kunstbusgroningen

Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 25-02-2022 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Kamer van Koophandel en Fabrieken te Groningen

Ontstaan: november 1829. Werkgebied: Deze kamer omvat de gehele provincie Groningen, als gevolg van een fusie van de Kamers te Groningen en Veendam, die vanaf 1922 ieder hun deel van de provincie hadden bestreken. Daarvoor telde de provincie zes Kamers van Koophandel. Van 1922-1942 omvatte het grondgebied mede de Drentse gemeenten Peize, Rolde en Eelde.

Korte historie van de economie in de provincie Groningen

De stad Groningen heeft vanaf de oudste tijden een plaats ingenomen onder de handeldrijvende steden van de lage landen. In de Romeinse tijd bestond er een aktieve handel tussen Groningers en Friezen enerzijds en Romeinen anderzijds. Daarop wijzen de vele vondsten van roodachtig aardewerk (terra sigillata), afkomstig uit de jaren 150-250. Uit de fabrieksstempels op het aardewerk kan men afleiden dat het o.a. uit Trier kwam. Men mag aannemen dat het hier ging om een handel in gebruiksvoorwerpen. Romeinse legioenen waren in het Noorden immers amper geweest en waren bovendien sedert het jaar 70 vertrokken. Groningers en Friezen verkochten van hun kant ossehuiden aan de Romeinen, zij waren en bleven grote veehouders op hun terpen.

In de 12e eeuw was in de stad Groningen voor de handel op verre streken een koopliedengilde tot ontwikkeling gekomen, dit is een privaatrechterlijke belangengemeenschap, waar vier hanzen bij aangesloten waren, nl. voor de handel op Ripen in Sleeswijk, Hebrun aan de Eems, Keulen en Utrecht. Groningen had ook relaties met Engeland, waar men toentertijd soortgelijke koopliedengilden bezat. Dit wijst misschien op hun herkomst in onze streken. Belangrijke taken van de gilden waren het tegengaan van oneerlijke concurrentie van binnenuit en van buitenaf, bescherming van de kooplieden onderweg tegen piraten en de zorg voor de rechtszekerheid van de kooplieden in het buitenland. Voor landbouw was de provincie te onbedijkt; pas omstreeks 1200 komen de. eerste dijken, aanvankelijk slechts 1 meter hoog. Voor de handel dienden de waterwegen, maar er werden ook wegen door de moerassen van Drenthe aangelegd, die tevens dienden voor ontsluiting van nieuwe kolonisatie-gebieden.

Naast veeteelt was op de terpen in geringe mate landbouw mogelijk, maar korenimport was voor Groningerland absoluut noodzakelijk. De stad Groningen kan ontstaan zijn als centrum van agrarische exploitaties, als handelsstad op het kruispunt van water- en landwegen: aan diep water op het eind van de Hondsrug, als strategisch punt, maar ook als administratief centrum, dat afwijkende kenmerken had van het omringende platteland. De "oldermanni", die in het bestuur van de stad zaten, waren waarschijnlijk oorspronkelijk de leiders van het koopliedengilde. Deze economische gilden kregen ook vaak de naam hanze (ansa = verbondenheid), waaruit later de stedelijke hanzen ontstonden, publiekrechterlijke eenheden voor de bescherming van de eigen kooplieden. Deze stedelijke hanze bleef in Groningen tot in de 15e eeuw bestaan, ging politieke en economische verbintenissen aan met vorsten en steden in het Oostzeegebied en nam deel aan de Ommelandsvaart om Kaap Skagen heen. Zekerheid omtrent de functie van de koopliedengilden bij het ontstaan van een stad is echter bij geen enkele Nederlandse stad te verkrijgen.

Het stapelrecht dat Groningen in de 12e eeuw verwierf en tot 1798 behield, hield in dat alle producten uit het omringende platteland in Groningen ter markt moesten worden gebracht. Dit had niet alleen tot doel dat men zich wilde verzekeren van voldoende voedsel voor de eigen burgerij, maar ook dat men de handel in deze agrarische producten kon beheersen.

Omstreeks 1400 was in het gehele noorden Groningen de enige stad, waar de lokale nijverheid (steenbakkerij, bierbrouwerij, lakenhandel) meer producten afleverde dan er nodig waren voor de eigen behoefte. Het overschot werd van belang als handelsobject op een wijdere omgeving. Nog steeds werd op de zware zeeklei meest veeteelt bedreven; de producten werden verhandeld tot in Westfalen en naar de Landen om de Oostzee. Als retourvracht nam men wijn, zout en graan mee.

Bijna alle handel ging trouwens over water: via Rijn, IJssel, Waddenzee waarmee de stad door enkele waterwegen was verbonden, Oostzee, en de kooplieden werden dan ook vrachtvaarders. De enige verbindingswegen over land met Groningen waren die over de Hondsrug en de landweg naar Bremen. Van wegbeveiliging was amper sprake, het ontbreken van, of een slechts zeer zwak landsheerlijk gezag was hier de oorzaak van. Dit had weer tot gevolg dat juist een hanze-stad als Groningen zeer veel macht kreeg. Men had hier alleen te maken met het stedelijk gezag, dat overigens ook niet voorzag in de wegbeveiliging.

In de Ommelandsvaart werden de Groningers en de Friezen in de 14e en 15e eeuw langzamerhand verdrongen door de IJsselsteden, Kampen, Zwolle, Zutfen en Deventer. Deze steden bezaten krachtige stedelijke besturen, die reeds aan het eind van de 13e eeuw verdragen afsloten met vorsten en steden in het Oostzeegebied. Bovendien begon de stad Lübeck aan het eind van de 13e eeuw de Groningers en de Friezen uit de Oostzee te weren, tot genoegen van de IJsselsteden.

Holland en Zeeland wisten echter, gesteund door een krachtig landsheerlijk gezag, tenslotte niet alleen de voornaamste plaats in te nemen in het handelsverkeer met de Oostzeelanden, maar ook in dat met Engeland. De Groningers en de Friezen, die reeds in het begin van de 13e eeuw in het handelsverkeer met Engeland werden aangetroffen, werden ook hier geweerd door de sterkere concurrent.

Het door de Groninger stadskooplieden vooral in de 15e eeuw vergaarde kapitaal moest belegd worden en wat was er aantrekkelijker dan dit geld te beleggen in grondbezit? Zodoende kon men tevens het kerkelijk renteverbod ontlopen en had men een waarborg tegen de devaluatie van het geld. Het stadsmeierrecht in onze provincie herinnert tot in onze dagen aan dit vroegere stadsbezit (het recht van de meier of grondgebruiker in de Groninger Veenkoloniën ten aanzien van de stadsgrond, die hij in gebruik heeft. Soort beklemming).

In het midden van de 17e eeuw, ten tijde van de Republiek, was Amsterdam de grootste stapelmarkt van Spaans zilver en was de Verenigde Oost-Indische Compagnie de grootste handelscompagnie ter wereld. Reden voor de Friese Staten, gesteund door de Groningse, om bij de Heren Zeventien een Fries-Groningse Kamer der V.O.C, te eisen, ter bevordering van de eigen handel, scheepvaart en scheepsbouw. Dit ging niet door. Bij de West-Indische Compagnie lukte het wel. De Fries-Groningse Kamer nam met ruim fl. 800.000,-(1/8 deel van het totaalbedrag) deel in de uitrusting van de vloot en telde 12 bewindhebbers. Tevens gaf dit de stoot tot de opkomst van een groot aantal scheepswerven in de provincie Groningen. De vreugde was niet van lange duur. Kaapvaart was voor de W.I.C. belangrijker dan koloniseren en na de Vrede van Munster in 1648 ging het steeds slechter. In 1674 werd de eigenlijke W.I.C. opgeheven en kwam er een eenvoudige W.I.C. voor in de plaats, die zich voornamelijk toelegde op slaventransport.

De in de 16e eeuw "begonnen steen-en pannenbakkerij kwam in de 17e eeuw tot grote bloei. Langs de rivieren was goede klei aanwezig, de ovens werden gestookt met veen en het vervoer geschiedde langs rivieren en kanalen.

Nog steeds was Groningen geen graanland, 's winters stond alles blank en de akkerbouw beperkte' zich tot het Hoge Land. De rijke inkomsten uit de veeteelt vloeiden o.m. in de zakken van de landjonkers en de stadsburgers, die zich gezamenlijk zeer veel land verwierven in de Ommelanden, wat de stad als belangrijkste centrum in een agrarisch gebied een economisch en politiek overwicht gaf op de Ommelanden voor eeuwen.

De in het begin van de 17e eeuw door een Utrechtse (Rheense) Compagnie gestarte ontginning van het hoogveen in het zuidoosten van de provincie, werd reeds in 1613 door deze compagnie overgedaan aan de stad, die later eigenares werd van dit veengebied, er kanalen liet graven (Stadskanaal 1765) en de natuurlijke veenplas het Sappe-of Duivelsmeer liet dempen.

De stad liet de exploitatie echter ook over aan compagnieën (Tripscompagnie, genoemd naar de vervener Trip; Borgercompagnie, aangelegd door een gezelschap Groninger burgers). De export van turf naar Holland en Duitsland veroorzaakte een verlevendiging van de kustvaart en werk op de scheepswerven.

Door het vele malen uitbreken van de veepest (die de boeren er tenslotte toe bracht het grasland te scheuren ten behoeve van het vee), door het telen van veevoer, door de prijsstijgingen van de import-granen aan het eind van de 18e eeuw (sinds het midden van de 18e eeuw ook voor broodgraan), door betere drainage-methoden en door de betere organisatie van de zijlvestenijen, kreeg de landbouw (graan en sinds 1772 aardappels) in Groningen gaandeweg meer betekenis, al zijn de bedrijven aanvankelijk nog gemengd. Ook in de afgegraven veengebieden werd op de. schrale dalgrond geleidelijk landbouw en veeteelt uitgeoefend. Aldus werd de grondslag gelegd voor de in de 19e eeuw zo belangrijk geworden akkerbouw. Nieuwe methoden werden toegepast, o.a. de rijenteelt, niet meer zaaien met de hand, maar in voren met behulp van een werktuig, waarmee Groningen in den lande voorop ging.

Uit een rapport, verzonden door gedeputeerde staten van Groningen in 18.20 op verzoek van de minister van binnenlandse zaken Roëll, aangaande de toestand van handel en nijverheid in de provincie in het begin van de 19e eeuw, bleek dat deze toestand alles te wensen overliet.

Ten gevolge van het continentaal stelsel van Napoleon was de handel behoorlijk in verval geraakt en die had na de klappen, opgelopen in en na de 4e Engelse oorlog in 1784 toch al niet veel meer te betekenen. Engeland had de hegemonie ter zee en de compagnieën waren ter ziele. Nederland had als land van tussenhandel afgedaan. Geen Gronings graan ging meer naar de Engelse havens en naar de havens aan de Oostzeekust, waar bovendien de scheepsbouw opkwam, die de Groningse werven concurrentje aandeed. De Groninger staten zien als enige oplossing voor dit probleem, dat de landsoverheid steun verleent bij de aanmoediging van de kustvaart, represaillemaatregelen neemt tegen vreemdelingen die onze goederen vervoeren, voorzieningen treft voor een winterhaven in de stad, maar vooral de vrede handhaaft.

Met de scheepsbouw was het niet veel beter gesteld, van de 90 werven voornamelijk in het oosten van de provincie, waren er 9 over. Men verzoekt zijne majesteit koning Willem I het graven van kanalen (Noord-Willemsvaart) en de mogelijkheid tot het vormen van scheepshypotheken te willen bevorderen, d.i. een wettelijke regeling in het leven te roepen voor het verstrekken van scheepskredieten.

Tot in 1827 telde men in de provincie nog geen enkele straatweg. Textielfabrieken zijn in verval door het veranderen der zeden, "de smaak van onzen tijd in het uitwendig schoon", en uiteraard door het gebrek aan uitvoermogelijkheden. De producten van de meeste andere takken van nijverheid zijn praktisch geheel voor de eigen consumptie bestemd, de papierfabricage kwijnt, het bier valt niet meer in de smaak van het grote publiek en de jenever is te duur door de hoge accijns (nog 6 van de 80 jeneverstokerijen zijn er over). De enige suikerraffinaderij en de beide zoutketen zijn enigszins herstellend. De turfgraverijen beleven een grote bloei, maar gaan sinds de in 1813 ingevoerde hoge belasting op de turf met sprongen achteruit en met haar de ontginning (= werkgelegenheid), de scheepsbouw en de koopvaart. Kwijnende fabrieken hebben uiteraard geen turf nodig voor brandstof. Bovendien gaan fabrieken die vroeger op turf stookten, over op de goedkoop in te voeren steenkool en bruinkool uit België.

Voorwaar geen vrolijk beeld werd de pas opgerichte Kamers van Koophandel in den lande getoond. Nu in 1798 eindelijk Groningen's stapelrecht verdwenen was en staatsburgerschap in de plaats kwam van stadsburgerschap, werden alle bepalingen, die interlokaal en intergewestelijk handelsverkeer konden belemmeren, mede afgeschaft. Door de eenwording van het land kon men eens gaan denken in termen van centraal-economische politiek, hoewel de vereniging van Noord-en Zuid-Nederland uiteindelijk nadelig was voor de industriële ontwikkeling van het Noorden. In de praktijk kwam niet veel terecht van de in fraaie woorden vervatte regelingen ter bevordering van handel en nijverheid volgens de grondwet van 1813, maar de bedoeling was goed.

Voorgeschiedenis en ontstaan van de Kamers van Koophandel en Fabrieken in Nederland

In 1795, toen de gilden-organisatie was vervallen, werd, naar Frans voorbeeld, door Raad en Wethouders van Rotterdam besloten over te gaan tot de oprichting van 3 Committé's of Kamers, een "Kamer van Koophandel en Zeevaart, een Kamer van fabrieken en trafieken en een Kamer van wissel en finantie". Ook in Dordrecht werd een Kamer van Commercie opgericht. Het waren stedelijke lichamen. Gedurende de Republiek had men aan zulke adviserende instanties geen behoefte gehad, immers kooplieden en regenten waren veelal dezelfde mensen. Na de inlijving bij Frankrijk in 1810, werden de in het Keizerrijk bestaande Chambres de Commerce ook hier als Kamers van Koophandel ingevoerd. De Kamers van Koophandel waren in Frankrijk in de 16e eeuw ontstaan als vrije instellingen. Marseille in Zuid-Frankrijk schijnt het eerst over een soort Kamer van Koophandel te hebben beschikt. Hoogst waarschijnlijk moest deze in 1599 ingestelde stedelijke commissie die belangen behartigen van de koopmansstand, die niet door de plaatselijke gilden-organisaties werden gediend. Een aantal kooplieden in Amsterdam vormde in 1663 een "Collegie van Commercie", waarin zij door de burgemeesters werden benoemd. De behoefte aan zo'n College was blijkbaar niet zo groot, na de 2e Engelse oorlog in 1667 werden de vergaderingen niet hervat. Bestuurders kwamen in de regel zelf voort uit de koopmansstand en visten vel vat goed was voor de handel. Een andere conclusie die uit de ervaring met het Amsterdamse College kan worden getrokken, is: de grootste behoefte aan een Kamer van Koophandel (en Fabrieken!) bestaat, daar vaar handel en nijverheid het slechtst in de stadsbesturen vertegenwoordigd zijn.

Onder Napoleons heerschappij kregen de Chambres spoedig een officiële status, die bij hun reorganisatie krachtens een wet van 1805 nog werd bekrachtigd. Het werden staatsinstellingen, ingesteld bij artikel 36 van het keizerlijk besluit van 1810, 18 oktober, nummer 6043. Na de vrijmaking in 1813 bleken er 5 van zulke Kamers te bestaan, Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht, Middelburg en Vlissingen. Het waren Franse instellingen, maar met een scherp inzicht in de economische situatie hier te lande. De Kamers bleven in hun oude samenstelling bestaan tot bij de wet van 8 oktober 1814 de Franse regelingen werden vervangen door Nederlandse, Van elk der in deze wet genoemde "takken van commercie" werd voor de genoemde Kamers, aangevuld met Kamers te Gouda, Leiden en Schiedam, het aantal leden vastgesteld; bij vacatures werd er aangevuld uit dezelfde tak. Eensdeels zuiver een belangengemeenschap, maar met zeer grote invloed van Koning Willem I op de samenstelling der "takken". Deze "takken van commercie" waren eigenlijk gemoderniseerde gilden; zij "bestonden niet meer uit kleine ondernemers, maar uit leidende bedrijven en industriëlen. De kosten werden bestreden uit opcenten op de patentbelasting.

De naam "Kamer van Koophandel en Fabrieken" ("Fabryken") werd ingevoerd bij de wet van 1816.

Bij de wet van 8 oktober 1815, staatsblad nr. 18 werd een reglement van orde voor de Kamers vastgesteld, waarin het aantal leden, de wijze van verkiezing, de zittingsperiode, het territorium en de verplichting tot jaarlijkse verslaggeving werden geregeld. De Koning hield in het vervolg de wetgeving t.a.v. de Kamers geheel in eigen hand. Voor verdere landelijke besluiten en reglementen tussen 1815 en 1950 (1963) raadplege men het schema op bijlage I. Wanneer en in welk opzicht de Kamer te Groningen hiervan afwijkt, zal steeds hierna worden aangegeven.

Voorgeschiedenis van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Groningen

Groningen had blijkbaar geen Chambre de Commerce, zoals uit het voorgaande kan worden afgeleid. Naspeuringen in de archieven van de gewestelijke besturen, van de provincie en de gouverneur en van de stad Groningen hebben niets opgeleverd. Ook de rechterlijke archieven uit de Franse tijd en het archief van de Rechtbank van Koophandel gaven geen andere uitslag. Bij decreet van Napoleon in 1810 werd bepaald dat per 1 januari 1811 Kamers van Koophandel moesten worden ingesteld in Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht en Emden. De in 1803 opgerichte "Chambres" van Rotterdam en Dordrecht gingen hierin op.

Wel waren op last van Lodewijk Napoleon vanaf augustus 1806 successievelijk in het gehele land corporaties opgericht. Zo ook in Groningen, waar zij in mei 1809 op last van de landdrost tot stand kwamen. Er werden door de stad voor elke corporatie reglementen uitgevaardigd, zoals die voor "brouwers, leerlooiers, apothekers etc. Of deze corporaties beschouwd kunnen worden als voorlopers van de Kamer, is twijfelachtig. Om lid van zo'n corporatie te worden, moest men een jaarlijkse bijdrage storten.

Uit de notulen van de Kamer van 4 december 1829 blijkt wel dat er al sinds enige jaren in deze streken behoefte gevoeld werd aan het bezit van een Kamer, want ten tijde van het Franse bestuur werden op last van de prefect reeds leden voor een Kamer gekozen, maar door het vertrek van de Franse bestuurders had dit geen verdere gevolgen.

Oprichting in 1829

Op 27 juli 1829 vroeg een aantal kooplieden en fabrikanten aan de minister van binnenlandse zaken en nationale nijverheid toestemming een Kamer van Koophandel te mogen oprichten. De minister vroeg bij monde van zijn administrateur van nationale nijverheid, mr. J.T. Nettscher, advies aan de staatsraad-gouverneur van de provincie, mr. G. W. baron van Imhoff, en een lijst van kandidaten voor een voordracht aan de koning, met een opgave van de geraamde kosten. De gouverneur stuurde deze vraag door aan het kollege van B. en W., dat op 19 oktober antwoordde in overleg met de initiatiefnemers een voordracht te hebben samengesteld van 27 mensen: 18 kooplieden en 9 fabrikanten, waaruit de 9 leden door de Koning konden worden gekozen en benoemd. Bovendien waren B. en W. en de Raad van Groningen bereid jaarlijks een bedrag van fl. 500,-beschikbaar te stellen ter bestrijding van de kosten, inclusief de bezoldiging van de secretaris. Bij K.B. van 29 mei 1818 was nl. al bepaald dat de gemeenten uit hun kas aan de Kamers de nodige financiën moesten verstrekken.

In zijn antwoord van 21 oktober aan administrateur Nettscher schreef gouverneur Van Imhoff dat hij het eens was met het voorstel van B. en W., maar dat hij het niet nodig vond alle bepalingen van het reglement van orde van de wet van 18 oktober 1815 van toepassing te doen zijn op de op te richten Kamer in Groningen, in casu artikel 12. Tweemaal per week vergaderen vond hij overdreven, want, zo stelde hij: "het is te voorzien, dat de werkzaamheden niet zo vele zullen zijn, dat het nodig zon wezen, dat zij, ter afdoening derzelve, geregeld twee maal in de week vergaderen". Om dezelfde reden geloofde hij niet, dat het nodig was dat B. en W. jaarlijks de bij de grote steden in het westen des lands gebruikelijke fl. 1000,-beschikbaar stelden; het voorstel van fl. 500,-per jaar moest ruim voldoende worden geacht, inclusief een bezoldiging van fl. 250,-voor de secretaris. Tevens gaf de gouverneur de voordracht van de kandidaat-leden door, waarbij hij steeds de bovenste van elk drietal als de meest geschikte persoon aanwees.

Op 12 november machtigde administrateur Nettscher gouverneur Van Imhoff tot de installatie van de Kamer en vroeg hem om voordrachten voor de vervulling van de funkties van voorzitter en secretaris. De gouverneur, de burgemeester en de Kamer ontvingen exemplaren van het gesteendrukte reglement van orde van 1815.

Op 28 november installeerde burgemeester jonkheer J.F. Iddekinge, als plaatsvervanger van gouverneur Van Imhoff, de leden van de Kamer (de bovensten der drietallen), t.w. de heren Nap, Damsté, Sicman, Schilthuis, Homan, Stratingh, Kniphuizen, Hecker, Hesselink, Folmer, Hoeksema en Edskes Smit.
Op 1 december kwam de eerste brief binnen bij de Kamer, waarin de gouverneur vroeg een president en een vice-president voor te dragen; omdat het jaar bijna om was, stelde hij voor dit voor 1830 te doen. Tevens vroeg hij om een voordracht van 3 kandidaten voor de funktie van secretaris.

Op 4 december verstuurde de Kamer haar eerste brief, aan de gouverneur, waarin zij meedeelde de heren Nap en Damsté tot respektievelijk voorzitter en vice-voorzitter voor te dragen en graag een vergaderlokaal te willen hebben.

De gouverneur schreef terug op 9 december, dat de Kamer dat lokaal aan de gemeente Groningen moest vragen, ze was een stedelijke instelling. Het stadsbestuur gaf haar de beschikking over hetzelfde lokaal in het stadhuis, waarin ook de Rechtbank van Koophandel, het Vredegerecht en het Politiegericht van tijd tot tijd zitting hielden.

De gouverneur adviseerde de administrateur Nettscher, notaris P.L. de Gavere bij de koning voor te dragen als secretaris. Deze werd inderdaad benoemd op 12 februari 1830.

Zo was dan de Kamer geïnstalleerd; zij vergaderde aanvankelijk 1 maal in de 14 dagen en had de beschikking over een bedrag van fl. 500,-'s jaars .

Websotes:
• https://www.archieven.nl/

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.