Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 31-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

landwegen

Wij kunnen ons bijna niet indenken hoe slecht het vroeger gesteld was met de landwegen. Verharding was er niet; de wagens veroorzaakten sporen. In de sporen bleef de regen staan. De wind verstoof het zand, de klei werd glibberig en in het veen zakte men weg. 's Winters waren vele wegen onbegaanbaar. Het zou nog tot ver in de negentiende eeuw duren voordat de overheden het onderhoud van de wegen overnam van de kerspels en van de pandplichtigen.

Men deed daarvoor namelijk nog wel iets aan onderhoud. Daar zaten de kerk en de dijkrechters en de drost dan achter aan. In diepe gaten werden takken gelegd, lage gedeelten werden met zand opgehoogd en met een eg werden de sporen geslecht. Als het helemaal niet meer ging, werd een nieuwe strook genomen naast de bestaande weg.

Om het verkeer bij avond wat gemakkelijker te maken, moesten de palen en leuningen van vonders en tillen wit geverfd worden, de koppen van de palen zwart. In 1811 moesten de wringen bij de boerderijen in Noordbroeksterhamrik ook wit geverfd worden en de naam van de bewoners er op geschilderd in zwarte letters.

Het schoonhouden van de straten moest door de aanwonenden gebeuren, maar dat schoot er vaak bij in. In 1832 werd de ingezetenen van Zuidbroek gelast, in verband met het heersen van de cholera, de straten en de goten voor hun woningen goed schoon te maken.

In 1738 werden de eerste twee lampen geplaatst bij het verlaat te Zuidbroek. Het onderhoud was voor de verlaatsmeester.
De eerste straatlantaarn werd in Noordbroek geplaatst in 1808. Dit werd nodig geacht ter plaatse waar de schuiten af- en aanvoeren, opdat de passagiers niet blootgesteld werden aan ongelukken.
In 1880 had Noordbroek tweeënveertig straatlantaarns en in 1894 had Zuidbroek er vijfenzestig. Zij brandden alleen 's winters bij donkere maan. De lantaarnopstekers gingen dan met een laddertje op de rug bij de lantaarns langs om ze aan te steken. Na aankomst van de laatste trein te Zuidbroek gingen zij weer rond om ze uit te blazen. De straatlantaarns brandden eerst op patentolie, later op petroleum.

Naar het zuiden in de middeleeuwen

Vroeger bestond het gebied ten zuiden van Zuidbroek geheel uit veen. Veengrond was onbegaanbaar en tussen Kropswolde en Blijham was er geen mogelijkheid om naar het zuiden te komen. Wel was die mogelijkheid er over Kropswolde. Als men langs de Oudelaan ging, kon men ten zuiden van het Sappe-meer langs op het Hogezand komen. Vandaar ging de weg naar Kropswolde en Zuidlaren.
In 1648 klaagden de Oldambsters dat die weg over Kropswolde naar Drente, sinds mensenheugenis in gebruik, door de stad Groningen belemmerd werd.

Aan de andere kant van het veengebied kon men pas bij Blijham ombuigen naar het zuiden. Daar begonnen de zandhoogten van Westerwolde. Nu liep de Oudelaan in de middeleeuwen verder naar het oosten door en wel tot de lijn die Uiterburen verbindt met de Hondenlaan. Langs die verlengde Oudelaan, Hondenlaan en Oudeweg kwam men over Duurkenakker te Meeden. Vandaar kon men de zandhoogten van Westerlee en Winschoten nemen. Bij de afbuiging naar Meeden kon men over de dam in de Munter Ee, waar later de plaats Muntendam naar genoemd is.
(In het oostelijke verlengde van de Oudelaan zijn nog vele fundamenten van oude gebouwen gevonden en een Christusbeeldje. Bij de lijn Hondenlaan-Oudeweg zijn het fundament gevonden van een tamelijk groot gebouw en een stenen strijdhamer.)
Voorbij Westerlee ging de route dicht langs Heiligerlee. Daar zou Eppo Gockinga in de dertiende eeuw het klooster hebben gesticht. En even verder dan Blijham lag Bellingwolde. Daar hadden de Gockinga's een sterke toren.

De weg oost-westIn ander verband hebben wij reeds iets verteld van de botsing tussen de stad Groningen en het geslacht Gockinga te Zuidbroek. Er stonden grote belangen op het spel, waar zelfs de graaf van Holland en de bisschop van Utrecht een rol in gespeeld hebben. Het ging in de kern om een handelsweg. De handelsstad Groningen moest een verbinding hebben met de Eems. Die moest er zijn om mee te kunnen doen in de onderlinge handel tussen de Hanzesteden. En die verbinding moest zo weinig mogelijk gehinderd worden door zeeroof, tollen en bezwaren die de natuur meebracht.

In 1457 was het zover, dat de stad Groningen een handelsweg kon openstellen tussen Groningen over
Slochteren en Boertange naar de Eems. Een weg die ieder mocht gebruiken, een gemene, een openbare
weg. De vraag die ons hier interesseert, is: wat was de route van die weg tussen Zuidbroek en Scheemda?

Langs de Oudeweg onder Slochteren kwam men te Stootshorn. Vandaar kwam men langs de Spitsbergerweg en de tegenwoordige Drostenlaan op de weg Uiterburen. (Die Drostenlaan en de aansluitende heerden met hun opstrekkingen waren in 1444 na het overlijden van Eppo Gockinga eigendom geworden van de Stad). Maar in Uiterburen kon men in 1457 niet verder naar het oosten vanwege het hoge water.

Bij vergelijking van verschillende gegevens lijkt het aannemelijk, dat toen de weg Uiterburen naar het zuiden genomen is en verder langs de Hondenlaan en de Oudeweg naar Meeden.
In het jaar 1586 -het was in de tijd van de watergeuzen, terwijl de stad Groningen nog aan de kant van
Spanje stond- had de Stad plannen om de handelsweg te verkorten. Zij wilde een weg leggen over het
Zuidbroekster kerkeland, door de heerd die in pacht was bij Ayco Janszoon. De kerk wilde dit aanvankelijk
niet toestaan en Ayco was er ook tegen. Pastoor, kerkvoogden en Ayco trokken naar Groningen om hun
belangen te bepleiten bij Burgemeesters en Raad. Maar deze beschikten, dat de weg moest komen over
het kerkeland. De kerk zou echter schadeloosstelling ontvangen. Op 11 oktober 1591 kwam bij Burgemeesters en Raad van Groningen in een lijst met de namen van pachters en het aantal deimten land dat gebruikt was. De Galgeweg langs het Papendiep kwam dus toen in gebruik en verder de Zevenwoldsterweg en de Oudeweg naar Westerlee en Scheemda.
Na de afleiding van het veenwater in 1637 had men het water in het dal van de Munter Ee beter in de hand
en was het mogelijk, ook verder naar het noorden in Scheemda te komen. De weg over Rodetil kwam in
gebruik. In 1800 was de Rode Til nog in onderhoud bij de stad Groningen.

In 1842 stelden Gedeputeerde Staten dezer provincie aan de orde de aanleg van een verharde weg van
Groningen naar Scheemda. Tot Zuidbroek was er geen twijfel over de route die gevolgd moest worden,
maar verder waren er drie mogelijkheden: langs de Trekweg, langs Heiligelaan en Galgeweg of over
Noordbroek en Rodetil. Aan de gemeenteraden van Zuidbroek en Noordbroek werd advies gevraagd.

Zuidbroek gaf de voorkeur aan een weg die zover mogelijk door het dorp liep, dus niet langs de Trekweg.
Noordbroek had dezelfde wens, dus over Rodetil. De beide gemeenten wilden een behoorlijke bijdrage
verlenen, als met hun wensen rekening gehouden werd. En zo gebeurde het, dat de provinciale weg van
Zuidbroek naar Scheemda een omweg kreeg over Noordbroek. De gemeenten verleenden ook medewerking, dat de weg zo goed mogelijk werd. Op vele plaatsen was hij te smal.

Ook stonden op verschillende plaatsen palen tussen weg en voetpad. Zoveel mogelijk werden de palen
en andere obstakels verwijderd om de weg voldoende breedte te geven.

De Trekweg

Hiermee wordt bedoeld de weg langs het Winschoterdiep vanaf de Kerkstraat richting Scheemda. Toen
in 1635 het Winschoterdiep vanaf Zuidbroek doorgetrokken werd, moest er een weg komen voor de paarden om de schepen te trekken. Vandaar de naam Trekweg. En Burgemeesters en Raad van de stad Groningen, die het hier toen nog te zeggen hadden, bepaalden uitdrukkelijk, dat het geen wagenweg mocht zijn. Hij mocht niet anders gebruikt worden dan te voet; paarden, hoornbeesten en varkens moesten één voor één geleid worden; zij mochten niet ter zijde uitlopen en de wallen vertreden; voor iedere wagen, kar of slede die in strijd met de verordening op de Trekweg kwam, moest twee daler boete betaald worden.
Toen de fiets opkwam, werd die er wel op toegelaten. En voor dat voertuig is de Trekweg vele jaren een
veel gebruikte verbinding geweest met Scheemda.
Totdat de Rijksweg kwam. Toen verviel dit fietspad als verbinding tussen Zuidbroek en Scheemda.

De weg naar Slochteren

De in 1457 aangelegde handelsweg liep langs de Slochterkerk naar Stootshorn en verder over Spitsbergen
naar de weg Uiterburen.Toen na 1628 de handelsweg langs het Winschoterdiep gelegd werd, verviel de
betekenis van de weg langs de Slochterkerk. En meteen werd het onderhoud verwaarloosd. De dijkrechters schreven wel verbeteringen voor, maar de pandplichtigen wilden de weg wel slechten maar geen zand opbrengen. Na 1800 zocht men naar een andere oplossing voor de verbinding tussen Noordbroek en Slochteren. En in 1822 kwam men er mee klaar. Jonkheer J. Hora Siccama, eigenaar van de burcht te Slochteren, stelde de Borglaan beschikbaar als publieke weg. Die liep langs het bos van de Freylemaborg tot aan de
grens van de gemeente Noordbroek. Vandaar naar het zuiden was er door het gebruik reeds een weg ontstaan, Nutweg (ook wel Netweg) genoemd. Eigenaren van die Nutweg waren Mr. J.H. Gockinga, Hiltje L.
Hekman, Jan A. Hamster, A.H. Noordhoff, S.H. van der Wal, Klaas J. Smand, W.J. Veenema, Harm H. Kamphuis en Geert J. Hommes. Die stelden die Nutweg beschikbaar voor de gemeenschap. Aan het eind van
de Nutweg moest men weer in oostelijke richting. De dijkrechters kregen opdracht om 'de oude weg tussen de Net- of Nutweg en het kerspel Noordbroek in een goede staat te brengen.'

Van de Dam van Noordbroek naar Siddeburen

In het begin van de negentiende eeuw was het onderhoud van de wegen bij de kerk of bij aanzwettende eigenaren, zogenaamde pandplichtigen. Elk moest zijn pand onderhouden.
Dat was ook het geval met de weg vanaf de Dam naar het noorden. Die pandplichtigen tot aan het perceel Hoofdstraat 44 (voorheen boerderij van Huisman/ Zijlker) hadden al in vroegere jaren een verharding met veldkeien aangebracht. Daarom werd dat eind weg toen ook Keienstraat genoemd.
Het onderhouden van een pand ging wel eens raar. leder deed het op zijn manier.
Op 12 juli 1843 viel Dr. N. Bleeker met zijn rijtuig om in de Kerkstraat, omdat de pandplichtige daar een verhoging gemaakt had. Ook overigens kwamen er klachten bij de Raad. In 1854 was de Raad van de gebrekkige toestand van de Keienstraat overtuigd. Hij wou het onderhoud wel overnemen, maar dan moesten de pandplichtigen voor afkoop twintig cent per vierkante meter betalen. Daartoe waren de pandplichtigen niet bereid en toen besloot de Raad in 1857 om de weg dan maar zonder vergoeding over te nemen. Het stenen voetpad aan de oostkant van de Keienstraat had de gemeente reeds in 1829 aangelegd.
In 1853 had de gemeente inmiddels reeds het verdere gedeelte verhard vanaf de Keienstraat tot het Noorder Pijpke. Dat gebeurde niet meer met veldkeien maar met grind.
En toen nog het verdere stuk naar Siddeburen, de tegenwoordige Noorderstraat en de Eideweg. De Eideweg was al vele jaren een probleem geweest, niet alleen vanwege de slechte toestand van de weg, die gedeeltelijk zeer laag lag, maar ook omdat er twee partijen bij betrokken waren, Noordbroek en Siddeburen. In 1808 werd een tolhek geplaatst op de Eideweg, waarvan de opbrengst voor drie zestiende deel kwam ten bate van Siddeburen. In 1856 kon de verharding doorgaan met een provinciaal subsidie van vijftig procent.

Van de Dam van Noordbroek naar het zuiden

Deze weg ligt op een zandtong, waarop in zeer oude tijden al mensen woonden. Ongetwijfeld hebben zich daar eerst mensen gevestigd en de weg is daarna geleidelijk naar behoefte gegroeid.
Wij kunnen ons indenken, dat men tot een landverdeling kwam zoals die nu nog is: wonen op de zandhoogte, naar het oosten de vruchtbaarheid van de Munter Ee en naar het westen heide en veen. Daardoor kreeg men de opstrekkende heerden van oost naar west. De weg noord-zuid moest elke heerd passeren. En iedere eigenaar had zijn eisen. Vandaar dat die weg zo bochtig is.
In 1842 werd deze weg opgenomen in het provinciaal wegenplan. Hij werd verbreed en verhard. Maar het bleek spoedig, dat de verbetering nog niet bevredigend was.
In 1851 kwam in de Raad van Noordbroek ter sprake het aanleggen van een voetpad naast de weg. Er werd een commissie van onderzoek ingesteld. En die rapporteerde: 'Slechts een gedeeltelijke aanleg van het voetpad is uitvoerbaar en wel tot het land van de landbouwer W. Bos. Vanaf dat punt tot de grens van Zuidbroek blijft er op verre na geen ruimte over voor een voetpad van behoorlijke breedte, hetzij met of zonder greppel daarnaast, tenzij langs de weg staande heggen verder oostwaarts worden verplaatst.'

De Nieuweweg

Ongeveer evenwijdig aan de oude weg door Uiterburen en de Zuiderstraat te Noordbroek is plusminus 1750 een weg aangelegd van de toren te Zuidbroek in noordelijke richting tot over het Noordbroeksterdiep. Tevoren was het daar allemaal woeste grond, veen en heide. De weg Uiterburen-Zuiderstraat was de oude weg. Daarom werd deze de Nieuwe weg genoemd. Aan deze weg stonden vroeger onder de gemeente Noordbroek nog verscheidene huizen. Dit was het Zuiderveen.
Aan het eind van de Nieuweweg was een til gelegd om over het Noordbroeksterdiep op de Sappemeersterweg te komen. Dit was de Nieuwe Til. Ongeveer in het jaar 1865 werd het Noordbroeksterdiep verbreed en de onderhoudsplichtigen waren niet bereid of niet bij machte om er een brug te leggen. Toen kwam er een overzetschouw. In 1888 moest er een nieuwe schouw wezen, die betaald werd door de gemeente, omdat de kinderen er ook gebruik van moesten maken voor het bezoeken van de school te Stootshorn.

Een weg voor Noordbroeksterhamrik


Vanwege de lage ligging heeft Noordbroeksterhamrik altijd veel last gehad van overstroming. Tot ver in de negentiende eeuw stond het land daar 's winters onder water. Daardoor was het moeilijk daar een begaanbare weg te krijgen.

In 1834 richtten H.L. Kroon en anderen van Noordbroeksterhamrik een verzoek tot de Raad om hun een zandvoetpad te geven van het dorp langs de Pastoorsweg naar Nieuw-Scheemda. De Raad ging er niet op in. Motivering: men kon wel langs de lanen van de landbouwers; de Raad kon dat niet doen voor de ongeveer tien gezinnen van Noordbroeksterhamrik; dan konden andere gehuchten ook wel komen.

In 1842 vroegen die van Noordbroeksterhamrik of de gemeente een publieke weg wilde maken van de Hooilaan; dan konden zij gemakkelijk bij de Scheemderweg komen, die in dit jaar verhard was. De Raad antwoordde: de Hooilaan bestond eigenlijk uit twee nutlanen, lopende de een vanaf de Pastoorsweg, de andere vanaf de Rodetilsterweg, beide tot aan het Nieuwediep; welke nutlanen voor enige jaren door belanghebbende landgebruikers door het leggen van een til over het Nieuwediep met elkaar verbonden waren: die nutlanen waren particulier eigendom en daar kon de gemeente niet over beschikken.

In 1855 verzochten H.J. Schepel en anderen te Noordbroeksterhamrik om vanaf het dorp Noordbroek tot
aan het bestaande voetpad in Noordbroeksterhamrik een in alle jaargetijden bruikbaar voetpad te leggen. De Raad antwoordde, dat de gemeente bereid was een bijdrage te verlenen.

In 1883 kwam er uitkomst door de aanleg van een grindweg van Noordbroeksterhamrik over Rommelskerken, aansluitende op de Eideweg. De kosten werden gedragen door particulieren met twintig procent subsidie van de Provincie.

De Muntendammerweg


In 1637 werd het Muntendammerdiep gegraven. Zoals gebruikelijk werd ernaast een trekpad aangelegd voor de scheepsjagerspaarden. Maar dit bevredigde niet. En toen kwam in 1684 de beschikking van Burgemeesters en Raad van de stad Groningen, dat de veengenoten een wagenweg moesten maken langs het Muntendammerdiep om altijd in de venen te kunnen komen. De benodigde aarde mocht uit de naast gelegen landen worden gegraven.

De in 1684 aangelegde weg was zo smal, dat nergens twee wagens elkaar konden passeren. Ook lag de weg lager dan de dijk langs het diep. Daarom werd de weg in 1812 opgehoogd tot de hoogte van de dijk en verbreed. Dit moest gebeuren door arbeiders uit Zuidbroek, Muntendam, Veendam, Wildervank, Meeden en Noordbroek. Noordbroek moest dertig bekwame arbeiders leveren voorzien van schop en schoffel.



Bronnen:

• Vooralsnog is voor dit artikel als basis genomen het boek 'Noord- en Zuidbroek in vroegere jaren', 1973, door H. Antonides.


Pageviews vandaag: 5.