kunstbusgroningen

Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 07-02-2022 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Jacob en Annagasthuis

Het Jacob- en Annagasthuis is een hofje aan het Gasthuisstraatje in de voormalige rosse buurt van de stad Groningen. In het gasthuis aan Gasthuisstraatje 2 vonden twaalf arme Groningers onderdak in ruil voor werkzaamheden. In die tijd had het gasthuis de bijnaam Lekkerbeetjesgasthuis, omdat er voedsel werd uitgedeeld. In 1539 werd het gasthuis uitgebreid en konden er vijf extra inwoners terecht. In 1976 werd het gasthuis gesloten. Tegenwoordig wordt het gasthuis bewoond door één- en tweepersoons huishoudens.


Grotere kaart weergeven

Het Jacob- en Annagasthuis werd in 1495 gesticht door Jacob Grovens en zijn vrouw Eteke Sluchtinge. In opdracht van de ouders van Eteke werd het gasthuis opgericht ter ere van de apostel Jacobus, en Anna, de moeder van Maria.

De geestelijke zorg werd toevertrouwd aan een geestelijke van de De Aa-kerk; de burgemeesters moesten ieder jaar twee voogden benoemen, die ook aan hen rekenplichtig waren. Het gebouw is in de loop der tijd verschillende malen verbouwd: het gedeelte met de toren in 1605, de hoofdingang in 1630 en de voogdenkamer in 1681 en 1837. De keuken - waaraan het gasthuis de bijnaam 'Lekkerbeetjesgasthuis ontleende - werd verbouwd in 1861; de inventaris is na het herstel in de 20ste eeuw aan de Fraeylemaborg te Slochteren geschonken.

De oudste vermelding van dit gasthuis' dat 'Jacob Grovens en Eteken sijnre echter huusfrouwen getijmmert hebben op de noerder zijdt in de Vierhuuser (Visser)straete' dateert uit 1489. Pas zes jaar later wordt de officiële stichtingsbrief opgesteld en heet het gasthuis 'ter ere Gode en de ere der hilige vrouwe S. Anne en des hiligen apostel S. Jacobs' opgericht. Grovens en zijn vrouw brachten met de stichting van een gasthuis voor oudere arme lieden de laatste wilsbeschikking van Etekes ouders ten uitvoer. - (www.staatingroningen.nl)

De fundatiebrief van het Jacob- en Annagasthuis dateert van 19 februari 1495. De stichters, Jacob Grovens en zijn vrouw Eteke Sluchtinge, bestemden voor deze instelling naast andere goederen het door hen gebouwde "Sunte Annengasthuus", gelegen aan de noordzijde van de Vierhuisterstraat, de latere Visserstraat. Het St. Annagasthuis bestond reeds in 1489, zoals blijkt uit een contract van evelgang, waarbij een zekere Johan van Barsen en zijn vrouw hun huis en hofstede in de Vierhuisterstraat over droegen aan deze instelling, terwijl Jacob Grovens aan dit echtpaar toestond, zolang het leefde, een woning in het "nye gasthuus" te gebruiken en "mede to geneten die waeldaden, die den gemenen armen daer gedaen wert". De stichtingsbrief van 1495 schreef voor de verzorging van 12 armen. Ten gevolge testamentaire beschikking van mr. Ulphart Sibrandes, proost te Loppersum, ontving het gasthuis in 1539 goederen uit zijn nalatenschap; hieraan was de voorwaarde verbonden, dat nog 5 armen meer in het huis moesten worden opgenomen.

Bij de fundatiebrief was het beheer als volgt geregeld. Zolang de stichters leefden, behielden zij het gasthuisbeheer aan zichzelf. Na hun dood moest de voogdij opgedragen worden aan de vicaris van een mede door Jacob Grovens en Eteke - in 1488 - gestichte prebende, welke in de gasthuiskapel werd bediend, en twee jaarlijks door de vier burgemeesters te benoemen burgers der stad. Jaarlijks ook dienden de voogden aan het college van burgemeesters rekening betreffende de gasthuisfinanciën af te leggen. Uitdrukkelijk beloofden burgemeesters en raad het bij de stichtingsbrief bepaalde "to holden ende to vervolgen", gestand te doen en te doen naleven. Bij de reformatie, welk in Groningen in 1594 plaatsvond, verviel natuurlijk het recht van de genoemde vicaris. In 1595 waren er twee voogden in functie, vanaf 1596 steeds drie voogden, benoemd door de vier burgemeesters, een regel, die bleef gelden tot in 1795, het jaar, waarin het stadsbestuur in zijn oude vorm moest verdwijnen om plaats te maken voor de municipaliteit. Het door de municipaliteit op 17 juli 1795 vastgstelde "Plan van oproeping; als mede voorschriften voor de regering der stad, enz." voorzag daarbij in een voorschrift inzake de benoeming der voogden nu er geen college van burgemeesters meer bestond om deze taak te vervullen. De openvallende "plaatsen van voogden over godshuizen, waarover bevorens de bestelling bij de stads regering geweest is", zouden voortaan - "tot nader beschikking van het volk" (welke overigens niet kwam) - door de municipaliteit en de 18 kiezers worden begeven.

De jaarlijkse verkiezingen vonden nu niet langer plaats, slechts wanneer een post openviel werd in de vacature voorzien. Op deze wijze werden de voogdijen van de gasthuizen aangevuld, totdat daarin verandering zou worden gebracht door een op 19 februari 1870 door de gemeenteraad vastgestelde verordening ("verordening, bepalende de wijze van benoeming door den raad der gemeente Groningen, van de leden van het bestuur der godshuizen en andere instellingen van liefdadigheid"). Krachtens artikel 2 van deze verordening zou om de twee jaren één lid van ieder gasthuisbestuur aftreden. Alvorens evenwel nieuwe voogden in .... deze verordening zouden worden benoemd, werd deze reeds gewijzigd bij besluit van de gemeenteraad van 25 februari 1871. Besloten werd nu, dat de benoeming van voogden zou geschieden uit een voordracht van een dubbel getal personen door de besturen van deze instellingen op te maken, vermeerderd met een gelijk getal door Burgemeester en Wethouders daarbij te voegen. Aldus werd op 1 april 1871 ook voor het Jacob- en Annagasthuis een nieuwe voogd benoemd.

Het stadsbestuur was oppervoogd over de gasthuizen. Als zodanig gaf het op 20 november 1630 een instructie, waarbij wel in hoofdzaak de rekenplichtigheid van de gasthuizen aan het stedelijk bestuur werd geregeld ("instructie voor de vogeden van de gast-huysen in dese stadt Groeninghen"). Deze instructie is in 1666 opnieuw "opgelegd". Daarnaast werden, wanneer daaraan behoefte werd gevoeld, andere voorschriften door het stadbestuur gegeven. Overeenkomstig de instructie van 1630 hoorden tot 1657 de vier burgemeesters de gasthuisrekeningen af. Nadien geschiedde dit door één van de burgemeesters met drie "adjungeerde raedsheeren".In 1666 werden vier vaste raadscommissies ingesteld; ieder van deze moest de rekeningen van enkele kerken, gasthuizen of weeshuizen innemen.Ook werden in andere gasthuiszaken deze commissies wel gekend. Sinds 1684 moesten de over het gasthuis gestelde raadsgecommitteerden consent geven voor toelating van nieuwe conventualen.- Nog jaarlijks zenden de voogden van het Jacob- en Annagasthuis hun rekening aan het stadsbestuur, welke dan door Burgemeester en Wethouders wordt goedgekeurd.

Het gasthuis bleef van de stichting af op dezelfde plaats gevestigd, waar het ook thans nog is gelegen, aan de noordzijde van de Visserstraat, met de ingang in het straatje, dat naar het gasthuis de naam Gasthuisstraat zou ontvangen. De kapel, die deel uitmaakte van het gebouwencomplex, na de reformatie niet voor de protestantse eredienst in gebruik genomen, is later met het zich daarop bevindende torentje afgebroken. Zijn tegenwoordige exterieur heeft het gasthuisgebouw gekregen bij een verbouwing in 1861.

• www.archieven.nl

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.