Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 04-10-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Johan Frans van Bemmelen

Johan Frans van Bemmelen, (Groningen 1859 - Leiden 1956) Zoöloog en paleontoloog. Hij was als hoogleraar verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Met zijn in bevattelijke vorm geschreven publicaties bereikte hij een groot publiek.

Van Bemmelen had al op heel jeugdige leeftijd belangstelling voor insecten, wat door zijn vader, Jacob van Bemmelen, de eerste directeur van de HBS te Groningen, later hoogleraar scheikunde te Leiden, werd gestimuleerd. Hij studeerde in Leiden en jena en promoveerde in Utrecht in 1882 op een proefschrift over de bouw van schelpen. Daarna zette hij zijn onderzoek naar erfelijk verworven eigenschappen voort, nam deel als zoöloog
aan een expeditie dwars door Sumatra, was leraar bij het VHMO te Batavia en keerde in 1894 naar Nederland terug. Hij doceerde vervolgens in Delft paleontologie en biologie, sinds 1906 als buitengewoon hoogleraar.

In 1907 aanvaardde hij in Groningen een gewoon hoogleraarschap in de zoölogie, vergelijkende anatomie en fysiologie.

Van Bemmelen was opvolger van H.J. van Ankum, die was afgetreden omdat het zoölogisch museum tegelijk met het zoölogisch laboratorium - aan de totstandkoming waarvan hij had bijgedragen - door de grote brand van het Academiegebouw in 1906 was verwoest. Dat inspireerde hem tot de titel van zijn intreerede 'Verdwenen dieren', waarin hij pleitte voor de paleontologie, de wetenschap die inzicht probeert te krijgen in ondermeer de ontwikkeling van uitgestorven planten en dieren, slechts bekend in versteende vorm of afdrukken in steen.

Bij de overdracht van het rectoraat in 1919 sprak hij over 'Hedendaagsche dieren', een pleidooi voor de vergelijkende anatomie en embryologie. Het sluitstuk was zijn afscheidsrede “Toekomstige dieren' over wat vroeger rudimentaire organen, thans endocriene klieren zijn, en over reductieverschijnselen zoals bij de mens de veranderingen in haarkleed en gebit.

In zijn Groningse periode hadden het kleurenpatroon van vlinders, de strepen in het haarkleed van zoogdieren, de verschijnselen van erfelijkheid bij de mens alsook gelijkenis en dubbelgangers zijn aandacht.

Na zijn aftreden vestigde hij zich in 's-Gravenhage waar hij verder onderzoek deed. naar de erfelijkheidsverschijnselen van de mens. Hij werd de eerste directeur van het Nederlands Bio-Genealogisch Instituut. Sinds 1915 was hij lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen.


Eerste pageview van vandaag: 1