Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 10-07-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Kerk van Noordbroek

Twee van de oudste en fraaiste gebouwen van Midden-Groningen zijn de kruiskerk met toren in Noordbroek en de kerk met toren in Zuidbroek. Beide gebouwen hebben een leeftijd van zo'n 700 jaar. Op grote afstand vallen zij al op en hoe dichter je er bij komt, des te meer kom je onder de indruk van de massale schoonheid; weinig in deze gemeenten dat met mensenhand gemaakt is kan daar tegen aan. Onze voorouders, toen die nog kerkmensen waren, hebben er alles op gezet om er iets van te maken dat schoon en blijvend is.

In het interieur vallen de koepelgewelven op, de vele muur en gewelfschilderingen en twee overblijfselen uit de katholieke tijd: een sacramentsnis in het koor en een piscina. Het interieur is zeer rijk te noemen met een koorhek, een rijk bewerkte preekstoel en een Schnitgerorgel.

Het exterieur is in de loop van de eeuwen nauwelijks veranderd. De kerk is geheel uit groot formaat baksteen in kettingverband opgetrokken met van het westen naar het oosten een schip van drie vierkante traveeën, een transept en het koor. De benedenzone bestaat uit spitsbogige spaarvelden, verdeeld in twee zones. In de bovenzone van bijna alle gevels bevindt zich in elke travee een hoog en breed spitsboogvenster, vergezeld door twee smallere spitsboognissen. De kerkmuren zijn versterkt door lichte, liseenachtige beren. Drie portalen - één uit 1786, de overige uit de 19e eeuw - geven toegang tot de kerk. Zowel kerk als toren zijn in de loop der eeuwen nauwelijks gewijzigd, alleen de westgevel is in 1720 vernieuwd.

Het patrocinium van deze kerk is niet bekend. wellicht Liudger? Er wordt ook wel gedacht aan een van de leden van het Thebaanse Legioen. Niet ongebruikelijk in de middeleeuwen. Het kerspelzegel van Noordbroek uit 1709 toont een krijgsman (of de bisschop Liudger?) met wapperende mantel, die in de linkerhand een afbeelding van een kerk, in de rechterhand een lans of vaandel vasthoudt. www.archieven.nl

De kerk had veel gezag. In het kerspel Noordbroek namen de predikant en kerkvoogden belangrijke posities in. Dit is bijvoorbeeld af te leiden uit de ondertekening van de dijkbrief van 1573, dat onder andere gebeurde door de
plaatselijke predikant. De kerk had veel grond in eigendom, wat ook veel bevoegdheden in het kerspelbestuur met zich mee bracht.


Klik voor kaart in detail bij Groninger Archieven.

Allereerst schenken wij aandacht aan de zuidmuur. Hierin zijn duidelijk drie gedeelten te onderscheiden; links: een lang gedeelte, het schip van de kerk; midden: het dwarspunt met puntgevel; rechts: een kort gedeelte met ombuiging, het koor van de kerk. De muur van het schip is tweemaal versterkt door een verbreding. Dit noemt men een lisene. De eerste lisene wordt nog weer ondersteund door een zogenaamde steunbeer. Uit de aanwezigheid van de lisenen is op te maken dat het schip in drieën is verdeeld. Die drie delen noemt men traveeën. De eerste travee is kleiner en heeft boven alleen wee nissen. De beide andere traveeën hebben elk een raam en twee nissen. De spitse punt van de ramen wijst al op de Gotische stijl. Onder de bovenste rij van ramen en nissen zien wij nog tien nissen. Binnen de grootste nis is een deur dichtgemetseld.

De top van het dwarspand heeft drie nissen en aan de kanten en boven versieringen. Op dezelfde hoogte als de ramen van het schip zit in het dwarspand ook een raam met aan elke kant een nis. Daaronder een voorportaal en daarnaast nissen. Dit portaal doet even vreemd aan: nietig in vergelijking met het grote bouwwerk en opgemetseld van kleine stenen. Het is er in de achttiende eeuw voor gezet om de kou op te vangen. Bij de laatste restauratie is het bewust gehandhaafd, omdat het architectonisch verantwoord geacht wordt en omdat het een functie vervult. Rechtsom komen wij langs het vijfzijdige koor. Het valt op dat hier geen ondernissen zijn.

Wij willen nu de noordkant nog even bekijken. Een paar dingen vallen op. Ook hier een portaal, evenals aan de zuidkant. Hierop staat het jaartal 1786. De topgevel is anders versierd dan die aan de zuidkant. Bij de overgang van dwarspand naar schip is een uitbouw. Daar zit een wenteltrap achter. Ook aan de noordkant is ongeveer in het midden van het schip een deur dichtgemetseld. Door de ophoging van het kerkhof lijkt het dat die maar laag was. Wij denken even aan een legende in verband met de Noormannen: men moest een lage deur aanbrengen in de noordmuur van de kerken; dan was men genoodzaakt bij het uitgaan een buiging te maken voor de zeekoningen van het noorden. Maar wij denken er meteen bij: och, die legende kan niet op waarheid berusten, want toen deze kerk werd gebouwd, waren de rooftochten van de Noormannen allang voorbij.

Opvallend is dat de oostelijke transeptvensters en de koorramen onderin zijn dichtgezet; mogelijk wilde men de hoogte van deze vensters aanpassen aan de hoogte van de schipvensters (misschien heeft men deze 'verdiepte raamnissen met doorlopende montanten' gezien in kerken in Noord-Duitsland). Het oostelijke venster is bijna geheel dichtgemetseld. Dat moet al vroeg gebeurd zijn, want aan de binnenkant zitten muurschilderingen uit de 14e eeuw.

Nu nog even aandacht voor de westmuur. Daar staat het jaartal 1720 in. Toen is die muur gerestaureerd, maar niet in de oorspronkelijke vorm. Vroeger zat hier de hoofdingang. En daar zat een gedachte achter: van het westen binnenkomen, met het gezicht naar het oosten; en dan bij het binnenkomen knielen, tegelijk in de richting van het altaar in het koor en van Jeruzalem en Golgotha.

Interieur

In het ruimtelijk ogende interieur is de uitwendige geleding weerspiegeld. De kerk heeft vier en een halve
travee en een vijfzijdige koorsluiting. De halve travee zit aan de westkant. Blikvangers van het interieur zijn behalve de rijkversierde preekstoel en het orgel de muur- en gewelfschilderingen, waarschijnlijk aangebracht in drie verschillende perioden. Van west naar oost vinden we onder andere schilderingen van de zondeval, de doop van Jezus in de Jordaan door Johannes de Doper, Christophorus met het Christuskind op zijn schouders de rivier overstekend, de vier evangelisten en het Laatste Oordeel. Twee katholieke elementen zijn nog aanwezig in het interieur in de vorm van een sacramentsnis en een piscina.

Kort na de bouw, halverwege de 14e eeuw, werden de gewelven voorzien van een steentjesschildering
afgewisseld met banden, teksten en bloemenranken. Maar ook met figuratieve voorstellingen, waaronder
de kroning van Maria in het noordelijk dwarspand, Christophorus in het zuidelijk dwarspand, restanten van
heiligen in de koortravee en de evangelisten in de derde travee. In dit travee is de naam van de
vermoedelijke maker te vinden: [TH]OMAS / FECIT / DE NORDA (Thomas uit Norden heeft dit gemaakt).
De tweede periode, zo omstreeks 1490, heeft de belangrijkste schilderingen opgeleverd: een tweede
Christophorus-scene, de zondeval, de doop van Christus in de Jordaan, de vier evangelisten in het
vieringgewelf, het Laatste Oordeel in de koortravee en de Man van Smarten hoog in de koorsluiting.

Wij gaan door de noorderdeur naar binnen en blijven midden in de kerk stilstaan en worden van binnen stil, verrukt, verwonderd. Voor ons zien wij een prachtig versierde preekstoel met een opschrift, waaruit blijkt, dat Wolter Wolthers en Tjapke Peters toen kerkvoogden waren, dat Anthonius Knock na een vacature daar dominee werd en dat de preekstoel voltooid is door hopman W.E. Struve in 1757. Op de preekstoel staan twee koperen kaarshouders. Om de preekstoel een kunstig bewerkt doophek met lessenaar voor de voorlezer.

Van het meubilair vallen de preekstoel en het doophek op; beiden in 1757 vervaardigd door Hopman
Struve voor het bedrag van 840 gulden. De met ornamenten overwoekerde kuip van de preekstoel komt
duidelijk uit de eindfase van de barok, de rococo. Deze stijl wordt ook wel Louis Quinze genoemd. Het
doophek is wat meer ingetogen. Het koorhek en de banken zijn in 1805 gemaakt.

Wij draaien even naar rechts en hebben dan het volle gezicht op het schip van de kerk en op het orgel. Rechts zien wij bij de overgang van dwarspand naar schip de deur naar de wenteltrap, waarvan aan de buitenkant de verdikking in de muur zichtbaar was.

Orgel Arp Schnitger

Wij gaan nu naar het orgel met 24 stemmen, verdeeld over hoofdwerk 10, rugwerk 7, en pedaal 7 stemmen, en treffen het. De organist S. Graafhuis is daar juist bezig. Hij is bereid een stuk voor ons te spelen en ons wat van het orgel te vertellen.
Dit orgel werd in het jaar 1696 gebouwd door de beroemde Hamburger orgelbouwer Arp Schnitger. Het instrument met aanvankelijk twee klavieren en een pedaal was tamelijk bescheiden van omvang en dit zal de reden zijn geweest waarom in 1768 Albert Anthoni Hinsch, die het orgelmakersbedrijf der Schnitgers had voortgezet, opdracht kreeg het orgel te vergroten. Hij verving het verkorte octaaf door een volledig groot octaaf. De kassen van het orgel werden dieper gemaakt, zodat nog enkele registers konden worden bijgeplaatst, waardoor een wat voller klankkarakter werd verkregen.
Toch was men kennelijk niet geheel tevreden, hetgeen blijkt uit een belangrijke verbouwing, die in 1806 werd uitgevoerd door Heinrich H. Freijtag, een nog weer latere opvolger in de orgelmakerij der Schnitgers. De orgelkas werd nu belangrijk verbreed, hetgeen nodig was om de pedaalregisters, die achter het orgel in een aparte kas stonden opgesteld, aan weerszijden van het hoofdwerk een plaats te kunnen geven, en vernieuwde het frontpijpwerk. Bovendien werd de onderbouw van de orgelgalerij vernieuwd. In deze periode werd ook het orgelbalkon gemaakt en de draperieën op de wand achter het orgel.
Sedertdien werd aan het orgel weinig meer veranderd, behoudens enkele registers in het rugwerk, die in 1855 door Petrus van Oechelen werden vervangen door andere; deze wijzigingen zijn in 1953 echter weer ongedaan gemaakt.
De laatste grote restauratie werd in 2014 verricht door Mense Ruiter orgelmakers. Het orgel heeft
Het instrument munt uit door zijn fraaie, stralende klank en geeft een karakteristiek beeld van de orgelbouw uit de school van Arp Schnitger en diens opvolgers als vertegenwoordigers der Noord-Duitse barok.

Het orgel is in 1696 gebouwd door Arp Schnitger, deels met enkele registers van een ouder orgel. Het orgel
is geplaatst op een orgeltribune. De Louis Quinze stijl is ook te zien op ornamenten onder de middentoren.
Na herstelbeurten van A.A. Hinsz in 1752 en 1768 bouwde H.H. Freytag tussen 1806 en 1809 er twee
pedaaltorens bij. In 1953-1955 werd het orgel teruggebracht in de toestand van 1809. Bij deze restauratie
werd uitgegaan van de dispositie van Freytag. In 2014 is het orgel weer gerestaureerd. Op de wand achter
het orgel is een draperie geschilderd.

Wij gaan nu weer door naar beneden, door het schip naar het dwarspand. Links boven zien wij de galerij, hier altijd klunderbeune genoemd. Die is daar aan gebracht in 1693.
Na het dwarspand komen wij aan in het koor, vroeger het centrum van de kerk. In de muren zijn op geringe hoogte een paar nissen aangebracht, die boven rond zijn. Een ervan had een afvoer voor water. De priester waste daar zijn handen voor en na het bedienen van de mis bij het altaar. Die wasgelegenheid werd met een Latijns woord piscina genoemd. Na de Hervorming verviel de centrale betekenis van het koor. Die ging over op de preekstoel.

Het Laatste oordeel

In het koor hebben wij een prachtig gezicht op de gewelven. De ribben komen in het midden in een ring samen. Boven ons in het koorgewelf zien wij een uitvoerige schildering. In zes van de acht segmenten is een afbeelding van Het Laatste Oordeel aangebracht.
De centrale voorstelling staat in het vierde segment van links: Christus gezeten op de regenboog, verschijnt als rechter van het heelal op de laatste dag. Zijn voeten rusten op de wereldbol. Uit zijn mond gaat aan de linkerkant (vanuit Christus gerekend) een tweesnijdend zwaard en aan de rechterkant een lelietak. De littekens van de kruisnagels zijn te zien aan handen en voeten. De Christuskop is door een meesterhand vervaardigd. Naast de Christusfiguur zijn engelen afgebeeld, die op vreemdsoortige trompeten blazen. Op het geluid hiervan staan de doden op uit hun graven.
In de segmenten aan de rechterkant van Christus (dus aan de kant van de lelietak) zien wij achtereenvolgens: Maria, de moeder des heren, biddend voor degenen die tot het oordeel komen; Een voorstelling van de hemel in de vorm van een Gotisch bouwwerk. Wij zien engelen uit de ramen kijken en op trompetten blazen. het hoofd van Petrus voor de deur is nog juist zichtbaar en een stoet van gelukzaligen die toegang vragen tot de hemelpoort; Een mannenfiguur devoot neergeknield voor een bisschop in groen gewaad. Mogelijk is deze geknielde figuur degene die het geld voor de schildering heeft geschonken, de zogenaamde donator.
In de segmenten aan de linkerkant van Christus (dus aan de kant van het zwaard) zijn afgebeeld: Johannes de Doper, biddend voor degenen die tot het oordeel komen; De stoet die naar de hel gaat. Voorop lopen een monnik en een bisschop. Hiermee heeft de schilder aangegeven, dat recht gesproken wordt zonder aanzien van persoon. De open helmond is vervaagd evenals de duivels en andere gedrochten, die de hellevaarders kwellen en martelen. Een monster is nog duidelijk zichtbaar. Hij grijpt een manspersoon naar de keel. Waarom deze man naar de hel moet, is ook te zien. Hij zwaait nog met een bierpul in zijn linkerhand.
Bij het maken van deze afbeelding heeft de schilder blijkbaar voor ogen gehad de beschrijving van Jezus' wederkomst in Mattheus 25.
De ring in het gewelf is prachtig versierd met leliemotieven. Binnen de ring bevindt zich een madonnafiguur.
In het gewelf in het kruis van de kerk zien wij figuren waardoor de vier evangelisten worden aangeduid: engel (Mattheus), leeuw (Marcus), stier (Lucas) en adelaar (Johannes).
Bij het verwijderen van de kalklaag bij restauraties in de 20ste eeuw kwam in dit gewelf een tekst tevoorschijn waaruit bleek, dat de kerk in 1599 ingrijpend is gerestaureerd door meester Gerget en zijn gezellen: 'Anno 1599 in der tit als Johans Sprenger pastor und Febe Freckes und Pendrike Tho Brock und Memme Ubbens Kerckvogede tho Nordbrock weren heeft Mester Gerget mit sin gesellen disse kercke gerepper und gestoffer.' Uit het opschrift in het kruis van de kerk blijkt, dat alles wat aan de roomse eredienst herinnerde is weggewerkt. Dit was dus vijf jaar na de overgang van deze streken naar de Hervorming. Naast deze tekst werden in deze periode ook allerlei door hen gebruikte metselaarsattributen op het vieringgewelf aangebracht en mogelijk de zwarte versiering van de zuidelijke vieringboog. Johannes Sprenger was van 1597 tot 1599 de eerste officiële predikant van de kerk na de hervorming.
En dan is in dit gewelf ook nog afgebeeld Sint Martinus, die zijn kleed middendoor scheurt en de helft weggeeft.

In het tweede gewelf uit het westen zien wij Christophorus met Christus op zijn rug wadend door het water, aan de overkant van het water gewenkt door de kluizenaar met een lantaarn in de linker- en een buidel in de rechterhand. Verder in dit gewelf een engel die op een harp speelt. In de rozet een bisschopsfiguur.
In het gewelf voor het orgel zijn afgebeeld de zondeval van Adam en Eva en de doop van Johannes in de Jordaan. In de rozet van dit gewelf is nog een kunstig bewerkte houten afsluiting aangebracht.
Wij gaan nu nog langs de muren om te zien wat daar in vroegere tijden op is afgebeeld.
Als wij de zuiddeur van de kerk binnenkomen zien wij rechts: Sint Joris met de draak en Sint Christophorus tot de knieën door het water wadend. Op dezelfde muur aan weerszijden van het koor zijn waarschijnlijk de twaalf apostelen afgebeeld. In het koor zien wij op de oostmuur Christus met het onderschrift: Ecce homo, Petrus met de sleutel en een vrouwenfiguur. Op de zuidmuur van het koor zijn een man en een vrouw afgebeeld, waarvan de betekenis niet duidelijk is. Op de galerij onder het raam aan de oostkant is de kroning van Maria Regina afgebeeld. Op de Zuidmuur van het schip zien wij nog een alligator (krokodil) en op de noordmuur een kwalachtig beest.

In 1905 werd de schildering in het koorgewelf weer blootgelegd en de andere schilderingen bij de restauratie van 1970-1974.

Wij gaan nu nog even de wenteltrap op om te zien hoe kunstig de gewelven aan de bovenkant zijn. En daar zien wij ze op een rij liggen, als ronde heuvels. Zij worden tegen wind en weer beschermd door het overkoepelende, nu herstelde dak.
Als wij weer beneden zijn, schenken wij nog even aandacht aan het plaveisel, dat bestaat uit in vorm gemaakte natuursteen. Dit is een zogenaamde Bremervloer.
Voor het koor ligt een stervormige steen, zoals er overigens niet in de provincie voorkomen. Het opschrift vermeldt dat de kerk opnieuw geplaveiseld werd in 1779, toen kerkvoogden waren de kluftheer Waldring Amsingh en de zijlvest Lambert Jacobs. Onder de houten vloer in het koor liggen nog een aantal ongeschonden grafzerken, waaronder enige van de latere famile Gockinga.
Nu nog een laatste blik in de kerk. Wij meten met onze ogen nog eens de lengte: veertig meter, en de hoogte van het hoogste gewelf: zestien meter.
In het Groninger museum wordt nog een collectebus van Noordbroek bewaard die dateert uit 1707.

Begraafplaats

Buiten de kerk ligt het kerkhof waar onze voorouders eeuwenlang hun doden begraven hebben. Men voelde zich daar het dichtst bij God.

Oorspronkelijk werden de overledenen begraven met het gezicht naar het oosten, omdat vandaar de opstanding werd verwacht op de laatste dag bij de wederkomst van Jezus Christus. Vele oude grafschriften getuigen hiervan.

Er ligt een weg rondom de begraafplaats. Die werd vroeger lijkpad genoemd. Voor het lijk in het graf neergelaten werd, ging men er een of drie keer mee rond over het lijkpad.

De oudste steen is van 1603. Er liggen twee mannen onder begraven, vader en zoon. Op de steen is het volgende te lezen.
'Anno 1603 den 14 januarii is der erbarer Egbert Luwers christelich in Godt de Heren entslapen unde vorwachtet alhier dorch Christum eine vroliche opperstandige, synes olders 33 jare.''Anno 1631 den 6 augustii is Christeliken in den Heeren ontslapen die erbar Luwerdt Egberts olt zijnde omtrent 42 jaren en verwachtende door God des genade eine vrolike uperstanding door Christum.'
Verder is er nog een wapen in de steen gebeiteld: twee tegen elkaar springende leeuwen en een huismerk: twee kruisen in verschillende standen met de letters E. en L.

Toren

Wij gaan nu naar de toren die afzonderlijk van de kerk staat, een vlakopgaand gebouw van twee verdiepingen en gedekt door een zadeldak. De toren is zestien meter hoog en heeft muren van 1.90 meter en 2.35 meter. In Noordbroek noemen ze de toren wel de Olle Dodde. Dodde is een dik log ding. Men moet in hem zien de oude baas die dag en nacht waakt over ons dorp.

Bij de eerste aanblik valt op dat hij kleiner is dan de kerk. De naam toren is dus eigenlijk niet juist. Beter zou zijn klokkestoel, want hij is gebouwd om de klok er in op te hangen. De klok die vroeger zoveel betekende: oproepen naar de eredienst, aangeven van de tijd, uiten van vreugde en smart en het uitluiden van de doden.
Om de klok in de omgeving beter te kunnen horen zijn rondom in de muren galmgaten aangebracht. Opvallend is dat die een ronde boog hebben. Dat wijst op de Romaanse bouwstijl. Daaruit zou men kunnen afleiden dat de toren eerder gebouwd is dan de kerk.

In het dak boven de zuidmuur zien wij de wijzerpaal van de klok.

In de oostmuur en westmuur zit een deur. De 'Olle Dodde' had oorspronkelijk een poortdoorgang naar het kerkhof. De drempel ligt lager dan de grondhoogte. Dat komt omdat de grond in de loop der tijd hoger is geworden.

Als wij naar binnen gaan zien wij een klok hangen die een middellijn heeft van 1.37 m en 1666 kg weegt. Deze klok is na wereldoorlog II gegoten door Gebr. van Bergen te Midwolda. De vorige klok, die dateerde van 1817, werd in 1943 weggehaald door de Duitsers.

In de eerste helft van de negentiende eeuw was er ook een cel in de de toren voor het opsluiten van arrestanten, vooral dronkaards.

De Pastorie

We willen nog even naar de pastorie kijken, want die hoort ook bij de kerspelgebouwen. het is met een oogopslag te zien dat dit gebouw lang niet zo oud is als kerk en toren. In de muur bij de voordeur zijn de letters E.E.V.D.T. gekrast. Die zijn van Ds. van der Tuuk, die hier in 1805 stond. Het is een statig herenhuis met twee verdiepingen. Achter is een schuur met twee stallen en een koetshuis. Vroeger was dominee er ook vaak half boer bij. Dat was in de tijd toen de pastorie nog weeme heette. Achter de pastorie ligt een fraaie tuin met eeuwenoude bomen, heuvels, slingerpaden en een vijver. Vroeger lag er een houten brug over de vijver en stond er een theehuisje op een heuvel achter in de tuin.

Uit de tuin gaan wij weer het lijkpad op: rechts stond voor kort de voormalige kinderschool, daterend uit de tijd toen de kerk nog voor het onderwijs zorgde. En nog even verder, ook rechts, komen wij langs de vriendelijke consisterie, waarin de kerkeraad en de kerkvoogden vergaderen en waar de catechisaties worden gehouden.

Historie kerk van Noordbroek

Over de bouw van deze kerk zijn geen schriftelijke gegevens bewaard. Wij kunnen dus alleen maar afgaan op de bouwstijl. En dan behoort zij tot een van de hoogtepunten in Groningen van de laatromaanse bouwkunst, de overgang van de romaanse op de gotische stijl, ook wel romanogotiek genoemd. De overgang van het zware en logge naar het omhoog rijzende type. Zichtbare kenmerken zijn de indeling en bewerking van de muren; een beneden en bovenzone met veel siermetselwerk in de bovenzone. De indeling en de bewerking van de muren en het siermetselwerk in de bovenzone is nog laatromaans, terwijl de hoge muren en de hoge spitsboogvensters naar de gotiek neigen.

Dat de kerk van Noordbroek richting gotiek gaat is goed te zien aan de gereduceerde benedenzone en de bredere vensters van het schip en het transept. Dat laatste ging ten koste van de nissen aan weerszijden van de vensters: deze werden smaller. De vijfzijdige koorsluiting is al bijna helemaal gotisch. De meloenvormige koepelgewelven en de versiering van de topgevels van het dwarspand zijn nog duidelijk laatromaans.

De bouwperiode van de losstaande toren stelt men op de jaren 1260 tot 1275 en dat van de kerk vanaf het eind van de 13e eeuw tot de voltooiing van het koor in het tweede kwart van de 14e eeuw. En dat in een ononderbroken bouwproces.

Bijzonder is het dat een gebouw van zulke grootte en deels vernieuwende bouwstijl gebouwd kon worden in een landstreek die in die tijd de bewoners in veel gevallen amper middelen van bestaan kon bieden. Men kan aannemen dat de bouw van de kerken hier georganiseerd werd door de bisschop van Münster met medewerking van de grondbezitters en van het gehele dorp.

De kerk van Noordbroek werd gebouwd in een tijd waarin er vele overstromingen waren en het verplaatsen van dorp en kerk eerder regel dan uitzondering waren. ook de huidige veertiende eeuwse kerk met losstaande toren, de Olle Dodde, moet bijna wel een voorganger hebben gehad, maar waar die dan gestaan zou hebben is tot nu toe niet bekend. Ook de restauratie van de kerk in de jaren 1968-1973 heeft op dit punt niets aan het licht gebracht. Stenen van een vroegere kerk werden nergens ontdekt en ook was niet zichtbaar dat de kerk gebouwd is op de grondvesten van een oudere kerk, wat wel gebruikelijk is. Wel werden in het metselwerk (van de toren?) enkele tufstenen gevonden en puin van monniken en nonnen, zoals men de eerste dakpannen noemde. Maar uit het muurwerk van de kerk bleek dat deze in één keer is gebouwd. Er zijn namelijk geen stijlbreuken tussen verschillende delen van het gebouw te zien. De westmuur van het schip is wel van latere datum, maar dit zal zijn omdat de originele muur bouwvallig was geworden.
Door middel van het oude kerspelzegel kunnen wij misschien wel een indruk krijgen van de kerk die er voor deze dan was. Hierop is duidelijk een romaanse kerk met ronde ramen te onderscheiden.


Kerspelzegel Noordbroek 1709
Randschrift: SIGILLVM NORTBROECK
Wapen: de kerk van Noordbroek. Het schild door krijgsman (of bisschop Liudger?) in wapperende mantel met linkerhand vastgehouden, met de rechterhand een lans omklemmend.

Ook op de kaart van Barthold Wicheringe van de provincie Groningen gemaakt in 1616, waarin wordt aangegeven hoeveel dorpen en kerken er in de zondvloed van 1277 zijn vernietigd, wordt de kerk van Noordbroek nog voorgesteld als een romaanse kerk met de toren vastgemaakt aan het kerkgebouw terwijl die van Zuidbroek al als losstaande kerk met gebouw werd ingevuld. Zie de volledige en gedetailleerde kaart op www.rijksmuseum.nl


Een van de plekken waar misschien een voorganger gestaan kan hebben is ergens onder Rommelskerken, dat wat noordelijker gelegen is. In oude teksten wordt ten aanzien van Noordbroek wel gesproken van Nord A Brock (Noord van (gebied) Broek). Dat Noordbroek een wat noordelijker gelegen oorsprong heeft is dus heel wel mogelijk. Een andere mogelijkheid zou nog een stukje land ten noorden van de Pastorieweg in de omgeving van het viaduct van de N33 zijn dat het 'oude hof' werd genoemd. Mogelijk was dit dan het oude kerkhof.

Eerste nederzettingen van Broek

Rond het jaar 1000 bestond een groot deel van Oost-Groningen uit (hoog) veengebied ontstaan door slechte ontwatering vanwege de zeespiegelstijging. Door aanslibbing waren langs de rivier de Eems en de Oude Ae oeverwallen ontstaan waarop boeren zich vestigden. Deze begonnen de veengronden te ontwateren om te kunnen ontginnen, waardoor deze uitdroogden en de bodem daalde. Na verloop van tijd werden deze gronden daardoor weer te nat en moesten ze verder het veen intrekken om weer hogere landen in cultuur te brengen. Tegen het einde van de twaalfde eeuw bereikten deze boeren zo de hoger gelegen gronden waarop nu de dorpen Noord‐ en Zuidbroek liggen. Hier lag vermoedelijk maar een dunne laag veen waardoor de vernatting uitbleef toen ook hier door ontwatering het veen begon in te klinken.

In de loop van de middeleeuwen veranderde de monding van de Eems echter en kon bij noordwester stormen het zeewater steeds hoger worden opgestuwd tegen de oeverwal. Een aantal grotere en kleinere stormvloeden kon mede door slecht onderhoud aan dijken en sluizen de oeverwallen doorbreken en de laagste delen van het Wold-Oldambt gebied onder water zetten. Zo ontstond er een steeds grotere zeeboezem: de Dollard. Bij vloedgolven hielden op een gegeven moment alleen de bewoners van Korengast - een hoger gelegen gebied ten noorden van het huidige Noordbroek - droge voeten. Was dit het eerste dorp Noordbroek, hier gesticht vanwege deze gunstige ligging? Het antwoord blijft ongewis, omdat de sporen van (eventuele) bewoning in lager gelegen gebieden vooralsnog zijn verdwenen onder het zeeklei van latere zondvloeden.

De eerste nederzetting van Noordbroek was vermoedelijk dus wat verder in het oosten gelegen, in de nabijheid van het beekdal van de Oude Ae. Molema gaat er van uit dat de primaire nederzetting van het huidige Noordbroek is gesticht in de eerste helft van de 12e eeuw, onder de naam Broek. Op een kaartje van Menso Alting werden de vroegere bewoners van het gebied rondom Broek (Broke) ook wel de Oosterbroekster Woldmannen genoemd, ofwel de Ostbroca Silvani. Wanneer de primaire nederzetting groeit en steeds verder uitbreidt richting het westen waar de zandrug ligt waar de huidige dorpen Noordbroek/Zuidbroek opstaan, scheidt de zuidelijke uitbreiding zich af en krijgt de naam Zuidbroek.

Vanaf de 12e eeuw werden meerdere grote (kruis)kerken gesticht in het Woldgebied, volgens Molema een indicatie voor de groei van de relatieve bevolkingsdichtheid en welvaart. Zo doen Stratingh en Venema de aanname dat er een oud Noordbroekster kerkhof en waarschijnlijk ook een oude kerk van Noordbroek meer oostwaarts gelegen zou zijn, tegen Korengarst aan. Er is inderdaad een aanwijzing die tot een uitgebreide veldverkenning uitnodigt. In de huidige kerk van Noordbroek is namelijk tufsteen verwerkt die mogelijk is hergebruikt. Het komt vaak voor dat er in kerken van verplaatste dorpen, hergebruikte bouwmaterialen van de verlaten kerk voorkomen. Het type bouwmateriaal, bijvoorbeeld tufsteen, kan een indicatie geven voor de datering van de verlaten kerk. Tufsteen komt bijvoorbeeld voor tot het begin van de 13e eeuw, waarna het werd vervangen door baksteen. De huidige kerk van Noordbroek is gebouwd in de eerste helft van de 14e eeuw (1298-1335), wat een tufstenen voorganger niet uitsluit.

Een oude bouwmassa of fundament van een voorgaande kerk kan als richtlijn gebruikt worden voor de datering van de stichting van een nederzetting. Doordat het (jonge) kleipakket het veen heeft afgedekt, zijn de sporen van middeleeuwse nederzettingen over het algemeen goed bewaard gebleven. De sporen van een oud kerkgebouw, en daarmee de oude nederzetting, zijn aan de hand van bepaalde aannames redelijk te traceren. Het voorgaande kerkgebouw kan bijvoorbeeld te vinden zijn op de kavels die op de lijn liggen van de opstrekkende kavel van de kerk, de pastorieheerd. Dit kerkelijk bezit is door de eeuwen heen een tamelijk stabiele factor, aangezien er nauwelijks landerijen werden verkocht. Hierdoor is de pastorieheerd een redelijk stabiel uitgangspunt om op zoek te gaan naar de voorgaande middeleeuwse plek waar een eventuele vorige kerk met de daarbij behorende nederzetting kan hebben gestaan.

Strokenverkaveling

De Bont heeft onderzoek verricht naar middeleeuwse agrarische veenontginningen in Nederland en heeft kunnen opmaken dat de verschillende ontginningstypen overeenkomstige kenmerken hebben. Over het algemeen zijn de ontginningen gebaseerd op een veenontginningsblok met strookvormige percelen.

Deze stroken werden begrenst met sloten, die essentieel waren voor een goede ontwatering. Deze sloten liepen 'opstrekkend' het veld in, bijvoorbeeld vanaf een waterloop, en dienden tevens als eigendomsgrenzen.
De langgerekte kavels hadden allemaal een afgesproken vaste breedtemaat om tot een eerlijke verdeling van de gronden te komen. Ter afscheiding van de naburige ontginningen werden er zij- en achterkades opgeworpen. De kavels behoren tot één van de oudste en meest voorkomende verkavelingssystemen in het veen; de 'strokenverkaveling' ofwel 'doorlopende plaats'.
De boeren hadden het recht om de onontgonnen gronden achter en voor hun eerste ontginning ook in eigendom te nemen. Dit verdelingssysteem heet het 'recht van opstrek'. In het bijzonder in de randzones van het veen, over het algemeen lager gelegen gebied, hadden de gebruikers profijt van dit recht. De laaggelegen akkers hadden bijvoorbeeld eerder wateroverlast waardoor de opbrengsten hier lager waren. Na verloop van tijd waren de boeren genoodzaakt hun akkers te verlengen richting de hogere, droge, gronden. De boeren waren volgens het recht van opstrek vrij om dit te doen en konden zodoende gemakkelijk hun bedrijf uitbreiden naar betere gronden.
Het 'recht van aanwas' was een aanvulling op het recht van opstrek. Dit is het recht dat een grondeigenaar had op aangrenzende nieuwe landen die door aanwassen waren ontstaan, bijvoorbeeld na bedijkingen.

Het veldsysteem van Korengarst en Noordbroeksterhamrik

Net als een groot aantal andere dorpen in het Dollardgebied had ook Noordbroek vóór de ruilverkaveling een verkavelingssysteem volgens het recht van opstrek. Op oude topografische kaarten is de oost-west georiënteerde strokenverkaveling van Noordbroek goed zichtbaar.
Een aantal auteurs beweert dat de verkavelingsstructuur van een gebied tot stand komt door 'richtlijnen', in combinatie met het recht van opstrek.Ter oriëntatie in het gebied, werden richtlijnen getrokken naar kerken en klokkentorens van naburige dorpen. Een richtlijn kreeg fysiek vorm als kavelsloot en was daarmee een eerste begrenzing. Vervolgens werd het gebied parallel aan deze richtlijn ingedeeld volgens het recht van opstrek.
Bij onderzoek naar de kolonisatie van de Friese wouden, ontdekte Post kavellijnen van onder andere Drachten die ook gericht waren op een oriëntatiepunt. Vanaf een beginpunt op eigen grond werd er gericht op een klooster op Smalle Ee, een gehucht in de nabijheid van Drachten. Ook hier werden er sloten gegraven die dienden als begrenzing. Post constateerde tevens dat er een primitieve voorganger was van torens als oriëntatiepunt. Voor dat er gebouwd werd dienden hoge punten met zichtbare begroeiing als oriëntatiepunt.

Pol denkt dat ook de verkavelingsstructuur van Noordbroek is bepaald door 'richtlijnen' en het recht van opstrek. Door kavelgrenzen te volgen en door te trekken kan volgens Pol een aanname worden gedaan van de locatie van een vroegere kerk en wellicht een vroegere bewoningsas. Vanuit Oostwold, Meedhuizen, Steendam en voormalig Scheemda zijn er richtlijnen te vinden die samenkomen op een vermoedelijke plek van de vroegere kerk van Noordbroek, namelijk onder het Kielhuis, op een pastorieheerd van de kerk van Noordbroek. De aanname dat de oude kerk nabij het Kielhuis moet hebben gelegen wordt gesterkt door de reconstructie van het dal van de Oude Ae in dit gebied door Groenendijk. De eerste bewoning oriënteerde zich over het algemeen op de beekdalen.
Of de kavellijnen vanaf Noordbroeksterhamrik daadwerkelijk georiënteerd waren op de (voorganger van de) kerk van Slochteren of op een ander, hoger gelegen element op die plek is niet met zekerheid vast te stellen. De kerk van Slochteren dateert vermoedelijk uit de 13e eeuw en de eerste veennederzettingen in het Oldambt dateren al uit de 9e en 10e eeuw.
Zoals aangegeven, is de primaire nederzetting Noordbroek vermoedelijk al gesticht in de eerste helft van de 12e eeuw en is het gebied vanaf die tijd ook grootschaliger ontgonnen, aangezien de grote kolonisatie van het Woldgebied begon. Daarnaast is het onzeker of er een ander hoog gelegen element in het landschap zichtbaar was, aangezien de eerste kolonisten niet arriveerden in een onafzienbare veenvlakte, zoals Pol beweert, maar een
bebost woldgebied. Indien er wordt beredeneerd vanuit de 'richtlijn' benadering waarbij de kerk van Slochteren als richtpunt fungeerde, zal Noordbroeksterhamrik vermoedelijk pas vanaf de 13e eeuw kunnen zijn ontgonnen, .

De oudste ontginningsnederzettingen waren vaak op korte afstand van de veenstroompjes. Hierboven werd al het vermoeden geuit dat de oeverwal van de Oude Ae, ten oosten van Noordbroeksterhamrik, de basis was van waaruit het gebied werd ontgonnen. Aangezien de verkavelingsrichting ten westen van Noordbroeksterhamrik loodrecht staat op de verkaveling ten oosten van Noordbroeksterhamrik, wordt er vanuit gegaan dat er vanuit verschillende basissen is ontgonnen. De natuurlijke begrenzing van het gebied was ten westen en noorden de Ringsloot. Er is een gemiddelde breedtemaat zichtbaar bij de opeenvolgende kavels ten oosten van Noordbroeksterhamrik. Over het algemeen varieert de breedte tussen 50 en 60 meter, maar er zijn ook 'dubbele' kavels met een breedte van gemiddeld 95 meter. In het rapport voor de ruilverkaveling Nieuw-Scheemda wordt ook aangegeven dat de opstrekkende kavels tussen de 50 en 100 meter breed zijn. Ongeveer 300 meter ten westen van Noordbroeksterhamrik is een oude grenslijn zichtbaar. Dit zou een oude veendijk of achterkade van de eerste ontginningsfase kunnen zijn, die functioneerde om het water te keren dat afkomstig was van de westelijk gelegen zandruggen. Op de nieuwe hoogtekaart is de markering ook zichtbaar, maar eerder als sloot. Op deze hoogtekaart zijn meerdere structuren zichtbaar, zoals de oost-west georiënteerde opstrekkende lijnen en de noord-zuid georiënteerde dwarslijnen. Deze waarneming is van belang voor een booronderzoek.
De meest noordelijk gelegen kavels lopen als een taartpunt naar elkaar toe, dit komt door de begrenzing van de Ringsloot. Vanaf de as van Korengarst zijn alleen de lange kavels die vanaf Noordbroeksterhamrik liepen verlengd. Het is mogelijk dat Korengarst de voorlaatste ontginningsas is en het huidige dorp Noordbroek dan de laatste ontginningsas.
Of de bewoning ook bij de verschillende ontginningsfasen mee schoof is niet met zekerheid vast te stellen. Zoals in de inleiding is aangegeven zijn Korengarst en Noordbroeksterhamrik vermoedelijk beide bewoond vanaf halverwege de 16e eeuw. Toch bestaat ook de mogelijkheid dat dit gebied slechts tijdelijk onbewoond is geweest. Het is niet uit te sluiten dat Korengarst reeds in de 9e en 10e eeuw bewoond raakte, waarna ze wellicht verdreven werden door natheid. De naam 'garst' of 'gaast' staat voor een 'ontgonnen hoogte grenzend aan een vochtige laagte', en indiceert natheid. Het is een echt kusttoponiem, wat overeenkomt met de perioden van overstroming
voordat de bedijking plaats vond halverwege de 16e eeuw.
'Hamrik' staat voor weiland dat vroeger in gemeenschappelijk gebruik was. In deze streek (Noordbroeksterhamrik) waren dus waarschijnlijk de gemeenschappelijke gronden gelegen en die waren niet per definitie bewoond. Booronderzoek zal aanwijzingen moeten geven over de mate waarin het land bewerkt werd vóór de overstromingen.

Toen in 1559 het bisdom Groningen werd ingesteld, viel het kerspel Noordbroek niet meer onder het bisdom Münster maar onder het bisdom Groningen (zoals alle kerspelen in de tegenwoordige provincie Groningen). De kerspelbegrenzing veranderde tot 1800 over het algemeen weinig. De territoria van de oude kerspelen, de kerkgemeenschappen, bleven na de Hervorming bestaan, ook in Noordbroek.

Sinds februari 1968 is de kerk in restauratie. Als architekt werd R. R. Offringa aangetrokken, later opgevolgd door diens zoon P. Offringa. A. Stamhuis treedt als aannemer op. Aan de rechterzijde van het koor - gezien vanuit het schip- legde men een piscina bloot: een nis met gootsteen die een aan de buitenkant van de kerk uitkomende afwatering bezit. Tijdens het opdragen van de mis waste de priester daar zijn handen en spoelde hij het vaatwerk * . Het systematisch verwijderen van de kalklagen leverde een zeer rijke oogst aan middeleeuwse wandschilderingen op. Deze werden gerestaureerd door Hessel Hut onder toezicht van Jelle Ottes.

Op 21 november 1975 werd de gerestaureerde kerk officieel in gebruik genomen. Een beschrijving van de restauratiewerkzaamheden vindt men in "De Nederlandse Hervormde kerk te Noordbroek" door H.G. de Olde, alwaar ook een opgave van oude en recente literatuur.

Bronnen:
• Vooralsnog is voor dit artikel als basis genomen het boek 'Noord- en Zuidbroek in vroegere jaren', 1973, door H. Antonides.
A.F. (Annelies) Vermue MSc, auteur van o.a. masterscriptie 'Noordbroek. Een interdisciplinair onderzoek naar de vorming en ingebruikname van de kleilanden in de 15e en 16e eeuw.'

H.G. de Olde - Op 21 november 1975 werd de gerestaureerde kerk officieel in gebruik genomen. Een beschrijving van de restauratiewerkzaamheden vindt men in "De Nederlandse Hervormde kerk te Noordbroek" door H.G. de Olde, alwaar ook een opgave van oude en recente literatuur.

archieven.nl


Pageviews vandaag: 3.