kunstbusgroningen

Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 03-04-2022 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

landaanwinningswerken

Kwelderwerken zijn menselijke ingrepen in kwelders om aanslibbing landaangroei te stimuleren. Tot 1991 werden het aan de Nederlandse waddenkust landaanwinningswerken genoemd. Dit soort kwelders bestaan uit een systeem van kweldervakken dat is omgeven door rijshoutdammen (dammen van voornamelijk wilgentakken), gecombineerd met een uitgebreid stelsel van greppels. Dankzij de greppels stroomt het water optimaal in de vakken en wordt het ook goed afgevoerd, hierdoor is de opslibsnelheid optimaal.

De aangroei van kwelder werd gestimuleerd door boeren en landeigenaars omdat het aangegroeide land in hun bezit kwam. De kwelders kwamen steeds dieper in zee te liggen en na verloop van tijd ingepolderd zodat er landbouw plaats kon vinden.

Hoewel in het verleden de belangrijkste functie van deze kwelders landaanwinning was, richt het onderhoud zich nu meer op de instandhouding van het kwelderareaal. Daarnaast dienen de landaanwinningswerken als dijkbescherming.

Eeuwenlang hebben de bewoners van het kustgebied met wisselend resultaat geprobeerd de onvruchtbare zandbodem van het wad tot cultuurgrond te maken, door het met het vloedwater over de wadbodem meegevoerde slib daarop tot bezinking te laten komen. In 1917 en 1918 maakte ir. A.G. Verhoeven, de latere directeur van het Technisch Bureau der Domeinen in Den Haag, studiereizen naar Sleeswijk-Holstein, waar landaanwinning al staatsaangelegenheid was. In maart 1928 werd door de Dienst der Domeinen aan de Minister van Financiƫn het voorstel gedaan om van staatswege de landaanwinning te bevorderen. In juli 1928 werd met proefnemingen aan de Lauwerszee begonnen door het aanstellen van arbeiders op mondelinge overeenkomsten, onder de dagelijkse leiding van werkbazen. Velen van hen hadden ervaring opgedaan op de 'boerenkwelders'. De werkbazen waren rechtstreeks verantwoording schuldig aan de landmeter der Domeinen A.J. Schooleman te Leeuwarden, die met recht de pionier der Rijkslandaanwinning mag worden genoemd.

Toen de Rijksdienst voor de Werkverruiming, later Dienst Uitvoering Werken (DUW) geheten, door de grote werkloosheid in de jaren dertig naar werkobjecten ging zoeken, achtte de Staat de tijd rijp om op grote schaal landaanwinningswerken te gaan uitvoeren. Het Rijk nationaliseerde kweldergronden door het afsluiten van zogenaamde delimitatiecontracten. Met de aangrenzende oevereigenaren werd een grensregeling getroffen, waardoor de grens tussen de domeingronden en die der oevereigenaren kwam te liggen op 300 m. zeewaarts van de bestaande kwelderrand. De oevereigenaren gaven hierbij bepaalde rechten prijs, waartegenover de Staat zich verplichtte landaanwinningswerken aan te leggen op de 300 m. brede strook tussen de kwelderrand en de overeengekomen grens.

In 1935 werd onder leiding van ir. W. van Konijnenburg, het eerste hoofd van de Dienst Landaanwinningswerken in Groningen, met een kleine duizend werkloze arbeiders aan de landaanwinning door het Rijk begonnen. De daarbij gevolgde Sleeswijk-Holsteinmethode ging als volgt: aan de kust werd een strook langs de dijk over een diepte van 800 m. door dammen in vakken van 400 bij 400 m. verdeeld, zodat in de richting haaks op de kust telkens twee vakken achter elkaar werden aangelegd. Binnen die vakken kwam het vloedwater tot rust, zodat de zich daarin bevindende vaste delen bezonken. De dammen werden gemaakt van twee rijen houten palen, waartussen een vulling van rijshout werd aangebracht. In de vakken werden om de vijf tot tien meter greppels gegraven, die na verloop van enkele maanden dichtslibden. Met de uitgegraven grond ervan hoogde men het midden der 'akkers' weer op, die daardoor gedurende steeds grotere perioden bij eb droogvielen. Op de akkers ontwikkelden zich onder andere zeekraal, spartina en kweldergras. Deze werkten het afzetten van slib en zand sterk in de hand. Aldus ging het niveau van de akkers van jaar tot jaar omhoog, totdat de kale zandvlakte geleidelijk in een beweidbare kwelder was veranderd, die voor indijking in aanmerking kwam. Langs de kusten van de Waddeneilanden bevorderde men de landaanwinning door de aanleg van 'stuifdijken'. Op de zandvlakten, die alleen maar bij stormvloed onderliepen, plaatste men schermen van rijshout, waardoor in een seizoen vlakten van enige km2 . groot omgeven werden door een zand- of stuifdijk, waarvan de kruin boven de stormvloeden was gelegen. Het er binnen gelegen land stoof uit, naderde de capillaire grondwaterstand en werd daardoor vochtiger. Er ontwikkelde zich op de voorheen dorre zandvlakte een weidevegetatie, mits er zorg was voor een goede afwatering en bemesting.

Ondersteuning van de landaanwinning bood de in 1936 ingestelde Studiedienst onder leiding van dr. L.F. Kamps. Eerst als tijdelijk bedoeld en alleen belast met onderzoek naar de herkomst van het waddenslib verruimde de dienst zijn doelstelling met onderzoek naar de flora, fauna en waterkwaliteit, alsmede de slib- en waterhuishouding van de Wadden.

Tot de oorlog werd niet minder dan 35000 ha. aan land gewonnen. Gedurende de periode 1940-1945 liepen de landaanwinningsactiviteiten sterk terug. In de eerste jaren na de oorlog was het aantal beschikbare arbeidskrachten zo gering, dat vanaf 1947 werd overgegaan tot gedeeltelijke mechanisatie, speciaal van het graven van greppels. Mede dankzij deze mechanisatie konden enkele duizenden hectaren worden bewerkt.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.