Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 04-04-2020 voor het laatst bewerkt.
Twitter: Tweet Follow Tweet naar over
Facebook:

Of mail uw vraag of opmerking over dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Hondsrug

Drenthe en ook deelgebied Gorecht werden in sterke mate gevormd door de ijstijden. In de voorlaatste ijstijd het Saalien, ongeveer 150.000 jaar geleden, kruide een tientallen meters dikke laag ijs over Drenthe naar het zuidoosten. Dit Scandinavische landijs liet een laag keileem achter, waarin ook zwerfstenen uit Zuid-Zweden zaten. Er werd een aantal zand- en keileemruggen gevormd, die als geheel het Hondsrugsysteem wordt genoemd.

Deze Hondsrug is in het noorden bij Groningen 2 kilometer en in het zuiden 7 kilometer breed. De hoogte is voor een groot deel twintig meter boven NAP, maar daalt bij Anloo en Annen tot vijftien meter boven NAP. In de Herestraat in de stad Groningen ligt nog een 9 meter hoge heuvel als laatste uitloper van de Hondsrug. Volgens de jongste inzichten werd de Hondsrug gevormd als gevolg van het onder het ijs wegstromende water in de richting van een zeer groot meer in Duitsland en door een serie drukverschillen in de ondergrond. Na de ijstijden bleven onder meer tussen Haren en Noordlaren talloze pingoruïnes achter, bijvoorbeeld in het natuurgebied de Appelbergen.

Aan het einde van het Saalien ontstond het brede Hunzedal, evenwijdig aan de Hondsrug. Het voerde smeltwater af in noordelijke richting en was aanvankelijk een 50 meter diep erosiedal. Het werd in de laatste ijstijd, het Weichselien, opgevuld met zand en later werd de Hunze een riviersysteem met meanderende zijstroompjes. Op een gegeven moment brak de Drentsche Aa door de Hondsrug en wist deze het Hunzedal te bereiken. Ten oosten van de Hunze ontstond in het uitgesleten dal een immens veen, dat onderdeel uitmaakte van het Bourtanger Moeras. Dit ontstond in het Holoceen, vanaf 10.000 jaar geleden. Aan de randen van de hogere zandgronden groeiden veenmoerassen. Ook de doorbraak van de Drentsche Aa door de Hondsrug werd een veengebied, de Besloten Venen.

Vroegste bewoning
De vroegste sporen van menselijke aanwezigheid zijn teruggevonden op de uitloper van de Hondsrug waar nu de gemeente Haren ligt. Het zijn de restanten van een jagerskamp bij Haren (Sassenhein) uit de Hamburgcultuur, rond 10.000 jaar v.Chr. Met de komst van de Trechterbekercultuur (3400-2900 v.Chr.) begon hier een periode van permanente bewoning. De Hondsrug in het deelgebied Gorecht was hierbij vrij dicht bevolkt. Het bewaard gebleven hunebed van Noordlaren (G1) wijst daar op. Ook de twee hunebedden van Midlaren (D3 en D4) en de sporen van drie vernielde hunebedden bij Glimmen en Onnen (G2, G3 en G4) uit deze periode tonen bewoning aan. Bij het hunebed van Noordlaren werden voorts scherven van aardewerk, pijlpunten, bijlen en barnstenen kralen gevonden. Ook de vondst van een offerbijl bij Noordlaren en grafheuvels bij Haren zijn bewijzen van bewoning. In het centrum van de stad Groningen zijn eveneens uit deze periode reeds archeologische vondsten bekend.

Ook na de Trechterbekercultuur bleven mensen op de Hondsrug wonen. Van de Standvoetbekercultuur is bij Onnen een bijenkorfgraf gevonden, net als een aantal stenen strijdhamers. Ook van de Klokbekercultuur (2700-2100 v.Chr.) zijn vondsten bekend, zoals een grafheuvel bij Harenermolen. Deze kende vier fasen van bijzetting, van 2000 v.Chr. tot de Bronstijd 900 v.Chr. Uit al deze perioden zijn grafgiften gevonden, van een stenen polsbeschermer en barnstenen kralen uit de eerste begravingen tot urnen en bronzen scheermesjes uit de Late Bronstijd.

Middeleeuwen
Op de betrekkelijk hoge en droge Hondsrug was dus wellicht continuïteit van bewoning, al was de bevolking rond het begin van de jaartelling aanmerkelijk geringer. Dit heeft waarschijnlijk te maken met migratie naar het noordelijke kleigebied. Vermoedelijk zijn de Hondsrugnederzettingen Noordlaren, Glimmen, Onnen, Haren, Helpman en Groningen ontstaan in de Romeinse tijd (50 v.Chr.-400 n.Chr.). De structuur van deze nederzettingen is dezelfde als die van de dorpen op het Drentse deel van de Hondsrug. De landbouwers bedreven akkerbouw op kleine huisakkers en veeteelt op de lager gelegen gronden langs de beken. De boerderijen lagen op de flanken van de Hondsrug. De oudste essen grensden aan de kleine huisakkers, terwijl latere ontginningen verder van de nederzettingen lagen. Ten behoeve van de afwatering werden sloten naar de beken gegraven. Om de landerijen te beschermen tegen het water van de Drentsche Aa en de Hunze werden vanaf de 12e eeuw dijkjes aangelegd, ook om het zoute water uit het noorden te keren. Tot in de 19e eeuw stroomde dit zoute water tot in het Gorecht, via Reitdiep en Hunze (Drents Diep). De dijkjes fungeerden vaak als wegen, zoals de Meerweg en de Hoornschedijk.

Bronnen:
landschapsgeschiedenis.nl


Pageviews vandaag: 5.