Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 03-07-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Kerk van Zuidbroek

Twee van de oudste en fraaiste gebouwen van Midden-Groningen zijn de Nederlands-hervormde kruiskerk met toren in Noordbroek en de Nederlands-hervormde kerk met toren in Zuidbroek. Beide gebouwen hebben een leeftijd van zo'n 700 jaar. Op grote afstand vallen zij al op en hoe dichter je er bij komt, des te meer kom je onder de indruk van de massale schoonheid; weinig in deze gemeenten dat met mensenhand gemaakt is kan daar tegen aan. Onze voorouders, toen die nog kerkmensen waren, hebben er alles op gezet om er iets van te maken dat schoon en blijvend is.

Allereerst schenken wij aandacht aan de zuidmuur. Hier zijn duidelijk drie gedeelte te onderscheiden: schip, dwarspand en koor. De muur van het schip is maar eenmaal ondersteund door een lisene. Dit gedeelte van de kerk heeft dan ook maar twee traveeën. Elke travee heeft boven twee ramen en twee nissen. beneden heeft de linker travee vijf nissen. In de grootste van deze heeft vroeger een deur gezeten. De rechter travee heeft zes nissen. De beide rijen van ramen en nissen lopen door in het dwarspand en in het koor. Alleen bij het koor is de onderste rij onderbroken door kleine, ronde ramen, rozetvensters genoemd.

Wij letten nu nog op enkele bijzonderheden aan het gebouw. De vensters zijn maar smal, vijfenzeventig centimeter. De noordelijke muur is vrijwel geheel gelijk aan de zuidelijke. Alleen de topgevel van de noordelijke dwarsarm is wat anders verierd en in de aansluiting van dwarsarm en schip zien wij twee kleine, smalle ruitjes in een schuine opvulling van de hoek. Die ruitjes dienen voor verlichting van de wenteltrap. Ongeveer in het midden van het schip is, evenals aan de zuidzijde, een deur dichtgemetseld. Deze deur is niet zo laag als die van de kerk van Noordbroek. De legende van het Noormannendeurtje kon hier dus niet zo gemakkelijk opkomen. In een steen is gegrift: '1770 deze deur toegemaakt'. Vroeger diende de noordermuur tot ingang voor vrouwen. De mannen kwamen door de zuiddeur binnen. In de westmuur vinden wij wee stenen met inschriften die restauraties aangeven. Op de ene steen staat: '1770, Joh. Conr. Appelius, pastor en Nantko Amsingh en Hindrik Aapkens, kerkvoogden'. De andere vermeldt dat de restauratie van 1915 gebeurd is onder leiding van H.R. Holthuis, toen E. Botjes F.zn, K.R. Hagenus en W. Zuidema kerkvoogden waren.

Midden in de kerk blijven wij eerst stilstaan om het geheel op ons te laten inwerken: preekstoel, orgel, muren, koor, lichtinval, gewelven. Dan gaan wij de onderdelen nader bekijken. Eerst de preekstoel en er omheen het doophek met de lessenaar van de voorlezer. Op de kuip van de preekstoel zien wij verschillende figuren. Panee; 1: Mozes met de wetstafels: het Oude Verbond:; paneel 2: vorouw met boek: het Geloof; paneel 3: vrouw met anker: de Hoop; paneel 4: vrouw met kinderen: de Liefde; paneel 5: engel met boek: het evangelie: het Nieuwe Verbond. Verder vermeldt het opschrift dat de preekstoel in 1736 gemaakt is (door Casper Struiwig), toen Conradis Klugkist pastor, Harmen Melissen en Onno Fockens kerkvoogden waren.

Wij gaan nu de trap op naar het orgel en zijn verrast als wij in het gewelf erboven een inscriptie zien waar na nauwkeurig onderzoek de deskundigen van hebbeb gemaakt : 'Als men schreef duizend vierhonderd achtentachtig, mtoen werd deze kerk gewijd. Heer Ido zong zijn eerste mis. De kerkvoogden waren: Eltjo Ellykus, Aybbo Sibenus en Egge Fokens).'

Over het orgel vertelde de heer S. Graafhuis het volgende. Het is in het jaar 1795 gebouwd door F.C. Schnitger Jr. en H.H. Freytag en stamt dus uit de orgelschool der Noordduitse barok, ondanks in sterke mate aanwezige rococokenmerken. Hoewel het in 19de eeuw het rugwerk vrij sterk en het pedaal in mindere mate gewijzigd zijn, heeft het orgel nog de karakteristieke milde klank, welke kenmerkend is voor de tijd waarin het tot stand kwam.

Wij gaan weer naar beneden en zien in de noordermuur een wijdingskruis en tegenover de preekstoel een overwelfde bank en daarnaast de toegangsdeur naar de wenteltrap, die in de dikke muur gemetseld is en naar de gewelven leidt. Boven de bank is een opschrift aangebracht, dat wij nog even willen lezen: 'Als Daniël Wussim was pastoor toen hebben Focco Amsinck en Willem Smael als voogden in dit choor laten maken deze bancken en de vloer.' Deze bank is dus gemaakt plm. 1670 en heeft eerst in het koor gestaan.

Bij de opgang naar het koor blijven wij nog even staan om de sierlijke afwerking van het hek te bewonderen en het opschrift boven de gang te lezen: 'In den jare 1843 zijn in het inwendige dezer kerk enige veranderingen en vernieuwingen aangebracht toen Ds. Idzard Tinga predikant en Wubbo Cornelius Wildervanck, Rudolf Luitjens Bouwman, Bonifacius Hendrik van der Haer kerkvoogden waren.' aande achterkant boven de deur zien wij een slang die een ring vormt. Hij heeft de staart in zijn bek. Dit stelt de oneindigheid voor. Binnen de ring van de staart is een stralenkrans, die uitgaat van een driehoek, waarin met Hebreeuwse letters de naam van God. Links zien wij in de versiering van het koor nog een opschrift in het Latijn, dat ons meedeelt dat de zitplaatsen vernieuwd zijn toen C. Klugkist predikant en Gerh. Schaffer en Hommo Elties kerkvoogden waren, in 1709.

Wij kijken nu rond in het koor en bedenken dat hier vroeger het altaar stond en de priester hier de mis opdroeg. Op de muur zien wij vier wijdingskruisen en een engel en in de muur vijf nissen met ronde bogen. Het is te merken dat het hier lichter is dan overal anders in de kerk. In de vloer zien wij op elk van de vier hoeken een grafsteen waarvan de opschriften en versieringen nog heel duidelijk zijn. De stenen zijn van Nanno Amsingh 1690, Jan Arents 1697, Eppien Amsingh, weduwe van Jan Arents 1726 en weduwe C.C. Emmery 1764.

Wij kijken nu nog even rond in deze aan Petrus gewijde kerk. De muren maken een levindige indruk nu zij ontkalkt zijn. Wij tellen zes koepels. De versieringen zijn daarop blootgelegd. De afstand tussen vloer en gewelf is 17.50 meter. De muren zijn 1.30 meter dik

Nu gaan wij weer naar buiten. Rondom de kerk ligt het kerkhof. De oudste grafsteen is van Beerneer Jarges, 1558, in leven ambtman van de beid oldambten. Op de steen komen de volgende wapens voor. Rechts: Jarges; links: gedeeld, a. halve adeleer, b. drie eikenbladen; in de vier hoeken: 1. een klimmende leeuw op een geschaakt veld, 2. Huinga, 3. ten Holte, 4. uitgesleten.

In mei 1973 heeft de heer H.J. Jansonius uit Overschild het kerkhof te Zuidbroek afgeprikt en ontdekt dat er nog twintig grafzerken onder het graf liggen, soms vrij diep. Een volledige beschrijving van die grafzerken wordt bewaard op het gemeentehuis. Hieronder volgt een beknopte weergave van stenen waarvan iets te zeggen is.

Grafsteen 1645 van Luitien Kniplinck. Met een wapen: tweemaal een zespuntige ster, een wassenaar (wassende maan) en een huismerk met de letters LK.
Grafsteen 1659 van Ocko Aapkens. Met een wapen: een halve adelaar, tweemaal drie klaverbladen en een arm met een sabel of een speer.
Grafsteen 1664 van Diewertien Abels. Met een wapen: twee leeuwen die elkaar een poot geven, een halve adelaar en drie klaverbladen; het helmteken boven het wapen stelt een leeuw voor.
Grafsteen 1675 van Frouwe Eppens, huisvrouw van Eppo Tyackens. Met een wapen: drie lelies en een leeuw. het helmteken is ook een leeuw.
Grafsteen 1689 van Luirt Hayes. Met een wapen: een halve adelaar, drie klaverbladen en een huismerk met de letters L.H.. Het helmteken is ook een klaverblad.
Grafsteen 1697 van Focko Olgers. Met een wapen: drie lelies en twee herten springend tegen een boom; het helmteken van een lelie. Verder op de steen een knappe man met mooi krullend haar.
Grafsteen 1760 van Albert feckes gehuwd met Grietje Botjes. Met een wapen: een ploeg, waarboven een kroon.
Grafsteen 1795 van Anna Tyarks. Versiering: doodshoofd op twee gekruiste doodsbeenderen.
Grafsteen 1813 van Eppo A. Edzes. Gevleugelde zandloper en doodshoofd.
Grafsteen 1817 van Talle Hinderikus Knotnerus. Gevleugelde zandloper en doodshoofd.
Grafsteen 1822 van Anna Jurjens-Oosthof. Doodshoofd op twee gekruiste doodsbeenderren en een gevleugelde zandloper. het wapen: springend hert tegen een boom, twee halve leeuwen die elkaar een poot geven en drie klaverbladen; daarboven een kroon.
Grafsteen 1822 van Siebentje Sierts. Wapen: twee halve leeuwen die elkaar een poot geven.
Grafsteen 1824 van Eppo H. Hommes. Wapen: springend hert tegen een boom, waarboven een kroon.
Grafsteen 1824 van de huisvrouw van Edzo H. Hommes. Wapen: als de vorige.
Grafsteen 1833 van Edzo H. Hommes. Wapen: als de vorige.



Opmerkelijk is dat de eerste zeven grafstenen alle getuigen van de hoop op een zalige opstanding door Christus. Dat gebeurde soms door een rijm. Op de grafsteen van Focko Olgers, 1697, staat b.v.
Die hier nu leijt en is niet doot
Maar leeft en rust in Abrams schoot
Zijn lichaam slaept en werck niet meer
Zijn ziel leeft heerlijck bij den Heer
Hij nu besit de saelicheijt
Voor 's werelts gront hem toebereijt
Totdat zijn lichaam onbevleckt
Door Christum werde opgeweckt.


De stenen van 1795, 1813, 1817 en 1822 (Oosthof) hebben een doodshoofd, al of niet gecombineerd met een zandloper als symbool van de vergankelijkheid van het leven. De theorieën van Voltaire en Rousseau werkten door tot de grafstenen. Als er geen god is, is er ook geen eeuwig leven. En als alleen bestaat wat wij kunnen constateren, dan is het leven een zandloper en de dood wat botten.
De laatste vier stenen vermelden alleen: ter nagedachtenis aan. Geen geloof in een eeuwig leven en geen zandloper of doodshoofd.

Evenals bij de kerk van Noordbroek staat ook hier de toren apart en ten oosten van de kerk. De toren is ook hier kleiner dan de kerk en had ook hier de bestemming om een huis te zijn voor de klok. Het valt ons direct op, dat de galmgaten ronde bogen hebben en dat er totaal zestien in zitten, aan elke kant vier. In de zuidermuur zitten bovendien nog twee getraliede vensters. Daar zijn de cellen achter, waar vroeger de gevangenen in werden opgesloten. Links boven is een zonnewijzer aangebracht en het jaartal 1709 geeft aan dat de zuidmuur toen gerestaureerd is. De zware toegangsdeur zit aan de noordkant.
In de toren hangt een klok van 1320 kg met het opschrift: 'Harmannus Borgel Pastor, Aeilko Tjadens, Wibbo Fockens, kerkfogden. Harman Kelderman heft mi gegoten in de namen der Hillige Drevoldicheit 1603'. deze klok is in 1943 op weg geweest naar de Duitse smeltovens, maar is onderweg blijven steken. Toen hij terugkwam is hij gescheurd. Maar hij is gelast en hij hangt er weer.
De torenis hoog twintig meter. De dikte van de muren is onder honderd en tachtig centimeter. Bij de restauratie in 1962 is gebleken dat de toren gefundeerd is op puin. In dit puin zaten vele profielstenen van gelijke vorm als de voor de bouw van de kerk gebruike. Daaruit zou men kunnen afleiden dat de kerk eerst gebouwd is en daarna de toren. bij de toren zijn in 1962 ook gaten gevonden waaruit bleek dat daarin de klokken van de toren gegoten zijn. Sinds 1628 staat er een haan op de toren voor het wijzen van de windrichting.

Nu moeten wij nog even aandacht schenken aan twee gebouwen, die vanouds ook eigendom waren van het kerspel, namelijk de pastorie en het grijze gebouw daar tegenover. De pastorie is van 1741. Opvallend daaraan is het zeer hoge tentdak en de kleine ruitjes van Boheems paars glas. Dit gebouw is na Wereldoorlog II aangekocht door de gemeente, die op de grote tuin bejaardenwoningen heeft gebouwd. In 1985 heeft de gemeente het gebouw weer verkocht.
Toen de kerk nog voor het onderwijs zorgde was het grijze gebouw ingericht als school. later werden er woningen in afgetimmerd en een consistorie. Voor enkele jaren heeft de hervormde gemeente het ingericht tot vergaderlocatie en er de naam Kerkhörn aan gegeven, de oude naam van de Torenstraat.

Over de geschiedenis van de kerkbouw valt nog het volgende mee te delen. Vroeger stond de kerk meer naar het oosten. Waarschijnlijk dicht bij het oostelijke eind van de Heiligelaan. Zij is omstreeks 1270 verplaatst vanwege het hoge water. Men zocht een zandhoogte waar het water niet komen kon. Men vond die plaats op dezelfde heerd, die blijkbaar eigendom was van de kerk, verder naar het westen. de stenen voor de bouw werden gebakken van de klei die de zee aangevoerd had. De legende verhaalt dat eer kloosterbroeders gingen staan van steenbakkerij tot bouwplaats en elkaar de stenen een voor een aangaven. Vandaar de naam 'Heilige-laan'.

Het jaar 1270 is ontleend aan een mededeling die door de syndicus van de stad Groningen op 20 juli 1573 is opgeschreven: 'In anno 1573 hefft Zuydtbroekster kercke gestaan omtrent 303 jaeren ende hefft eertijdts upt olde kerckhoff na den oesten by der moele gestanden; dan is vermidts thoge water verset worden. Doede Tyarcks auth.'
Deze enkele woorden hebben een rijke inhoud:
a. de Zuidbroekster kerk heeft op deze plaats gestaan sinds ongeveer 1270.
b. voor dat jaar was er een andere kerk;
c. die stond op het oude kerkhof;
d. stond naar het oosten;
e. stond bij de plaats waar in 1573 een molen stond;
f. is vanwege het hoge water verplaatst
g. deze mededeling is van Doede Tyarcks zelf; Doede Tyarcks was rechter te Zuidbroek.

In verband hiermee hebben wij de kronieken van Emo en Menko opgeslagen en daar vonden wij:
'In het jaar des heren 1267, bij het begin van de Marcellusvloed, bij het begin van het vijftigste jaar na de Sint Marcellusvloed, toen de wind gedurende enige dagen door Nothus en Affricus de zee had opgezweept, volgde plotseling tussen schemering en voornacht op Affricus de wrede Circius. De oceaan brak op verscheidene plaatsen Friesland in door de dijken en veroorzaakte een overstroming. Alleen Fivelgo bleef vrij van deze plaag, misschien omdat het zijn dijken meer dan andere Friezen had verhoogd.'

'In het jaar 1272 hebben vele tegenspoeden het voedselgebrek vergroot, waarmee de Friezen te kampen hadden, vooral de Oostfriezen van Fivelgo af en verder oostwaarts. Een van de oorzaken is de te grote regenval gedurende vier jaren. De Woldjers kwamen het meest in benauwdheid, bovenal in Oostwold en in Noord- en Zuidbroek, omdat hun land zo laag lag.'

Verder kunnen wij in dit verband nog meedelen:
a. aan het oostelijk eind van de Heiligelaan, aan de zuidzijde, is vroeger een kerkhof geweest; omstreeks 1920 zijn daar vele geraamten gevonden, evenals in 1986.
b. daar vlakbij stond vroeger een molen;
c. er is nog een legende bewaard over klooster en put en onderaardse gang in die buurt.

Bronnen:
• Vooralsnog is voor dit artikel als basis genomen het boek 'Noord- en Zuidbroek in vroegere jaren', 1973, door H. Antonides.


Pageviews vandaag: 5.