een boerin, voorafgegaan door de geestelijke met de perkamenten strook in de hand. De boer is wat anders gekleed dan die uit het Reiderland. Hij draagt een broek tot even over de knieën en zijn opperkleed is een lange mantel, die op zijn rug neerhangt en van voren door een langwerpige, hoekige gesp is vastgemaakt. In zijn armen houdt hij een lam. De krijgsman dragt eenhelm of muts, zonder knop of rand, verschillend van die van zijn krijgsmakker in groep I. Ook zijn speer met een andere punt, waaronder een knop, verschilt. Tussen de twee nonnenkopjes, herkenbaar aan de sluiers of kappen, steekt een monnikkop uit. Een der nonnen legt haar rechterhand op haar borst en houdt in har linkerhand een ronde kaas. De boerin die voor haar staat, biedt ok een kaas aan, zoals blijkt uit de uitgestrekte linkerhand. Haar opperkleed heeft een soortgelijke knoop als die die van de andere boerin; het is om de middel vastgesnoerd en van een roosvormige gesp voorzien. De beide boerinnen van groep I en II zijn blootshoofd, met kort haar. Voor laatstbeschreven boerin knielt een persoon met kort haar en ringbaard, blootshoofds, geschoeid met een overflapschoen met dikke zolen. Een lange mantel, met een riem bij de hals vastgehecht, bedekt zijn onderkleed. met beide opgeheven handen biedt hij een schepelvormige, ronde bak aan. Deze bak is gevuld met vrij grote, bolvormige voorwerpen. het is niet duidelijk wat dit zijn, misschien eieren.
Het opschrift vertelt hoe Friesland zijn patroon heeft willen eren door de middelen voor de bouw van twee gewelven te verschaffen. De dom is ingewijd in het jaar 1265 en erg beschadigd in Wereldoorlog II. Toen is ook het Friesenbild vernietigd.

Bronnen:

• Vooralsnog is voor dit artikel als basis genomen het boek 'Noord- en Zuidbroek in vroegere jaren', 1973, door H. Antonides.


Pageviews vandaag: 3.