kunstbusgroningen

Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 04-04-2022 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

landdagen

Een soort statenvergaderingen. In Groningen in de 16de eeuw de gemeenschappelijke vergadering van de vertegenwoordigers van Stad en Ommelanden.

De provincie Stad Groningen en Ommelanden is gevormd in 1594 na de verovering van de stad door de Staatse legers. Weliswaar was het een gedwongen vereniging van de beide gebiedsdelen, maar daarom nog geen onnatuurlijke. Immers ook tevoren hadden Stad en Ommelanden één provincie uitgemaakt, namens Karel V, later Filips II bestuurd door een stadhouder, die ze overigens, evenals de rentmeester van de domeinen, moesten delen met naburige gewesten.

In de provincie zelf werd de stadhouder sinds 1538 vertegenwoordigd door de luitenant, die met de hoofdmannen een college vormde, dat in hoofdzaak een rechterlijke taak vervulde, maar daarnaast tot 1594 belast was met de uitvoering van de besluiten van het centrale bestuur. Deze hoofdmannen werden door de stad aangesteld en genoten daardoor niet het vertrouwen van de Ommelanders. Zij hadden zich in de loop van de 15e eeuw als een zelfstandig lichaam ontwikkeld uit de warven, appèlcolleges van de vonnissen der Ommelander rechters, tevens met wetgevende bevoegdheid voor de Ommelanden. De betekenis van de warven werd steeds geringer tot ze in 1748 werden opgeheven. Als rechterlijk college werden ze overvleugeld door de Hoofdmannenkamer, op wetgevend gebied door de Staten, die zich in de loop der 15e eeuw langzamerhand gingen vormen.

Weliswaar waren in de 16e eeuw de landdagen gemeenschappelijke vergaderingen van de Stad en Ommelanden, maar ze waren bijeenkomsten van twee, vaak vijandige colleges gebleven. In hun verzet tegen deze eenheid, welke zij als overheersing door de stad voelden, hadden de Ommelanders een eigen "corpus" met een eigen regeringsbestel opgebouwd.

In 1580 waren beide delen verschillende kanten uitgegaan, de Stad werd wederom Spaans, terwijl het Ommelander bestuur naar het buitenland uitweek. Wel riep het stadsbestuur de in het land gebleven prelaten, jonkers, eigenerfden en volmachten op ten landdag en vormde zich daaruit een college van "verordenten" als een soort gedeputeerde staten, maar ook dit bleef te zeer een aanhangsel van stadsbestuur en Hoofdmannenkamer.

De reductie van Groningen in 1594 bracht de overwinning der uitgeweken Ommelanders. De 17e februari 1595 bepaalde een commissie uit de Staten-Generaal, dat Stad en Ommelanden één provincie zouden vormen.

De Ommelanders protesteerden hevig tegen dit besluit, maar desondanks bevestigde ook een nieuwe commissie bij haar vonnis van 21 januari 1597 de eenheid van Stad en Ommelanden. Daarbij werd eveneens de bestuursinrichting van het gewest geregeld. Tegen de punten welke de onderlinge verhouding vaststelden bleven de Ommelanders zich verzetten en bij het vonnis van 8 maart 1599 behaalden ze inderdaad enige voordelen. Ze waren evenwel niet tevreden en ook de stad was weerspannig. De Staten-Generaal tastten door. Een garnizoen werd in de stad gelegd, de burgerij ontwapend, de leiders van het verzet in gijzeling gezet, met de bouw van een kasteel een aanvang gemaakt en in het regeringsbestel van de stad enige wijziging aangebracht. Zo werd de stad bedwongen en ook de Ommelanders legden zich bij het eindvonnis neer. Maar deze gewelddadige schikking beloofde niets goeds voor een toekomstige samenwerking; de gehele 17e en 18e eeuw door bleven beide leden dan ook als vijanden tegenover elkaar staan.

De stad Groningen had in 1594 de soevereiniteit behouden over de stadsjurisdicties Gorecht en de beide Oldambten. Deze waren dus niet rechtstreeks vertegenwoordigd op de landdag. De stad bezat bovendien sinds 1619 het generaliteitsland Westerwolde in leen. De Ommelanden werden gevormd door de drie kwartieren Hunsingo, Fivelgo en Westerkwartier.

De regering van Stad Groningen en Ommelanden, zoals de officiële naam van het gewest luidde, was als volgt ingericht. Wetgeving en algemeen bestuur berustten bij de Staten. Op hun vergaderingen, de landdagen, was de stad vertegenwoordigd door Burgemeesters en Raad, de Ommelanden door jonkers, hoofdelingen, eigenerfden en volmachten. De prelaten waren dus weggevallen. Jonkers en hoofdelingen moesten evenals de overige eigenerfden een behuisde heerd in eigendom hebben, ter waarde van minstens 1000 emder gl. en ter grootte van minstens 30 grazen.

De kerspelen, waar niet dergelijke eigenerfden woonden, konden zich laten vertegenwoordigen door volmachten die ten minste 30 in het kerspel gelegen grazen in gebruik moesten hebben en die door de overige landgebruikers werden gekozen. De samenstelling van de provinciale landdag kwam voor zover de Ommelanden betreft overeen met die der afzonderlijke Ommelander landdagen, zodat voor nadere bijzonderheden naar de inleiding van de inventaris van het Ommelander archief kan worden verwezen.

Stad en Ommelanden brachten op de landdagen ieder één stem uit bij monde van hun syndicus. Deze stem werd bepaald op de vergadering van de leden afzonderlijk. Bij het uitbrengen had de stad de voorrang. Kon men het niet eens worden, dan werd de zaak uitgesteld naar een volgende landdag en zo kwam er dikwijls geen oplossing. Wel was de 21e januari 1597 bepaald dat de stadhouder bij provisie het recht zou hebben bij staking van stemmen te beslissen, maar toen na de dood van Willem Lodewijk de Staten zelf een instructie vaststelden, werd dat punt weggelaten.

In overeenstemming met het tweedelig karakter van het provinciaal bestuur behandelden Stad en Ommelanden op hun eigen bijeenkomsten ook provinciale en dus ook generaliteitszaken. Bij de meeste provinciale ambten bestond de regel, dat Stad en Ommelanden ieder de helft der functionarissen benoemden of bij toerbeurt de vacatures vervulden.

Voor het dagelijks bestuur kozen Stad en Ommelanden ieder vier - van 1601-1625 drie gedeputeerden. Zij traden jaarlijks op 22 februari af, maar waren herkiesbaar. Van stadszijde geschiedde dit in de regel niet, bij de Ommelanden wel, ofschoon ook niet voor een lange periode - zij kozen trouwens hun hoge functionarissen voor twee jaar-. In het college ging het voorzitterschap wekelijks bij beide leden rond; men besliste bij meerderheid van stemmen, bij staking gaf de stadhouder de doorslag, of zo deze niet aanwezig was, het lot.

De gedeputeerde staten schreven de landdagen uit en moesten de daar genomen besluiten uitvoeren, ze hadden het toezicht op de geldmiddelen, terwijl twee uit hun midden met de ontvanger-generaal, twee rentmeesters en twee secretarissen van gedeputeerde staten en Rekenkamer de generale middelen verpachtten. Ze hadden het bewind over militie en de zorg voor alle provinciale gebouwen en dijken. Terwijl de hogere burgerlijke ambtenaren door de Staten zelf werden benoemd, op nominatie van Stad en Ommelanden afzonderlijk, mochten gedeputeerde staten met advies van de stadhouder, present zijnde, enige lagere burgerlijke en militaire ambten vergeven. Sinds 1773 (reglement op de administratie der kerkelijke goederen van 11 februari 1773) moesten de boekhoudende kerkvoogden alle drie jaren aan hen rekening doen.

Naast hun bestuursbevoegdheid vervulden gedeputeerde staten ook een rechterlijke functie. In de eerste plaats op militair gebied, 2. in misdrijven in pachtzaken, 3. inzake landloperij en bedelarij, 4. in zake judicatuur over provinciale ambtenaren en schending van het provinciale eigendomsrecht, 5. in zake terugkeer van ballingen, 6. in alles wat met het provinciaal tuchthuis in verband stond, 7. in zeer zware misdrijven.

In de Staten-Generaal was het gewest aanvankelijk vertegenwoordigd door twee leden, sinds 1652 door vier en na 1660 door zes, in de Raad van State door één, sinds 1674 door twee, in de Generaliteitsrekenkamer eveneens door twee. Voor het Admiraliteitscollege te Dokkum waren twee afgevaardigden aangewezen. Toen dit college in 1645 naar Harlingen werd verplaatst kreeg Stad en Lande het recht bovendien nog twee extraordinaris afgevaardigden te benoemen. Ten slotte was het gewest nog vertegenwoordigd in het college van Admiraliteit te Amsterdam door één lid.

Een groot gedeelte der werkzaamheden werd gedelegeerd aan commissies, waarvan verscheidene permanent zijn geworden, n.l. die tot de petitiën van de Raad van State en dezer provincie financiën, tot de ontvanger-generaalsrekening, tot de rentmeestersrekening, tot de zaken van de admiraliteit, tot de reviesen, tot de verhuring van de provincielanden, tot de limietscheiding, tot de munt, tot de noorder indijking, tot de subsidiën, tot de defroyementen, tot de appoinctementen. Elk jaar op de St. Pieterslanddag wezen beide leden hun gecommiteerden aan.

Een afzonderlijke plaats nam de Rekenkamer in, aanvankelijk bestaande uit vier, later zes rekenmeesters, bijgestaan door een secretaris. Tot hun taak behoorde het toezicht op de provinciale financiën. Ze stonden gedeputeerde staten terzijde bij de verpachting der generale middelen en het onderzoeken van de rekesten der pachters. Ze controleerden de comptabele ambtenaren als de ontvanger-generaal en de rentmeester der voormalige kloostergoederen en hoorden met enige gecommitteerden uit de Staten hun rekeningen af.

Bij het Reglement Reformatoir van 1749 kwamen enige belangrijke wijzigingen tot stand. Zij betroffen o.a. de inrichting van de afzonderlijke besturen van Stad en Ommelanden, die weliswaar het provinciaal bestuur indirect beïnvloedden, maar hier toch niet behoeven te worden uiteengezet.

Reeds de 20e maart 1748 was het stadhouderschap erfelijk verklaard, aanvankelijk allen in de mannelijke linie, de 26e april ook in de vrouwelijke. Bij het Reglement Reformatoir kreeg de erfstadhouder "de volkomene aanstelling en dispositie" van alle hoge politieke en militaire bedieningen en de "approbatie" van alle provinciale, zo binnen- als buitenlandse commissiën.

Enige jaren later, in 1755, kwam het z.g. reglement van prinses Anna tot stand, waarbij het waterschapswezen in de provincie werd geregeld. In dit verband is het belangrijkste dat de finale goedkeuring van de rekeningen der zijlvestenijen en dijkrechten ten overstaan van commissarissen van de Hoge Justitiekamer moest geschieden evenals de vaststelling van de "cieringe en raminge" (begroting). Dit toezicht verviel in 1796, maar werd in 1798 hersteld en toen opgedragen aan het Administratief bestuur, waarna het in latere jaren overging aan Departementale en Provinciale besturen.

De revolutie van 1795 bracht aanvankelijk, behalve wat de wijze van verkiezing betreft, meer verandering in naam dan in wezen. Er kwamen provisionele representanten, die de 26e februari 1795 het erfstadhouderschap vernietigden. Op 15 maart 1796 werd een commissie geïnstalleerd tot het opmaken van een plan ven regering voor de provincie. Men wilde afschaffing van het tweeledig karakter van het provinciaal bestuur, waarbij tevens de stadsjurisdicties gelijkgerechtigd zouden worden; men had dus een representatie naar de bevolking en niet naar de districten op het oog. Maar alvorens de voorstellen van deze commissie en haar subcommicssies waren aangenomen, vond de omwenteling van 22 januari 1798 plaats, waarbij de soevereiniteit van het gewest werd opgeheven. Een Intermediair Administratief Bestuur van het voormalig gewest Stad en Lande werd ingesteld.

• https://www.archieven.nl/nl/

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.