kunstbusgroningen

Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 13-01-2022 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Hoofdmannenkamer

De Hoofdmannenkamer was van de 15e tot de 18e eeuw een rechtsprekend en bestuurscollege dat was gevestigd in en werkte voor Groningen en de haar in eigendom toebehorende gebieden. In 1749 werd haar naam gewijzigd in Hoge Justitiekamer van Stad en Lande.

De warven ontwikkelden zich in de 14de eeuw tot gevestigde instellingen met rechtsprekende en regelgevende bevoegdheid.
De Hoofdmannenkamer bestond aanvankelijk uit burgemeesters en raad van deze stad. Later werden vertegenwoordigers van de stad aangesteld als 'hoofdmannen'. Deze vertegenwoordigers hoofdmannen genoemd, waren vier personen die werden aangewezen uit de oud-burgemeesters en raad. De Hoofdmannenkamer vergaderde aanvankelijk op het stadhuis van Groningen.

De zittingen waren aanvankelijk openbaar, tot Jaspar van Marwick daar verandering in bracht. De Kamer telde 4 leden, door de Stad aangewezen. onder leiding van de Luitenant. De naam Hovetmans komt het eerst voor in 1407.

Aangezien de warven altijd op het raadhuis in de stad gehouden werden en de Ommelander rechters hun taak daar als tijdrovend en weinig lucratief beschouwden, kregen de hoofdmannen een grote bewegingsvrijheid. Allengs werd het onderzoek en de waardering van het bewijs aan hen overgelaten. Zij kregen zelfs de vrijheid buiten de warven om kleinere appèlzaken te beslissen.

De macht van de stad Groningen over de Ommelanden is bijna spreekwoordelijk. Het stapelrecht, dat eenieder dwong zijn waren op de Groninger markt te brengen, is het bekendste voorbeeld. Maar ook de organisatie van de rechtspraak heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de hegemonie van de stad. In de zestiende eeuw nam de Hoofdmannenkamer bijna de gehele rechtspraak in het gewest over, terwijl zij ook bestuurlijke bevoegdheden had. Na de staatsrechtelijke wijzigingen van 1749 werd de Hoge Justitiekamer, als opvolger van de Hoofdmannenkamer, veel meer een beroepsinstantie.

In 1652 stelden de Ommelanden een eigen Justitiekamer in Middelstum in, die echter niet lang bestaan heeft.

Hertog Karel van Gelre voegde de stadhouder als nieuw element aan de Kamer toe. Feitelijk werd de plaats van de stadhouder in de hoofdmannenkamer sinds 1538 ingenomen door diens plaatsvervanger, de luitenant. Daarmee werd de hoofdmannenkamer een bestuurscollege en een uitvoerend orgaan van de centrale regering.

In 1542 werd de jaarwedde van de hoofdman gelijk aan die van de burgemeester: 40 Emder guldens; in 1589 verhoogd tot 100 daalders. De Kamer besliste alleen in Ommelander zaken en in handelsgeschillen van 't Gildrecht.

Reeds dadelijk na de Reductie eisten de Ommelanden de mogelijkheid van herziening van de vonnissen der Hoofdmannenkamer. Eindelijk beslisten de Staten-Generaal in 1615, dat daaraan moest worden voldaan, doch de Ommelanden waren niet tevreden met de wijze, waarop die herziening geschieden zou en de zaak werd niet opgelost.

De Staten-Generaal brachten in 1645 het aantal leden op acht, waarvan drie aangewezen door de Ommelanden.

Sedert 1650 werd de Luitenant voor 2 jaar benoemd, beurtelings door de Stad en door de Ommelanden.

De hoofdmannen werden gekozen uit de burgers van de Stad en uit de edelen van de Ommelanden, die het burgerrecht bezaten.

Geleidelijk gingen de warven achteruit, tot ze werden opgeheven.

In 1580 na 't Verraad van Rennenberg vormden de Ommelanden een eigen Hoofdmannenkamer met Popko Ufkens als luitenant en 2 assessoren uit elk kwartier. Matthias regelde de instelling; Ufkens kreeg een jaarwedde van 1200 caroliguldens. Hij moest de Staten bijeenroepen.

De warven

In de Ommelander landschappen kwamen in de middeleeuwen de redgers (rechters) op warven bijeen. Het woord warf is hetzelfde als werf, dat in de betekenis erf, wal, kade en vluchtheuvel (wierde) voorkomt. Van de verhoogde plek waar men bijeenkwam werd het de naam voor de vergadering zelf.

Het ontbreken van een sterk centraal gezag in de Ommelanden had een ontbindende werking. Onderlinge veten en oorlogen maakten een normale rechtsbediening steeds moeilijker. De collegiale rechtspraak verviel, de redgers werden zelfstandig in hun redschap of rechtstoel.

In de loop der 14e eeuw slaagde de stad Groningen erin de leiding te nemen in de Ommelanden. Zij sloot met de verschillende landschappen verbonden om rust en veiligheid te waarborgen. Daartoe behoorde ook de zorg voor een betere rechtspraak. In 1379 wezen de rechters van Hunsingo en burgemeesters en raad van Groningen een gemeenschappelijk vonnis in een civielrechtelijke kwestie, terwijl we in 1392 de rechters van Hunsingo en Fivelgo en burgemeesters en raad verenigd zien om recht te spreken. De Oosterwarf, die namelijk Hunsingo en Fivelgo bestreek, is dan geboren, al komt de benaming pas voor in 1400. Een Westerwarf vinden we in 1416 voor het eerst vermeld. Deze omvatte het latere Westerkwatier, namelijk Vredewold, Langewold, Humsterland en Middag. Het laatste landschap dat oorspronkelijk tot Hunsingo behoorde had tevens toegang tot de Oosterwarf.

De stad Groningen sloot bovendien in de 15e eeuw verbonden met onderscheidende Westerlauwerse landschappen, waarbij eveneens sprake is van gemeenschappelijke warven. Deze zijn evenwel niet tot ontwikkeling gekomen.

De Ommelander warven, welke te Groningen werden gehouden, hadden naast een rechtsprekende ook een wetgevende bevoegdheid. In het eerste geval kwamen de ordelen, in het tweede geval constituties tot stand. In de loop van de 15e eeuw specialiseerde zich de rechtspraak tot appèl; de redger (grietman in het Westerkwartier) bleef of werd weer de gewone rechter in eerste aanleg.

Het college dat de warf vormde bestond uit burgemeesters en raad van Groningen, later de hoofdmannen en van de zijde der Ommelanden uit de functionerende redgers, grietmannen, over- en lankrechters of hun geconstitueerden, benevens de richters (burgemeesters) van Appingedam. Zij waren verplicht te komen. Bovendien mochten compareren degenen die recht hadden op het bekleden van een rechtersfunctie, ook al waren ze dat jaar niet aan de beurt.

Een vaste competentieregel bestond er aanvankelijk niet. Allerlei kwesties werden behandeld; zo bevat de warf eveneens voluntaire jurisdictie.

Ook in de landsheerlijke periode bleven de warven bestaan. Graaf Edzard van Oost-Friesland heeft getracht in de periode dat hij de stad en Ommelanden beheerste (1505-1514) de warven om te zetten in een hofgericht te Winsum. Karel van Gelre herstelde evenwel de oude toestand en zo bleef het ook tot 1536.

Terwijl de warven wat hun wetgevende functie betreft aan betekenis verloren door het ontstaan der Ommelander Staten, overvleugelden de hoofdmannen hen geheel in hun rechtsprekende taak. Toch bleven ze ook na 1594 bestaan. Tevergeefs echter trachtten de Ommelanders bij hun bestrijding van de hoofdmannenkamer hen in stand te houden. Het college was te uitgebreid en kwam te zelden bijeen voor een goede rechtsbediening. In september 1723 werd voor het laatst een zaak behandeld. Toch bleven de vergaderingen doorgaan, maar slechts voor het nazien van de rekeningen en om de pot te verteren, gevormd door boeten bij afwezigheid. Bij het reglement reformatoir van 1749 werden de warven opgeheven. De eindrekening werd 21 december 1750 gesloten.

De Hoofdmannenkamer en opvolgende rechterlijke instanties

Reeds is gezegd, dat van den beginne af op de warven afgevaardigden van de stad compareerden. Zij namen daar uiteraard een centrale positie in doordat zij gemakkelijk bij elkaar konden komen en de macht van de stad achter zich hadden. Zij werden daardoor de aangewezen personen om leiding te geven. Aanvankelijk waren dit burgemeesters en raad zelf. Sinds 1407 komen naast hen hoofdmannen voor en na omstreeks 1470 zijn dat de hoofdmannen alleen. Zij waren speciaal voor dit doel aangesteld, vier in getal en gekozen uit oud- burgemeesters en raden. Het lag in de lijn, dat zij de te behandelen zaken gingen voorbereiden en de vonnissen gingen uitvoeren.

Al snel gingen zij zelfstandig rechtspreken, aangezien het de Ommelanders moeilijk viel zo vaak bijeen te komen als voor een goede rechtsbediening noodzakelijk was. Kortom zij werden tot een afzonderlijk rechtscollege, waarvan de competentie zich langzamerhand vormde, trouwens niet uitsluitend door afsplitsing van de bevoegdheden der warven. Immers een van de belangrijkste functies van de hoofdmannenkamer werd sinds het midden van de 15e eeuw de behandeling van vorderingen van stedelijke instanties en burgers tegen Ommelanders, met toestemming aanvankelijk der laatsten, in de 16e eeuw ook er zonder. Daarnaast konden de hoofdmannen ook zaken van de Ommelanders onderling behandelen voor zover dit bij contract aan hun was gesubmitteerd. Belangrijk was ook hun bevoegdheid onroerende goederen in de Ommelanden bij executie te mogen verkopen. Van de warven namen zij de bevoegdheid over tot het uitvaardigen van allerlei mandaten. Bovendien kreeg de Kamer een zekere bevoegdheid in strafzaken. Verder nam de Kamer van de warven over een gedeelte van hun competentie in appèl, namelijk ten aanzien van persoonlijke geldvorderingen beneden de 60 oude schilden.

Tenslotte moet nog de aandacht worden gevestigd op het streven van de landsheren de Kamer te maken tot een onafhankelijk, centraal rechtsprekend- en regeringscollege. Graaf Edzard ontnam aan de stad het benoemingsrecht en bepaalde, dat hij een gerecht zou vormen uit enige heren van de stad en zijn ambtslieden (drost en hoofdmannen bijvoorbeeld in 1511). Hertog Karel van Gelre herstelde weer de oude toestand, maar hij voegde de stadhouder erbij, die als eerste hoofdman voorzat. Dit bleef ook zo tijdens Karel V en Philips II. In 1538 werd een luitenant aangesteld, die de stadhouder, die meer gewesten bestuurde en zelden in Groningen aanwezig was, verving. De luitenant werd nu de vertegenwoordiger van de landsheer in de provincie en met hem werd ook de hoofdmannenkamer tot een bestuurscollege en uitvoerend orgaan van de centrale regering. Zij riepen de Staten ter vergadering, kondigden mandaten uit ten aanzien van de belastingen en op ander gebied, een bevoegdheid welke de Kamer ook reeds vóór de landsheerlijke tijd had verworven.

Ondanks de verbonden tussen Stad en Ommelanden, het laatste dat van 1842, was de verhouding tussen beide leden nooit hartelijk geworden, integendeel ze werd van kwaad tot erger. Een van de grieven van de Ommelanders was, dat zij in de hoofdmannenkamer niets te zeggen hadden, hoewel deze over hen oordeelde en de stadsolderman steunde bij de uitoefening van het stapelrecht. Conflicten kwamen dan ook herhaaldelijk voor en leidden soms tot het vormen van een eigen Kamer door de Ommelanders. Blijvend succes hadden zij daarbij niet.

Ook na de reductie van Groningen bleef de Kamer bestaan. De politieke invloed werd haar echter ontnomen. Na veel geharrewar tussen Stad en Ommelanden werd op 2 oktober 1601 door de Staten een instructie vastgesteld, in hoofdzaak naar de inzichten van de stad. De competentie van de Kamer zou zijn, zoals ze van 1521-1560 geweest was. 1521 was het jaar waarin zij in de Gelderse tijd hersteld was, in 1560, kort na de vorming van een eigen bestuur door de Ommelanders in 1558, was het grote proces tussen Stad en Ommelanden, onder andere ook over de positie van de Kamer, begonnen. Vastgelegd werd ook dat de Kamer in het algemeen toezicht moest houden op de uitoefening van de rechtspraak in de Ommelanden en dat ze in bijzondere gevallen, wanneer er periculum in morawas, waterstaatskwesties mocht berechten met uitzondering van die der privilegieerde zijlvestenijen. Bij dergelijke zaken had ze ook het recht van schouw, van executie van boeteplichtingen en het innen der schattingen.

Wat het appèl van vonnissen van de Ommelander rechters betreft werd vastgesteld in welke gevallen de warven en in welke gevallen de Kamer recht van appèl bezat.

In 1538 had Karel V aan de Westerwolders vergund dat zij van de vonnissen van de drost van Wedde mochten appèlleren aan stadhouder en hoofdmannen. Dit recht werd opgenomen in art. 72 van de instructie van 1601 en eveneens in art. 45 van de instructie van de Hoge Justitiekamer van 1749. Hoewel hier nergens sprake is, dat dit appèl alleen voor civiele zaken gold, wordt dit algemeen aangenomen. Er zijn ook geen voorbeelden van appèl in lijfstraffelijke zaken, wel van overtredingen. Deze werden behandeld "civiliter et ordinario modo" (zie bijvoorbeeld art. 48 van de instructie van 1749).

Nog moet de aandacht gevestigd worden op een bevoegdheid namelijk het recht van schouw over enige "heerwegen". Deze, voor een gewestelijke rechtbank ongewone schouw, betrof een aantal oude toegangswegen van de Ommelanden naar de stad (zie nader blz. 169). De verklaring moet liggen in de nauwe band tussen stad en hoofdmannen. De stad had er groot belang bij dat deze wegen in goede staat verkeerden. Zij had evenwel zelf geen rechtsmacht in de Ommelanden, maar de door haar beheerste hoofdmannenkamer wel. Hoe precies de ontwikkeling geweest is, is niet bekend.

Weliswaar was na 1594 de Kamer een provinciale rechtbank geworden, maar de benoeming der vier hoofdmannen en ook hun salariëring was aan de stad gebleven. Hun beëdiging moest evenwel door de Staten geschieden. De luitenant en de secretarissen zouden door de Staten worden benoemd, voor hun leven. Over de wijze van benoeming van de luitenant konden Stad en Ommelanden het niet eens worden, zodat het tot 1640 duurde voor een luitenant kon worden gekozen * . Stad en Ommelanden hadden ieder een kandidaat gesteld. Bij loting viel toen de beslissing uit ten gunste van de kandidaat van de stad, Barthold Wichering. Na diens dood, 15 oktober 1652, was de loting gunstig voor de Ommelanden, die Scotto Tamminga nomineerden. De 19e december 1656 werd echter besloten door de Staten dat het luitenantschap voortaan slecht twee jaar zou duren, terwijl de nominatie beurtelings aan Ommelanden en Stad zou staan.

Het streven der Ommelanders meer invloed in de hoofdmannenkamer te krijgen had in 1645 in zoverre succes, dat toen bij resolutie van de Staten-Generaal de Kamer werd uitgebreid met vier leden, door de stadhouder voor het leven te benoemen, drie op voordracht van de Ommelanden en één op voordracht van de stad.

Bovendien wilden de Ommelanders de mogelijkheid open gesteld zien voor revisie van de sententies der hoofdmannen. Ze wilden daarvoor een aparte Kamer, maar dat gelukte niet.

Wel werd in 1607 door de Staten-Generaal het recht van revisie erkend, maar het duurde tot 1615 voor de reviesorder werd vastgesteld. Daarbij werd bepaald, dat in zaken boven de ? 200,- revisie kon worden aangevraagd bij de Staten, c.q. Gedeputeerde Staten. Dezen zouden dan vijf reviseurs aanwijzen uit verschillende provincies om tezamen met de hoofdmannen te revideren. In 1648 kwam een nieuwe reviesorder tot stand. De eerste revisie zou plaats vinden bij luitenant en hoofdmannen zelf; daarna kon een tweede of groot revies worden aangevraagd. Dit geschiedde voor een hof, samengesteld uit ten minste acht raden benevens drie hoofdmannen.

De Ommelanders bleven echter klagen over machtsmisbruik van de Kamer en zo is het ook geen wonder, dat ze in 1677, toen ze een "separate" regering gingen vormen, ook een afzonderlijk Hof van Justitie instelden, van korte duur overigens.

Pas in 1749 bij Reglement Reformatoirwerd de Hoge Justitiekamer een volledig provinciaal hof van justitie. De benoeming van de luitenant en de acht hoofdmannen kwam aan de stadhouder zonder voorafgaande nominatie. Bovendien werd door hem een procureur-generaal aangesteld. Deze functionarissen moesten een juridische graad bezitten en mochten geen regeringsambt bekleden. Hun taak werd geregeld bij een instructie van 27 november 1749. Grotendeels was die gelijk aan die van vóór 1749, maar ze werd uitgebreid. Hoger beroep op de Justitiekamer was nu ook opengesteld van de civiele vonnissen van burgemeesters en raad, maar slecht boven de 250 car. gl.-voor de Ommelander rechters was dat gesteld op 15 ember gl.-en van die van de drie grote zijlvestenijen. Ook verkreeg de Kamer het recht van appèl van de criminele vonnissen, gewezen door de rechterlijke instanties van Ommelanden, Stad en stadsjurisdicties en Westerwolde. Bovendien een zekere criminele rechtspraak in eerste instantie.

Van betekenis was ook, dat de stadhouder het recht van gratie verkreeg, waardoor zijn invloed op de rechtspraak sterk toenam.

Het Hof zou voortaan alle nieuwe geconstitueerde rechters in de Ommelanden in de eed nemen en toezicht uitoefenen op de rechters en hun rechtspraak door de procureur-generaal.

Nader werd een en ander gespecificeerd in de reglementen en ordonnanties op het procederen in civiele en criminele zaken, op appèllen en op revisie.

Niet tot de competentie van het Hof behoorde de rechtspraak over militairen en academieburgers, belastingzaken, jacht en visserij. Voor de jacht en visserij werd het provinciaal jachtgericht ingesteld, dat ook de schouw over de wegen overnam voor zover deze tevoren door de hoofdmannenkamer werd uitgeoefend.

Een belangrijke taak kreeg het Hof in waterschapszaken. Niet alleen had het een werkzaam aandeel in de totstandkoming van de reglementen van 1755 en 1783, voor deze materie vastgesteld door prinses Anna en Willem V, maar het werd ook een soort rekenkamer voor de zijlvestenijen en dijkrechten, wier schouwregisters bovendien ter secretarie van het Hof werden bijgehouden. Tot 1795 toe heeft het Hof deze bevoegdheid uitgeoefend en in enkele gevallen zelfs tot 1800.

Voor het overige veranderde er door de revolutie van 1795 niet veel. Alleen de aloude benaming van luitenant en hoofdmannen werd vervangen door die van praesiderend-raad en raden van den Hove, terwijl hun benoeming al dadelijk aan de representanten van het gewest was gekomen.

Ook de instructie voor het Departementaal Gerechtshof, zoals het Hof nu ging heten, van 18 oktober 1804, veranderde in wezen niet zo heel veel. Het was eigenlijk alleen een aanpassing aan de gewijzigde omstandigheden. Zo kwam met de opheffing der stadsjurisdicties het beroep van de rechters aldaar rechtstreeks aan het Hof, terwijl van de vonnissen in eerste instantie van het Hof hoger beroep open stond op het Nationaal Gerechtshof.

In 1808 werd het rechtsgebied van het Hof uitgebreid met Reiderland, dat bij het departement van de Westereems was gevoegd.

Pas na de inlijving van ons land bij Frankrijk in 1811 kwam de grote verandering. Het Franse recht werd ingevoerd en een andere rechterlijke organisatie kwam tot stand.

Bronnen:
https://www.archieven.nl/

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.