Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 17-05-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Mozes Goldsmid

Mozes Goldsmid (Altona Hamburg 1681 - Amsterdam 1738) was bankier en de eerste jood met Groninger burgerrecht en het eerste joodse gildenlid.

In 1731 pachtte hij samen met de diaken Aelders de Groninger bank van lening. In de pachtovereenkomst was Goldsmid toegezegd dat hij binnen de stad vrijelijk de joodse godsdienst mocht uitoefenen. In 1732 richtte hij een deel van de bank van lening, het huidige concerthuis, in als synagoge. Ook werd het burgerrecht en gilderecht geregeld in deze overeenkomst. In 1737 werd hij dan ook broeder van het koopliedengilde. Mozes Goldsmid heeft maar kort in Groningen gewoond. Zijn zaken in Groningen liet hij door zijn zonen en kleinzonen regelen.


De joodse gemeenschap in de stad Groningen, 1689-1796 - Engbert Schut - 1995

Wie was nu deze Mozes Goldsmid, de man die we zonder meer als een van de founding fathers van de Joodse Gemeente mogen beschouwen? Hij was in 1681 in Hamburg geboren als oudste kind van Joseph en Elkel Stadhagen. De naam Goldsmid, waaronder hij in niet-joodse bronnen bekend is, heeft hij eerst later door zijn huwelijk gekregen.
Zijn vader was een van de belangrijkste en rijkste mensen binnen de joodse gemeenschap van Hamburg. Zijn moeder was een zuster van Glückel von Hameln. Van Glückel is een dagboek bewaard gebleven, dat meermalen is uitgegeven en geldt als een belangrijke bron voor onze kennis over de mentaliteit van een vooraanstaande joodse familie aan het eind van de zeventiende eeuw. In dit dagboek komt de vader van Mozes regelmatig ter sprake. Van zijn zakelijk verworven kapitaal gaf Joseph Stadhagen aanzienlijke bedragen uit aan religieuze verenigingen en activiteiten. Ook voor de bouw van een nieuwe synagoge in Hamburg in 1684 fourneerde hij een fors bedrag.

Dergelijke vooraanstaande joodse families in West-Europa beschikten tijdens het ancien régime over een hecht netwerk van relaties van zowel zakelijke als persoonlijke aard. Maar eigenlijk kunnen beide soorten van relaties niet los van elkaar gezien worden. Vaak was het huwelijk tussen kinderen van dergelijke families een manier om economische allianties tot stand te brengen of te verstevigen. Het dagboek van Glückel von Hameln geeft hiervan talrijke voorbeelden. Deze huwelijken werden meestal tot stand gebracht door professionele huwelijksmakelaars. In het geval van Mozes Goldsmid Stadhagen is het waarschijnlijk niet anders gegaan. We weten dat zijn vader, zoals zoveel Noordduitse joden, zakelijke contacten in Amsterdam had. Dit is niet verwonderlijk, want Amsterdam was aan het eind van de zeventiende eeuw nog steeds een belangrijk knooppunt in de handel tussen Europa met Azië en Amerika. Het ligt dus voor de hand te veronderstellen dat de vader van Mozes zijn zakelijke contacten in Amsterdam wilde verstevigen door het huwelijk van één van zijn kinderen met een lid van een Amsterdamse familie.

Mozes Goldsmid huwde op zeventienjarige leeftijd Judith Goldsmid Cassel, dochter van Wolf Goldsmid Cassel en Sara Arents. Zijn schoonvader behoorde in elk geval tot de rijke bovenlaag in de Hoogduitse gemeente van Amsterdam. Hij was bovendien bestuurder of parnas van de Gemeente. Evenals zijn vader zal Mozes handel hebben gedreven in edele metalen en juwelen. Verder is bekend dat hij in textiel en 'koloniale' waren handelde. Over de zakelijke activiteiten van Mozes en detail weten we evenwel nog weinig. Dat zijn zakelijke contacten hecht verankerd waren in de toenmalige handelsstromen bewijst echter een akte uit 1722. In dat jaar richtte hij samen met Mozes Traub uit Hamburg een 'compagnie van negotie' op. Doel hiervan was de handel op en in Londen. Traub bracht 2000 gulden in en Goldsmid 12.000 gulden. In het contract, dat voor twintig jaar werd aangegaan, was verder bepaald dat Traub zich in Londen zou vestigen en elk jaar een overzicht zou geven van winst en verlies. Dergelijke 'compagnieën van negotie' zijn waarschijnlijk op grote schaal door joodse en niet-joodse kooplieden opgericht, niet alleen in Amsterdam, aar ook daarbuiten. Uit het huwelijk van Mozes met Judith Goldsmid werden acht kinderen geboren. Zijn oudste zoon Levie nam in 1732 voor zijn vader de honneurs in Groningen waar. De invloed die de verpachting van de bank van lening aan Goldsmid zou hebben op de politiek van het stadsbestuur ten aanzien van de vestiging van joden, was eveneens groot. Vanaf 1731 is er een verandering te bespeuren in de houding van burgemeesters en raad, die eerder het verblijf van joden slechts officieus toestonden. Deze gewijzigde houding blijkt uit een tweetal voorvallen uit 1732. In dat jaar had een aantal joden de bemiddeling van Mozes Goldsmid ingeroepen om te zien of er een mogelijkheid was om in Groningen te wonen. Deze zei hun toe hierover met het stadsbestuur van gedachten te wisselen. Het uiteindelijke resultaat was dat in april 1732 tien joodse families toestemming kregen zich in Groningen te vestigen.93 Waarschijnlijk zijn niet alle tien joodse families daadwerkelijk in de stad gaan wonen. In de bronnen vinden we tenminste in de jaren onmiddellijk na 1732 geen vermeldingen van joodse namen, die we voordien niet hebben aangetroffen. Desondanks moeten we deze toestemming waarderen als de uitdrukking van een meer tolerante houding van het stadsbestuur jegens de vestiging van joden. De verdraagzamere houding van burgemeesters en raad bleef in de rest van het land niet lang onbekend. Een maand later vroeg de Rotterdamse koopman Jacob de Vries toestemming zich in de stad te mogen vestigen om er een winkel te drijven in textiel en 'koloniale' waren. Hij beriep zich in zijn verzoek uitdrukkelijk op de toestemming die eerder aan andere joodse families was gegeven. Bovendien is er in een ander verzoek van hem sprake van het genieten van de privileges die ook aan andere joden waren toegestaan.95 Op welke voorrechten hij precies doelde, is niet bekend. Ik vermoed dat hij hieronder verstond de mogelijkheid voor joden om het burgerrecht en het gildelidmaatschap te verwerven. Als gevolg van de meer tolerante houding van het stadsbestuur telde de joodse gemeenschap in 1735 zo'n twaalf families en zal ze uit zo'n 54 zielen hebben bestaan.

Na het vertrek van Levie Mozes Goldsmid Stadhagen-waarschijnlijk naar Emden-nam de schoonzoon van Mozes Goldsmid, Izak Jozefs Cohen, diens taken in Groningen over. Intussen was de verhouding tussen de twee vennoten Aelders en Goldsmid verslechterd. Men had voortdurend onenigheid over de openstelling van de bank op zaterdag en zondag. De opening op zondag was mede één van de punten, waartegen het verzet van de kerkeraad zich eerder had gericht. Maar voor een joodse betrokkene was het ondenkbaar om op zaterdag te werken. In 1733 waren de problemen tussen de beide vennoten zo hoog opgelopen, dat een scheiding onvermijdelijk werd. Dit kon echter alleen met toestemming van de magistraat, die immers ook partij was. Goldsmid en Aelders dienden een verzoek in bij burgemeesters en raad, waarin ze toestemming vroegen het pachtcontract zodanig te wijzigen dat Aelders de mogelijkheid kreeg om uit de onderneming te stappen.97 Het stadsbestuur verwees de zaak naar een commissie, maar stond Aelders voorlopig toe om zijn relatie met Goldsmid te beëindigen. De commissie nam ruim de tijd om de zaak te bestuderen en deed vier maanden na indiening van het verzoek de aanbeveling om de zaak bij het oude te laten.98 Dat de openingstijden van de bank de voornaamste aanleiding waren voor de problemen tussen de vennoten, blijkt ook wel uit het feit dat zij in de herfst van 1734 hierover een proces voerden. Het stadsbestuur was overigens niet ongenegen de joodse vennoot in vergelijkbare gevallen ter wille te zijn. In 1738 viel de driemaandelijkse verkoping van niet-afgehaalde panden samen met het joods nieuwjaar en Grote Verzoendag en het Loofhuttenfeest. Op deze dagen mocht de joodse kassier Philip Abrahams volgens de joodse wet geen werk verrichten. Het gevraagde uitstel van de verkoping tot half oktober honoreerde het stadsbestuur zonder meer,100 en ook in latere jaren werd hiervan nooit een probleem gemaakt.
De dood van Mozes Goldsmid in 1738 betekende allerminst het einde van de betrokkenheid van de familie bij de bank van lening. In het pachtcontract was bepaald dat bij overlijden van de pachter zijn erfgenamen de zaken zouden overnemen. Izaak Israels, die geen familie was, werd voorlopig belast met de afwikkeling van de zaken van Mozes Goldsmid in Groningen. Goldsmids schoonzoon Izak Jozefs Cohen was hiervoor niet geschikt. Tussen de schoonzoon Cohen en Goldsmid bestonden ernstige meningsverschillen. De precieze oorzaak hiervan is niet meer te achterhalen. In grote lijnen komt het verhaal hierop neer dat Cohen tijdens zijn bewind over de bank van lening geld aan de bank had onttrokken. De goede naam van het huis Goldsmid was hierdoor in diskrediet geraakt. De zaak was tenslotte voor een joods gerechtshof in Amsterdam behandeld en dat had een vonnis gewezen, waardoor Cohen zich benadeeld voelde.

Hij besloot geen genoegen te nemen met de uitspraak van de joodse rechtbank en legde de zaak voor aan het wereldlijk gerecht in Groningen en Amsterdam. Overigens zou over de nalatenschap van Mozes Goldsmid bijna een halve eeuw geprocedeerd worden.

Websites en bronnen:
De joodse gemeenschap in de stad Groningen, 1689-1796 - Engbert Schut - 1995

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Pageviews vandaag: 9.