kunstbusgroningen

Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 06-02-2022 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

intermediair administratief bestuur

Na de staatsgreep van 22 januari 1798 ontbond de Constituerende Vergadering de provinciale besturen en verving deze door intermediair-administratieve besturen. Het Intermediair administratief bestuur was een Nederlands college dat, onder toezicht van het Uitvoerend Bewind, de wet- en regelgeving uit voerde en toezicht hield op de plaatselijke besturen. Elk gewest in de Nederlanden had een eigen intermediair administratief bestuur.

De bestaande provinciale besturen werden ontbonden en vervangen door intermediaire administratieve besturen in afwachting van de goedkeuring en invoering van een nieuwe constitutie, dat op 30 maart 1799 gebeurde. Vanaf dat moment werden de intermediaire administratieve besturen vervangen door departementale besturen.

Gewestelijke Besturen in Groningen, 1798-1814 (1815)

Zoals reeds in de inleiding van de Inventaris van de archieven der staten van Stad en Lande * is gezegd, bracht de revolutie van 1795 aanvankelijk weinig verandering in het bestuur van de provincie. Alleen de volksinvloed nam toe door een wijziging in het systeem van verkiezingen. Ook verdween de stadhouder.

De staatsgreep van 22 januari 1798 had de vestiging van de eenheidsstaat ten doel en ten gevolge. De gewestelijke soevereiniteit werd opgeheven, de gewestelijke besturen behielden slechts administratieve bevoegdheden. In overeenstemming hiermee werd op 30 januari 1798 het college van representanten van het volk van Stad en Lande omgezet in een intermediair administratief bestuur van Stad en Lande. Kort daarna kwamen twee agenten van het uitvoerend bewind der Bataafsche republiek naar Groningen. In een vergadering van 13 februari werd het bestuur van het voormalig gewest Stad en Lande met zijn ondergeschikte colleges en dienaren ontbonden. Een nieuw intermediair administratief bestuur, bestaande uit 12 leden benoemd door het uitvoerend bewind, kwam daarvoor in de plaats. Het strekte zijn activiteiten ook uit over Westerwolde c.a.

Inmiddels kwam de staatsregeling van het Bataafse volk tot stand. Zij trad 4 mei 1798 in werking. Volgens deze staatsregeling werd de bataafse republiek verdeeld in acht departementen. Het eerste was het departement van de Eems, hoofdstad Leeuwarden, dat Friesland omvatte met uitzondering van het zuidoostelijk gedeelte, geheel Stad en Lande met inbegrip van Westerwolde en enige schoutambten in noordelijk Drenthe. Zolang aan de overige bepalingen betreffende de verdeling der republiek en haar departementen nog niet kon worden voldaan, bleef het intermediair bestuur voor het gewest Stad en Lande voortbestaan. Alleen werden door een commissie uit het uitvoerend bewind der Bataafse republiek de leden op 25 juni 1798 door andere personen vervangen. Pas in december 1798 vond de verkiezing plaats van het departementale bestuur, dat 30 maart 1799 werd geïnstalleerd en in functie trad. De departementale besturen hadden slechts administratieve bevoegdheden.

Hoewel dus het voormalige Stad en Lande een onderdeel was geworden van het departement van de Eems kwam er met ingang van dezelfde datum, tot zo lang de nieuwe belastingen zouden zijn ingevoerd, een commissie tot de administratie der finantiën van het voormalige gewest Stad en Lande, met inbegrip van Westerwolde c.a.

Ruim twee jaar later werd deze indeling weer ongedaan gemaakt. Bij de staatsregeling van 16 oktober 1801 werd het grondgebied van het Bataafse gemenebest in acht departmenten verdeeld, waarvan de grenzen ongeveer gelijk waren aan die der voormalige gewesten. Er kwam nu een departement van Stad en Lande van Groningen, welks bestuur op 21 juni 1802 zijn taak aanvaardde. De commissie tot de administratie der financiën werd tegelijkertijd vervangen door een raad van financiën.

Het departementaal bestuur, waarvan de werkzaamheden zijn geregeld bij het reglement van 29 april 1802 kreeg weer zekere zelfstandige bevoegdheden. Elk departement mocht de kosten regelen van zijn eigen huishoudelijke bestuur. De wet van 19 juli 1805 beperkte weer de autonomie van de departementen.

Het bestuur bestond aanvankelijk uit 12 leden, voor de eerste keer benoemd door het staatsbewind en vervolgens door verkiezingen aangewezen. Met ingang van 1 augustus 1805 werd het aantal leden beperkt tot zes, te benoemen door de raad-pensionaris.

Verandering bracht weer de constitutie van het koninkrijk Holland, afgekondigd 7 augustus 1806. In gevolge de wet houdende bepalingen nopens de inrichting van het bestuur in de departementen van 13 april 1807 kwam het bestuur van het departement Stad en Lande van Groningen in handen van een landdrost en assessoren, benoemd door de koning. Dit geschiedde met ingang van 20 mei 1807.

De raad van financiën werd ontbonden. Het departement werd verdeeld in twee kwartieren, Appingedam en Groningen, elk bestuurd door een kwartierdrost.

Bij de wet van 30 januari 1808 werd Reiderland van Oost-Friesland afgescheiden en gevoegd bij het departement van Groningen, zoals benaming luidde sinds de dispositie van de minister van binnenlandse zaken van 11 maart 1808. Met het oog op de "incorporatie" van Reiderland werd het departement nu, bij K.B. van 27 april 1808, in drie kwartieren verdeeld, Groningen, Appingedam en Winschoten.

De drost van het laatstgenoemde kwartier aanvaardde in mei 1808 zijn taak.

Bij de wet van 20 april 1809 werden de assessoren en kwartierdrosten facultatief gesteld. In plaats van hen kon er een departementale raad worden gevormd. Deze is nergens ingevoerd.

Na de inlijving van het koninkrijk Holland bij Frankrijk werd met ingang van 1 januari 1811 het departement Groningen opgeheven en vervangen door het departement van de Westereems, dat nu tevens Drenthe omvatte en zelfs een gedeelte van Duitsland, ingesloten door de Eems, de weg van Lingen naar Noordhorn, de Vecht en de Nederlandse grens. Maar voordat dit nieuwe Duitse gebied, dat het arrondissement Neuhausen zou vormen, was georganiseerd, werd het bij senatus-consulte van 27 april 1811 weer afgescheiden en gevoegd bij het overeenkomstig dit senatus-consulte gevormde departement van de Lippe. Reiderland bleef evenwel bij het departement van de Westereems. De verdeling in kwartieren, nu arrondissementen genoemd, bleef gehandhaafd. Behalve Groningen, Appingedam en Winschoten kwam er nu ook een arrondissement Assen, het voormalige Drenthe.

Het departementaal bestuur werd geacht te zijn als in Frankrijk. Dit titel landdrost werd vervangen door die van prefect, de assessoren werden raden van prefecture (conseil de préfecture) en de kwartierdrosten onderprefecten. Ook zou er een conseil genéral du département zijn, een lichaam van weinig betekenis echter, hoofdzakelijk op het gebied van belastingen en begrotingen.

In de loop van 14 november 1813 verlieten de Franse functionarissen, de prefect incluis, de stad Groningen. Twee dagen later vaardigde de kommandant der Russische troepen, baron Rosen, die onder de titel kommandant van het departement van de Westereems de leiding op zich genomen had, een proclamatie uit, waarbij de raden van prefecture voorlopig werden belast met de administratie van het departement, terwijl aan de onderprefecten werd opgedragne hun functies te blijven waarnemen.

Op 3 december 1813 benoemde de prins van Oranje de heren E.J. Alberda en E. Lewe tot commissarissen-generaal. Zij namen op 9 december de taak van de raden van prefecture over. Op 14 december namen zij het besluit tot continuatie van de onderprefecten onder de naam commissarissen.

De raden van prefecture bleven nog in functie tot 17 december. Hun taak was blijkbaar weer teruggebracht tot die van vóór de omwenteling. Althans toen zij bij besluit van de Souvereine Vorst van 17 december werden ontslagen, werd tevens bepaald, dat tot afdoening van de contentieuse zaken en reclamatiën enige raden aan de commissarissen-generaal in de departementen zouden worden toegevoegd. Dit geschiedde bij besluit van de Souvereine Vorst van 10 januari 1814. Ook toen bij besluit van de Souvereine Vorst van 20 april 1814 de commissarissen-generaal werden ontslagen en hun taak op 28 april werd overgenomen door de bij besluit van 6 april 1814 benoemde gouverneur van de provincie Groningen mr. G.W. baron van Imhoff, werd bepaald, dat de raden zouden blijven bestaan tot de Staten of Gedeputeerden zouden zijn benoemd.

Op 28 augustus 1814 benoemde de Souvereine Vorst de leden van de Staten. Bij besluit van 6 september 1814 werd o.a. bepaald, dat de judicatuur in cas van gemene middelen zal overgaan aan de Staten, blijvende het aan de Staten overgelaten zo lang nog geen gedeputeerden zijn benoemd, deze judicatuur aan een commissie uit hun midden over de dragen. De werkzaamheden van de raden van de gouverneur daarmee ophoudende, blijven zij belast met de afdoening van de lopende procedures. In hun vergadering van 20 september werd door de Staten een commissie voor de bovengenoemde judicatuur ingesteld. Dezelfde personen werden bij besluit van de Souvereine Vorst van 2 oktober 1814 tot leden van Gedeputeerde Staten benoemd.

De arrondissementen werden met ingang van 1 maart 1815 opgeheven.

Bronnen:
• https://www.archieven.nl/

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.