kunstbusgroningen

Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 17-02-2022 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

joodse gemeenten

Een joodse gemeente of kehilla is een lokale groep joden die zich rond een synagoge heeft georganiseerd. Aan een joodse gemeente is een rabbijn verbonden. De bestuurders van de gemeente, zoals de voorzitter en penningmeester, worden wel parnas genoemd.

In de tweede helft van de 16e eeuw vestigden zich incidenteel Joden in de stad Groningen. Zij oefenden het beroep van arts uit en schoten geld voor op onderpand. Aan het eind van die eeuw woonden er geen Joden meer in Groningen. Pas eind 17e eeuw zouden zich opnieuw Joden in de stad vestigen. Appingedam kende daarentegen een vrijwel ononderbroken vestiging van Joden sinds 1563. In dat jaar kreeg de in Praag geboren Muesken en zijn familie van het bestuur van Appingedam toestemming om voor een periode van zes jaar in de stad te wonen en er een bank van lening te houden. Na toestemming van de plaatselijke redgers (= rechters) vestigden zich vanaf het midden van de 17e eeuw enkele Joden te Delfzijl (1655), Farmsum en Nieuweschans (beide plaatsen circa 1656). Ook zij leenden hoofdzakelijk geld uit tegen onderpand en waren daarnaast werkzaam als slagers.

In Appingedam ontstond zelfs een kleine joodse gemeente. Hun gebedsdiensten verrichtten zij in huissynagoges totdat in 1752 de vooraanstaande Jood Calmer Arents een huis aan de Dijkstraat ter beschikking stelde als synagoge, die in 1801 werd vervangen door een nieuwe synagoge aan de Broerstraat. Voor de Joden in genoemde plaatsen was er in Farmsum zeker vanaf 1680 en mogelijk zelfs al sinds 1655 een begraafplaats. In 1763 verkregen de Damster Joden een eigen begraafplaats gelegen aan de Heidensgang, de Delfzijlster Joden bleven hun doden te Farmsum begraven.

Gedurende vrijwel de hele 17e eeuw trachtte de hervormde kerk, die in de provincie Groningen een sterke anti-joodse houding vertoonde, haar invloed bij de wereldlijke autoriteiten aan te wenden om de vestiging van Joden tegen te gaan. Zij vond hiervoor echter geen gehoor en verlegde in 1670 haar activiteiten van het weren naar het bekeren van joden. Maar was ook hierin niet erg succesvol. Aan het eind van de 17e en het begin van de 18e eeuw vestigden zich vooral in het zuid-oosten (de Veenkoloniën) van de provincie veel Joden; waarschijnlijk hing dat samen met de sterke economische groei die dit gebied doormaakte.

In andere delen van de provincie vestigden zich op veel kleinere schaal Joden. De plaatsen waar zich meerdere Joden vestigden ontstonden joodse gemeenten. Zij werden bestuurd door zogenaamde parnassim. De geestelijke leiding was in principe in handen van een rebbe of godsdienstleraar, die meestal tevens het ambt van voorzanger en ritueel slachter waarnam. Hoewel weinig bekend is over de kwalificaties van deze rebbes, doen we er goed aan om ons hierover geen overdreven voorstelling te maken. Maar hoe men ook over hun mag denken; de rebbes waren (hier meer daar minder) van eminent belang voor het bewaren en doorgeven van de joodse tradities en cultuur. Bekende rabbijnen in onze provincie zijn Baruch de Beer te Veendam en Pekela, Aron Mozes Frankforter te Winschoten en Izak Jozefs Cohen en Samuel Berenstein te Groningen.
Grotere joodse gemeenschappen hadden tevens een synagoge (Pekela 1737 en 1792; Veendam 1745 en 1798; Winschoten circa 1771 en 1797) en begraafplaats (Pekela 1693; Veendam 1741; Leek 1783; Winschoten 1797 en Nieuweschans 1811). De kleinere joodse gemeenschappen behielpen zich met zgn. huissynagoges en begroeven hun doden op de meest nabijgelegen joodse begraafplaats.

Ook in de stad vestigden zich allengs weer joden. In 1661 kregen Portugese joden toestemming zich in de stad te vestigen, maar zij maakten hiervan geen gebruik. In het kader van de opening van een postwagendienst tussen Amsterdam en Bremen verkreeg in 1691 een zekere Levie Jozefs als agent van de exploitant een woonvergunning en aansluitend het recht om als burger handel te drijven. In zijn voetspoor volgden meer joden.

Op beschuldigingen van heling werden in 1711 de joden voor eeuwig uit Stad en Lande verbannen. Dit verbod werd niet gehandhaafd.

In 1731 pachtte de Amsterdamse jood Mozes Goldsmid de bank van lening. Het stadsbestuur verleende hem toen tevens toestemming tot uitoefening van gebedsdiensten. Tot de opening van een synagoge in 1756 in de Folkingestraat werden deze gehouden in woonhuizen. Een begraafplaats, gelegen aan het tegenwoordige Jodenkampje, werd in 1747 verworven. In het college van parnassim, dat door de stemgerechtigde leden van de gemeente meestal om de drie jaar werden verkozen, speelden de latere rabbijnen Izak Jozefs Cohen en Israël Abraham Lazarus een belangrijke rol.

Joden konden zich in stad en land niet vrijelijk vestigen, overigens gold dat voor iedere migrant ongeacht hun religieuze denominatie. Zij moesten hiervoor toestemming vragen aan de bevoegde autoriteiten. In 1754, 1765 en 1774 vaardigden de autoriteiten regels uit voor de vestiging van Joden, die golden voor de hele provincie. Die verhinderden niet de illegale vestiging van Joden. Wat betreft de uitoefening van een beroep waren de Joden ook niet vrij. Op het platteland was hun alleen het slachten, de verkoop van vlees en het doen van koopmanschap toegestaan. In de praktijk werden deze regels echter nauwelijks gehandhaafd.

In de stad konden Joden zich alleen bezig houden met ongeregelde handel. De uitoefening van de meeste andere beroepen werd hier via gilden geregeld. Joden konden in de loop der tijd lid worden van het koopliedengilde en incidenteel van sommige andere gilden.

In 1796 kwam er met de afkondiging van de burgerlijke gelijkstelling een eind aan de civielrechterlijke uitzonderingspositie van de Joden; Joden werden nu gelijkgesteld met de andere inwoners van de zogenaamde Bataafse Republiek. In 1808 riep de koning van het toenmalige koninkrijk Hollans, Lodewijk Napoleon, het zgn. Opperconsistorie in het leven. Namens zijn minister van Eerediensten voerde dit orgaan centraal het bestuur over alle Joodse Gemeenten.

De autonomie van de joodse gemeenten behoorde daarmee tot het verleden. Het doel van deze bestuurlijke maatregel was om de Joden met hun eigen cultuur en taal te integreren in de maatschappij. Dit emancipatiebeleid werd na het herstel van de onafhankelijkheid in 1814 door koning Willem I verder uitgebreid. En ook zijn opvolgers op de troon zouden dit beleid volgen.

oden waren nu Nederlandse staatsburgers geworden en werden omschreven als Israëlieten. In Groningen sprak men van 'Groningens Israël'. Deze fraaie benamingen verbloemen niet dat de Groningers joden gewoon als jeudn bleven beschouwen.

Het streven naar aanpassing had zijn weerslag op het joods-religieuze leven. In 1815 werd de school Tipheret Bachoerim ('Sieraad der Jongemannen') opgericht. Hier werden joodse kinderen onderwezen in Nederlands, Frans, aardrijkskunde en rekenen. Binnen de Joodse Gemeenten tekende zich een duidelijke scheiding af tussen behoud en verval van de joods-traditionele waarden. De afstand tussen het joodse publiek en de rabbijnen en bestuurders werd steeds groter. In 1852 scheidde een aantal leden van de Joodse Gemeente zich af en stichtte de '"Afgescheiden Gemeente Teschuath Jisraël.

Scheiding der geesten had ook alles te maken met sociale misstanden. Arm en rijk waren duidelijk gescheiden tot aan de zitplaatsen in de synagoge toe. Arme joden in de stad Groningen woonden vooral in de Nieuwstad, de middenklasse vestigde zich aan het Zuiderdiep of bleef in de Folkingestraat. Beter gesitueerden verhuisden in de eerste helft van de 20ste eeuw naar de Schildersbuurt of gingen aan de Parkweg of J.A. Feithstraat wonen.

Toch was er zorg voor armen en zieken. De kosten als gevolg van ziekte of begrafenis werden van oudsher overgenomen door de broederschap Gemiloet Chasadiem Kabraniem ('Beoefening der Weldadigheid'). Gederfde inkomsten gedurende de rouwperiode bij de dood van naaste familie werden vergoed. De Hulpkas voor Israëlieten, Gnozer Dalliem ('Hulp aan Armen') en Bikkoer Goulim ('Bezoeken der Zieken') namen later zulke plichten over en boden kleding en geld. Berith Avraham ('Het Verbond van Abraham') gaf bijstand in de kosten van de besnijdenisplechtigheid. Halbosjas Aromiem ('Het Kleden der Naakten') bood arme kinderen kleding.

Beth Zekeiniem ('Huis van Ouden') zorgde voor de instandhouding van het oudeliedengesticht aan de Schoolholm in de stad. In de provincie was ook Teref Goulim ('Voedsel voor Zieken') actief, die kosjer voedsel leverde aan zieken en later aan ziekenhuizen.

Sociale tegenstellingen en afnemende belangstelling voor religie en traditie vervreemdden joden van hun eigen identiteit. Echter in het sterk verzuilde Nederland verlieten weinig joden de gemeenschap daadwerkelijk, lieten zich dopen of gingen een huwelijk met niet joodse partners aan. Synagogebezoek bleef beperkt tot sabbath en feestdagen, vooral de hoge feestdagen in de herfst zoals Nieuwjaar en Verzoendag. Veehandelaren en middenstand vonden vaak een willig oor bij de autoriteiten om markten en beurzen vanwege joodse feest- en rustdagen te verplaatsen. In het culturele leven van Groningen speelden joden een rol als dansmeesters, fotografen en muzikanten. Beroemd was het familieorkest uit Pekela van Lazarus Stoppelman met zijn zeven zonen en later de gebroeders Bollegraaf. Joodse toneel- en zangverenigingen zoals Euterpe, Nut en Genoegen en Betsalel, gymnastiek- en atletiekverenigingen zoals Attila en Ivria, voetbal- en boksverenigingen zoals De Raven, later Ha-Koach ('De Kracht'), en Maccabi; dit alles en veel meer was in Groningen te vinden.

De toenemende integratie maakte joodse deelname aan het politieke en wetenschappelijke leven mogelijk: I.B. Cohen werd in 1910 lid van '"Gedeputeerde Staten, Adolf J. Catz werd in 1919 raadslid in Groningen en in 1918 wethouder, H. Schaap werd advocaatprocureur en was in stad en provincie een bekende figuur, evenals de arts S.B. Nathans. L. Ali Cohen was hem voorgegaan door baanbrekend werk te doen op het gebied van hygiëneverbetering.

Het rijk geschakeerde leven in vooral de stad en gaandeweg minder in de provincie Groningen kreeg vanaf 1933 in toenemende mate te maken met de anti-joodse stemming in Duitsland. Slechts een beperkt aantal Duitsjoodse vluchtelingen werd in Groningen opgevangen. Grote paniek brak uit na de Duitse inval op 10 mei 1940. Evenals elders raakten joden maatschappelijk volledig geïsoleerd. Transporten naar Westerbork vingen zomer 1942 aan, maar het grote dieptepunt was de razzia in de nacht van 2 op 3 oktober 1942. Slechts weinigen waren ondergedoken.

December 1943 moesten de laatste joodse bewoners de stad verlaten. De meeste joodse mannen, vrouwen en kinderen verloren het leven. In 1945 keerden enkelen terug, maar van een joodse gemeenschap was nauwelijks sprake meer. Het monument van Edu Waskowsky aan de Hereweg herinnert aan de slachtoffers. De herinwijding van de synagoge in 1981 was een nieuwe aanzet voor de Gronings-joodse gemeenschap.

[Van Bekkum, Schut]

Lit.: J.H. de Vey Mestdagh (red.), Joden in Noord-Oost Groningen (Groningen 1980); J. Meijer, 'Jood en jodendom in Stad en Ommelanden met een joods supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan' in: Balans der ballingschap. Bijdragen tot de geschiedenis der joden in Nederland V/VI (Heemstede 1984); R.C. Hage en J.H. de Vey Mestdagh (red.), De joodse gemeenschap van Veendam/Wildervank, Muntendam en Meeden (Groningen 1985); G.J. van Klinken en J.H. de Vey Mestdagh (red.), De joodse gemeenschap in het Groninger Westerkwartier, Peize en Roden (Groningen 1985); E. Schut, Geschiedenis van de joodse gemeenschap in de Pekela's, 1683-1942 (Assen en Maastricht 1991); E. Schut, De joodse gemeenschap in de stad Groningen 1689-1796 (Assen 1995); L.

Ast-Boiten en G. Zaagsma, De Folkingestraat. Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Groningen (Groningen 1996).

https://www.geschiedenisbibliotheekgroningen.nl/historie/joden-in-groningen/geschiedenis-van-de-joden-in-de-provincie-groningen

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.