Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 11-04-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Jan Willem Ermerins

Fysicus (Zierikzee 1798 -Groningen 1869). Hoogleraar wiskunde en natuurkunde te Franeker (1824) en Groningen (1835-67), letterkundige en medicus.

Jan Willem Ermerins, de neef van Frans Zacharius Ermerins, gaf bij het bezoeken van het gymnasium reeds vroeg blijk van een uitstekende aanleg, begaf zich in 1816 naar Leiden, waar hij zich op de geneeskunde en tevens op de wiskunde, scheikunde en natuurkunde toelegde en in 1824 in beide vakken promoveerde, nadat hij voor het beantwoorden van meer dan een Académische prijsvraag het eregoud ontvangen had.

Hij vestigde zich als geneesheer te 's Gravenhage, doch werd weldra benoemd tot hoogleraar te Franeker, waar hij in 1825 zijn lessen wiskunde, natuurkunde, logica en wijsbegeerte opende. Hij wist hier zijn taak, die door de verscheidenheid der hem opgedragen vakken zeer moeilijk was, naar behoren te volbrengen, doch maakte steeds zijne hoofdstudie van de natuurkunde.

Gedurende een bezoek te Parijs knoopte hij betrekkingen aan met de beroemden Ampère, wiens electro-dynamisch toestel hij vervolgens beschreef, en zocht ook door populaire voorlezingen tot verspreiding der natuurkennis mede te werken.

In Mei 1835 werd hij benoemd tot hoogleraar te Groningen, waar hem, behalve de wis- en natuurkundige vakken, aanvankelijk ook de sterrenkunde was opgedragen, 't geen aanleiding gaf tot de uitgave van zijne „Handleiding bij de beoefening der sterrenkunde van Sir John F. W. Herschel voor lezers uit den beschaafden stand (1838 en 1840 , 2 dln)”.
Met de studie der wiskunde was hij zeer ingenomen, en toen in 1843 de Algemeene Synode der Hervormde Kerk haar minder nodig rekende voor aanstaande godgeleerden, gaf hij daartegen zijne „Bedenkingen (1843)” in het licht.

In 1830 werd hij benoemd tot lid der eerste klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut en na de opheffing hiervan in 1852 tot lid der Koninklijke Académie van Wetenschappen, en in de Verslagen en Mededelingen van dit lichaam vindt men opstellen van Ermerins „Over de identiteit van licht en stralende warmte”, en „Over de dagelijksche beweging van den barometer te Groningen van December 1851 tot November 1861”. Dergelijke metereologische waarnemingen dééd hij bij voortduring door middel van door hem uitgedachte zelfregistrérende instrumenten.

Ter plaatse zijner inwoning werkte hij voorts krachtig mede tot verbetering der brandblusmiddelen en in 1838 tot het stellen van een bliksemafleider op den Martini-toren, voor welke diensten de stedelijke raad hem een zilveren blad met het stadswapen aanbood.

Voorts wijdde hij er als curator zijn trouwe zorg aan het gymnasium, dat onder zijn bestuur ongemeen bloeide.
Het Zeeuwsch en Utrechtsch Genootschap, de Leidsche Maatschappij van Nederlandsche letterkunde benoemden hem tot lid, en nadat hij in 1845 een beroep naar Leiden had afgewezen, werd hij in 1846 versierd met de orde van den Nederlandschen Leeuw.

Hij overleed te Groningen den 2den Maart 1869, diep betreurd door zijn talrijke vrienden, die hem wegens zijn edel karakter innig lief hadden.

Websites en bronnen:
www.math.rug.nl/bernoulli/Geschiedenis/Emerins

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Pageviews vandaag: 2.