Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 18-04-2020 voor het laatst bewerkt.
Twitter: Tweet Follow Tweet naar over
Facebook:

Of mail uw vraag of opmerking over dit artikel naar kunstbus@gmail.com

IJzertijd

Periode van 800-12 v.Chr. In tegenstelling tot wat de naam suggereert zijn ijzeren voorwerpen uit deze periode schaars. Dit is te wijten aan het feit dat ijzer, anders dan brons, na verloop van tijd geheel wegroest. Toch moeten ijzeren voorwerpen gemakkelijk te verkrijgen zijn geweest. De grondstof voor ijzer, in de vorm van moerasijzererts, was namelijk in het veen en de beekdalen van Groningen ruim voor handen.

Een bepaald type stenen hamer, de Muntendammer hamer, wordt wel (ten onrechte) met de winning van dit ijzererts in verband gebracht. In de IJzertijd was Noord-Nederland binnen Europa een vrij onbetekenend gebied. Voor zover het de zandgebieden betreft, kwam er in het algemene beeld - een dunbevolkt gebied met kleinschalige landbouw en veeteelt - weinig verandering. De omwalde akkercomplexen (Celtic Fields) die in de Bronstijd ontstonden, bleven in de IJzertijd in gebruik. Bij een opgraving van een Celtic Field in de buurt van Sellingen werden de sporen blootgelegd van een kleine boerderij uit de vroege IJzertijd. Tot op heden is dit de enige bekende huisplattegrond van de Groninger zandgronden. een geheel andere situatie ontstond gedurende de IJzertijd in de kustzone. Hier verschenen rond 600 v.Chr. de eerste nederzettingen (wierden).

In de loop van de IJzertijd veranderde de manier van begraven. De urnenvelden bleven aanvankelijk wel in gebruik, maar de crematieresten werden niet langer verzameld in urnen. In plaats daarvan werden de resten van de brandstapel ter plekke bedekt met een plaggenheuvel. Deze zogenaamde brandheuvels werden eventueel omgeven met een vierkante greppel of een omheining van dunne paaltjes. In het urnenveld van Laudermarke is de overgang van urnengraven naar brandheuvels duidelijk waarneembaar. Brandheuvels van opgeworpen plaggen zijn daar aangelegd bovenop de oudere urnen graven. Daarnaast bleef men urnen met crematies bijzetten in bestaande grafheuvels.

De bewoning van de Groninger zandgronden beperkte zich in de vroege IJzertijd tot de Hondsrug en de hogere gedeelten van Westerwolde. Maar net als eerder in het Westerkwartier (zie Bronstijd) bedreigde ook in Westerwolde het oprukkende veen uiteindelijk de bewoners. In de nabijgelegen Hunzevlakte begon plaatselijk het veen al rond 5000 v.Chr. te groeien. De aanwezigheid van de Mussel Aa, Pagediep en Ruiten Aa zorgde in Westerwolde echter voor een goede afwatering. Dit zorgde er voor dat de veengroei hier pas veel later een probleem werd. Tegen het einde van de Midden-IJzertijd moet de bewoningsdichtheid zijn afgenomen tot slechts een fractie van die ten tijde van de late Bronstijd. Voor de periode van de late IJzertijd (250-12 v.Chr.) tot in de vroege Middeleeuwen zijn in Westerwolde geen bewijzen gevonden voor permanente bewoning. De Hondsrug bleef wel bewoond. Net als in de Bronstijd en voorgaande perioden bleef het veen een grote rol spelen in de belevingswereld van de mens. Ook in de IJzertijd werden offers van uiteenlopende aard geplaatst. Voorbeelden hiervan zijn de halsring uit de vroege IJzertijd gevonden bij Onstwedder Barlage en een aantal vuurstenen sikkels gevonden bij Bourtange (sikkeldepot Bourtange). Onderzoek aan veenlijken uit Drenthe heeft aangetoond dat ook deze voornamelijk uit de IJzertijd dateren. Tot een bijzondere categorie veenvondsten behoren de veenwegen, diedeels uit de IJzertijd stammen.

Bronnen:

Nieuwe Groninger Encyclopedie


Pageviews vandaag: 3.