Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 11-01-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Joseph Cuypers

Josephus Theodorus Joannes (Joseph of Jos) Cuypers (Roermond 1861- Meerssen 1949) was architect en de zoon van P.J.H. (Pierre) Cuypers. Hij is vooral van belang als de architect van vele katholieke kerken.

Jos Cuypers volgde zijn middelbare opleiding aan de bekende rooms-katholieke kostschool in Rolduc, waarna hij verder ging studeren aan de Polytechnische School te Delft, waar hij in 1883 afstudeerde als bouwkundig en civiel ingenieur.

Na een jaar praktijk en een studiereis van zeven maanden, die hem door een groot deel van Europa voerde, trad hij in 1885 bij het bureau van zijn vader in dienst.
Op het bureau van zijn vader werd hij met deeltaken in diens opdrachten belast. Voor het eerst gebeurde dit bij de bouwplannen van de St-Jozefkerk in Groningen (1885), later ook van de St-Martinuskerk aldaar.

In 1888 ontwierp hij zelfstandig zijn eerste kerk in Nes aan de Amstel. Zijn hoofdwerk werd de kathedrale basiliek van St.-Bavo in Haarlem (1895-1930).

In 1890 volgde hij zijn vader op als docent aan de Kunstnijverheidsschool verbonden aan het Rijksmuseum. Daarnaast bekleedde hij ook andere onderwijsfuncties.

In 1894 kreeg hij de leiding van het bureau in Amsterdam.

Hij werkte van 1899 tot 1908 in compagnonschap met Jan Stuyt. In deze combinatie kwam de uitbreiding van de parochiekerk in Kloosterburen (1903) tot stand.

Het belangrijkste profane werk was de Effectenbeurs Amsterdam (1909-1912).

Vanaf ca. 1920 was hij geassocieerd met zijn zoon Pierre Cuypers jr. Deze combinatie tekende voor de parochiekerk van Wehe-den Hoorn (1926-1927).

Cuypers was een minder beeldbepalende figuur dan zijn vader, zowel in katholieke kring als op nationaal niveau. Hij bleef het werk van zijn vader bewonderen, maar nam bewust een onafhankelijker houding aan tegenover de vormentaal van het verleden.

Hij was ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en ridder in de Orde van Sint-Gregorius de Grote.

Gedurende de eerste periode van zijn loopbaan (1885 - 1900), toen hij nog werkte bij zijn vader en een eigen praktijk begon op te bouwen, toonde Cuypers zich nog een volbloed neogoticus. Hoe groot zijn aandeel in de ontwerpen van zijn vader was is moeilijk te zeggen. In diens werken uit die tijd moeten verschillende elementen van Joseph afkomstig zijn. Anderzijds sluiten de werken die Joseph in die zelfde tijd zelfstandig ontwierp, duidelijk bij die van zijn vader aan. De eerste door Joseph zelfstandig ontworpen kerk, in Nes aan de Amstel, is een kruisbasiliek met grote vierkante middentoren. Dit type is ontleend aan de St. Augustinus te Nijmegen, die Cuypers sr. in 1884 ontwierp. De door Joseph ontworpen St. Jozef te Enschede (1894) is sterk verwant aan de gelijknamige kerk in Groningen van Cuypers sr., bij welker bouw Joseph ten nauwste betrokken was. Het werk van vader en zoon vormt in deze tijd een bijna onverbrekelijke eenheid. Hun beider ideeën staan in voortdurende wisselwerking met elkaar. Wel kan men bij de zoon geleidelijk een neiging zien optreden tot versobering en sterkere accentuering van het gesloten wandvlak, in tegenstelling tot de gelede wandbehandeling, waarnaar de voorkeur van vader Cuypers uitging. Dit bracht hem ertoe zich in toenemende mate door de vroegste vormen der gotiek en het romaans te laten inspireren.

Zijn verdere ontwikkeling is zeer goed na te gaan aan de hand van zijn belangrijkste kerkelijke werk, de St. Bavokathedraal te Haarlem. De bouw hiervan kwam in drie fasen tot stand: het priesterkoor werd gebouwd in 1895-1898, transept en schip in 1902- 1906 en de torens in 1927-1928. Gedurende deze perioden zijn de plannen herhaaldelijk gewijzigd. Een belangrijke inspiratiebron moet de door Cuypers sr. ontworpen Amsterdamse St. Willibrordus buiten de Veste (begonnen 1864) zijn geweest. Opmerkelijk is dat de vroegste ontwerpen voor de kathedraal vooral invloeden vertonen van de oudere werken van Cuypers sr. Dit kan ermee samenhangen dat deze zich juist in zijn vroege werk sterk door kathedraalarchitectuur liet inspireren. Bij de verdere planontwikkeling zien we enerzijds een grotere aansluiting bij de contemporaine werken van zijn vader, waaraan hij immers zelf meewerkte, en ten slotte een steeds groter wordende zelfstandigheid. De in 1898 voltooide koorpartij was in hoofdzaak gotisch van opzet, al zijn ook belangrijke elementen aan het romaans ontleend. In het gedeelte dat tot stand kwam na 1902 zijn vele andere elementen aan te wijzen, Byzantijnse en Moorse motieven, elementen uit de art nouveau, terwijl ook invloeden van het werk van H.P. Berlage te bespeuren zijn. Bij vergelijking van het oudste stuk met het nieuwere gedeelte blijkt de sterkere nadruk op de ongelede muur heel duidelijk. Ook de plannen voor de torens zijn herhaaldelijk gewijzigd. Talrijk zijn de ontwerpen voor de torenbekroningen. Niets daarvan werd uitgevoerd, de torens werden uiteindelijk vlak afgedekt.

De vernieuwingen in de vormgeving van de kathedraal na 1902, zijn stellig mede een gevolg van de associatie met Jan Stuyt, een architect met een sterk eclectische inslag. Men neemt veelal aan dat Stuyt als de krachtigste persoonlijkheid het sterkst zijn stempel op de gemeenschappelijk ontworpen gebouwen heeft gedrukt. Eén der eerste werken van het tweemanschap waarin Cuypers waarschijnlijk het grootste aandeel had, was de in 1900/1901 gebouwde St. Laurentius in Ginneken, een monumentalere en versoberde versie van de kerk van Nes. Het streven naar een grotere overzichtelijkheid van de kerkruimte kwam o.a. tot uiting in de Byzantijns geïnspireerde St. Jacobus in 's-Hertogenbosch (1905), vermoedelijk in de eerste plaats een conceptie van Stuyt.

In één van Cuypers' eerste grotere kerken, ontworpen na beëindiging van de associatie met Stuyt, de St. Quirimus van Halsteren (1911), ziet men hem pogen om, uitgaande van een romaanse vormgeving, tot een eigentijdse schepping te komen. De centraalbouw blijft hem boeien: tezamen met zijn zoon Pierre brengt hij in korte tijd drie monumentale koepelkerken tot stand: in Dongen (1918-1921), Bussum (1919/1920) en Beverwijk (1922- 1924). Opvallend is dat de moeilijke combinatie van koepel en nevenruimten pas in de laatste kerk op een bevredigende wijze is opgelost. In zijn latere kerkelijke werk sluit hij zich meestal weer aan bij het gebruikelijke basikale kerktype, dat hij soms wat moderner dan weer wat traditioneler toepast. Van zijn latere kerken verdienen nog vermelding de in vrije romaniserende vormen opgetrokken kerk van Rijssen (1923-1925) en de fraaie mergelstenen kerk van Schimmert (1924), waarin o.a. de barokke vensters opvallen.

Zijn belangrijkste profane werk is de Effectenbeurs in Amsterdam (1909- 1912). Juist door haar ligging naast Berlages koopmansbeurs is Cuypers' schepping daarmee veelal in ongunstige zin vergeleken. Dit is echter niet volkomen rechtvaardig. Beide architecten gingen van tegengestelde principes uit. Berlage maakte de wensen van zijn opdrachtgevers en de praktische bruikbaarheid van zijn gebouw ondergeschikt aan zijn architectonische beginselen. Cuypers daarentegen poogde aan de opvattingen en wensen van zijn opdrachtgevers architectonisch gestalte te geven en koos voor een vormgeving van overwegend classicistische signatuur en een strak symmetrische opbouw. De klassieke vormen worden overigens zeer vrij gehanteerd, terwijl de zeer verzorgde decoratie dikwijls verrassend werkt.

Ander profaan werk uit dezelfde periode toont veelal vergelijkbare classicistische vormen, een enkele keer met wat barokke trekken (Amsterdam, St. Ignatiuscollege, 1909). Zijn latere profane werk is soberder van opzet en vertoont invloeden van Berlage en vooral K.P.C, de Bazel (Roermond, Bisschoppelijke Kweekschool, 1919).

Websites en bronnen:
huygens.knaw.nl

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Pageviews vandaag: 23.