Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 26-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

landarbeidersorganisaties

Verenigingen van landarbeiders ter verkrijging van een rechtvaardig loon.

Werden in de provincie Groningen de lonen eerst jaarlijks per dorp vastgesteld, na de oprichting in 1897 van de Nederlandse Bond van , een bij het NAS aangesloten bond die in vooral de Veenkoloniƫn uitgroeide tot een omvangrijke organisatie onder leiding van Willem Luttje, en de oprichting in 1898 van de Noorderbond, een bundeling van werkliedenverenigingen op het Hogeland, die onder leiding van de onderwijzer Beishuizen enige invloed wist te verkrijgen, kreeg de loonvorming steeds meer een regionaal karakter.

In 1907 had de NBL daarbij succes in het gehele oosten van de provincie. Dat had wel tot gevolg dat de boeren zich ook gingen verenigenen, en wel in de eerste Nederlandse werkgeversorganisatie in de landbouw, met als belangrijk figuur de latere voorzitter D.T. Barlagen.

De Noorderbond op het Hogeland kwam niet goed van de grond, waarna in 1907 in Groningen een Nieuwe Nederlandse Bond van werd, die zich direct aansloot bij het nieuw gevormde NVV.
Ook de zuivelarbeiders in Noord-Nederland vonden onderdak in deze bond, die onder leiding stond van Pieter Hiemstra. In 1912 wist deze bond een aansprekend resultaat te boeken: loonsverhoging voor de landarbeiders in
Usquert. 'Van Usquert begon de victorie', is lange tijd een gevleugelde uitdrukking in de provincie geweest.

De bond groeide snel en al in 1913 slaagde hij er onder leiding van de Oost-Groninger propagandist Jan Hilgenga in om in Blijham de eerste Nederlandse landbouw-cao af te sluiten. De bond stelde voortaan looneisen per regio. Dat was ook voor de boeren aanleiding zich per regio te organiseren.

Na vele stakingen en conflicten, met als hoogtepunt de stakingen in 1919, waarbij, overigens met slechts een beperkt succes, gepoogd werd de grote verdiensten van de boeren aan het eind en direct na WO-I ook enigszins ten goede te laten komen, streefde de landarbeidersbond er eind jaren '20 naar een behoorlijk loonpeil voor de gehele provincie vast te stellen. Dat leidde uiteindelijk tot de grote landarbeidersstaking van 1929, die 5,5 maand duurde en eindigde met het door de bond accepteren van een omstreden compromis. De gevolgen van de in dat jaar uitgebroken economische crisis dwongen boeren- en landarbeidersorganisaties tot een gezamenlijk pleidooi voor overheidsingrijpen in de landbouw - de Landbouwcrisis-wetgeving werkte pacificerend.

Na WO-II werd de landbouw verder georganiseerd, eerst op landelijke schaal via o.a. het instellen van het Landbouwschap, waarin boeren- en landarbeidersorganisaties meebestuurden, later ook op Europees niveau,
toen S. Mansholt vorm gaf aan het Europees landbouwbeleid. Inmiddels hebben de mechanisatie en rationalisatie in de landbouw het fenomeen landarbeider bijna geheel laten verdwijnen. De landarbeidersorganisaties zijn dan ook allang in groter (vakbonds)verband opgegaan, zoals de Voedingsbond(en) in FNV Bondgenoten en de Industrie- en Voedingsbond in het CNV.

Lit: P, Hoekma, J. Houkes en O. Knottnerus (red), Een eeuw socialisme en arbeidersbeweging in Groningen, 1885-1985 (Groningen 1986).


Pageviews vandaag: 10.