Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 11-01-2022 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Hollandse Zending

De Hollandse Zending of Hollandse Missie is de benaming voor de Katholieke Kerk in de Noordelijke Nederlanden, ontstaan tijdens de Republiek der Verenigde Nederlanden, nadat in 1622 door paus Gregorius XV het opperste bestuur over de Kerk in de Noordelijke Nederlanden werd toevertrouwd aan de Congregatio de Propaganda Fide (Congregatie voor de voortplanting van het geloof) die het toezicht uitoefende over missiegebieden. Vanwege de Opstand was de organisatie in bisdommen van 1559 immers niet te handhaven.

Het doel van de Hollandse Missie was het in stand houden van het katholieke geloof. Daartoe paste de overgebleven clerus zich geleidelijk aan aan de nieuwe situatie en de protestantse omgeving. Dat was niet naar de zin van Rome, dat missionarissen uit Zuid-Europa naar het noorden stuurde. Deze paters stonden onder gezag van hun orde, en niet van het Apostolisch Vicariaat in Utrecht, dat niet gecharmeerd was van hun prediking. Er groeide een tegenstelling tussen het ingetogen katholicisme van Utrecht en de uitbundige heiligenkalender van de missiepaters, dat in 1723 uitliep op het Utrechts Schisma en de stichting van de Oudkatholieke Kerk.

Tijdens de Hollandse Zending was er in Huis Bergh te 's-Heerenberg van 1799 tot 1842 een seminarie gevestigd.

In 1853 volgde het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie en kwam er een einde aan de Hollandse Zending.

Groningen

In Groningen werd na de Reductie (1594) geen nieuwe bisschop benoemd. De paus verklaarde Noord-Nederland tot missiegebied en plaatste dit in 1622 onder de nieuw opgerichte Congregatie de Propaganda Fide. Het hoofd van de Hollandse Zending werd apostolisch-vicaris genoemd, bestuurder namens de paus. Tot 1727 is er een apostolisch-vicaris in functie geweest. De Hollandse Zending werd geleidelijk verdeeld in aartspriesterschappen. De aartspriester had in zijn gebied enig gezag over de wereldheren, de seculieren, die door hun gelovigen als de pastoor werden gezien. Naast deze organisatie werkten missionarissen van verschillende kloosterorden, die van de paus hiervoor toestemming hadden gekregen. Deze regulieren wilden alleen aan hun oversten verantwoording afleggen. Tussen de regulieren en de seculieren kwam ook in Groningen wrijving voor, vanwege de concurrentie en een verschil in opvatting over de geloofspraktijk.

De meeste hinder heeft de Hollandse Zending ondervonden van de overheid. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden heerste gewetensvrijheid, maar geen vrijheid van godsdienstuitoefening voor de katholieken. Priesters mochten hun ambt niet uitoefenen; gelovigen kregen hoge boetes als ze heimelijk naar een rooms-katholieke kerkdienst gingen of de sacramenten ontvingen. Katholieken mochten geen staatsambten vervullen. In Groningen werden de plakkaten tegen de katholieken in de eerste helft van de 17de eeuw streng uitgevoerd. Daarna luwde de vervolging. De apostolisch-vicaris durfde in 1695 in Groningen te komen en het vormsel toe te dienen.

Na 1731 liet de overheid de katholieken wel schuilkerken bouwen en hun godsdienstoefeningen houden als daar maar veel geld voor betaald werd. Katholieken bleven tweederangs burgers.

De burgerlijke gelijkstelling kwam pas met de "Bataafse Revolutie in 1795. De bevoorrechting van de gereformeerde kerk eindigde in 1796 bij de scheiding van kerk en staat. Aan de missiestatus kwam nog geen einde. De paus en de Nederlandse overheid sloten een concordaat dat niet tot uitvoering kwam. Volgens de grondwet van 1848 had de overheid geen zeggenschap meer over de organisatie van de katholieke kerk. De weg was vrij voor het herstel van de hiërarchie in 1853.

Voorspel: de Reformatie

In 1559 kwam het tot een reorganisatie van de kerkelijke indeling in de Nederlanden. Het bisdom Utrecht, onderhorig aan het aartsbisdom Keulen, werd verheven tot aartsbisdom en kreeg vijf suffragaanbisdommen onder zich, t.w. Groningen, Leeuwarden, Deventer, Haarlem en Middelburg. Hiermee kwam de kerkelijke indeling meer overeen met de politieke situatie van die tijd. Zowel paus Paulus IV als landsheer Philips II wilden hiermee hun invloed vergroten. In het Concordaat van 1559 was vastgelegd dat de landsheer het recht van benoeming van bisschoppen kreeg. Inmiddels kreeg het calvinisme steeds meer invloed in de Nederlanden. In 1568 kwam het tot een opstand, hetgeen resulteerde in het afzweren van de landsheer in 1581 met het plakkaat van Verlatinge. De opstandige gewesten verenigden zich in een Republiek. Met de Vrede van Munster in 1648 werd de Republiek der Verenigde Provinciën als zelfstandige staat erkend.

Met de Opstand werd het calvinisme de enig erkende publieke godsdienst in de opstandige gewesten en werd het katholicisme er verboden. Het is moeilijk om een precieze datum aan te geven voor het wegvallen van de katholieke hiërarchie in de Utrechtse kerkprovincie en het begin van de missiewerkzaamheden.

Op 25 augustus 1580 stierf de Utrechtse aartsbisschop Frederik Schenk van Toutenburg. Hiermee ging de bisschoppelijke jurisdictie sede vacante over op het domkapittel. Domdeken Johannes van Bruhesen werd tot vicaris benoemd, waarmee hij aan het hoofd kwam te staan van het aartsbisdom. Aangezien Van Bruhesen was uitgeweken naar Keulen delegeerde hij in 1583 de bestuursmacht voor het diocees aan Sasbout Vosmeer met een benoeming tot vicaris-generaal. In 1584 werd Vosmeer tevens vicaris-generaal van het bisdom Middelburg. Enkele jaren later bezat Vosmeer een min of meer gelijke bevoegdheid over de rest van de Noordelijke Nederlanden, met uitzondering van het bisdom Haarlem.

Organisatie van de Hollandse Zending

Aangezien velen nog de hoop koesterden dat de opstandige gewesten zouden worden heroverd door de Spanjaarden, was er niet direct aanleiding om een missie-organisatie op te zetten. Maar de paus zag het als onmogelijk en onwenselijk een katholieke kerkelijke organisatie te handhaven in een door calvinisten bestuurd land. Deze opvatting werd sterker naarmate herovering van het opstandige gebied door de Spanjaarden uitbleef. Als gevolg van deze voortdurende onzekerheid heeft de Hollandse Zending langzaam vorm gekregen. Retrospectief bezien laten veel historici de Hollandse Zending een aanvang nemen met de benoeming van Sasbout Vosmeer tot vicaris-generaal op 1 mei 1583. Anderen leggen het begin van de Hollandse Zending bij de subdelegatie in 1592 door de nuntius te Keulen van zijn door de paus verleende volmachten voor de Noordelijke Nederlanden aan Sasbout.

Om contact te houden met de 'ondergrondse' katholieken in de Noordelijke Nederlanden stichtte paus Gregorius XIII in 1584 een nuntiatuur te Keulen, waar ook Johan van Bruhesen zich na zijn uitwijking had gevestigd. Hiervandaan kon men de politieke situatie veilig volgen. De nuntius verkreeg uitgebreide volmachten voor de Noordelijke Nederlanden en de bevoegdheid tot subdelegatie. Sasbout Vosmeer verbleef merendeels in Holland, vaak op schuiladressen. In 1596 werd een nuntiatuur gesticht te Brussel. Het werd Rome steeds duidelijker dat het herstel van het Spaanse gezag in de Noordelijke Nederlanden voorlopig uitgesloten was en dat de Republiek onder calvinistisch bewind een realiteit was waar men niet omheen kon.

Met zijn benoeming tot vicaris-generaal van het diocees Utrecht had Sasbout Vosmeer niet direct de algehele leiding van de Utrechtse kerkprovincie. Hij verbleef te Delft, waardoor deze stad naast Haarlem, woonplaats van Willem Coopal, sinds 1587 vicaris-generaal van het bisdom Haarlem, tot de eerste missiecentra ging behoren. Ook in Utrecht, Leiden en Amsterdam kreeg de missie al vroeg vaste voet.

Hoewel de nuntius Frangipani persoonlijk herhaaldelijk bij de paus bepleitte bisschoppen op de vacant geworden zetels in de Noordelijke Nederlanden te benoemen, werden benoemingen door de Spaanse koning niet door Rome bekrachtigd. Toen de herovering van de opstandige gewesten uitbleef kwam Frangipani met een nieuw voorstel. Het gehele gebied zou het beste onder eenhoofdig leiding gesteld kunnen worden, met door de paus gedelegeerde bestuursmacht. Op 3 juni 1592 verkreeg Sasbout Vosmeer bij subdelegatie pauselijke volmachten voor de kerkprovincie van Utrecht. Een benoeming tot aartsbisschop van Utrecht was echter niet aan de orde, voor een deel ook doordat formeel Johan van Bruhesen als zodanig was aangewezen door Philips II. Volgens de correspondentie van Frangipani werd Sasbout Vosmeer toen reeds apostolisch vicaris genoemd. Hiermee was hij hoofd van de nog niet officiële Hollandse Zending.

Tot Vosmeers bevoegdheden behoorden: toezicht op de reguliere en seculiere geestelijkheid en uitoefening van een 'zo uitgebreid mogelijk gezag' over hen, het recht te dispenseren in de meeste huwelijksbeletselen, de verlening van toestemming aan leken om Gods woord te verkondigen en het recht om draagbare altaren te gebruiken. In 1603 kreeg Vosmeer van paus Clemens VIII enkele nieuwe bevoegdheden, zoals het recht om beneficies te vergeven.

Tot 1596 stond de apostolisch vicaris onder het gezag van de nuntius te Keulen. In 1596 werd de Keulse nuntiatuur gesplitst: de Noordelijke Nederlanden vielen nu onder de nuntius van Brussel. Brussel lag in vijandelijk Spaans gebied, waardoor contact met de nuntius te Brussel als landverraad kon worden beschouwd door de Staten- Generaal.

Dit bleek een groot nadeel. Politiek zou het verstandiger zijn geweest de Hollandse Zending onder Keulen te laten vallen. Een tweede handicap voor de apostolisch vicaris bij het bestuur van de voormalige kerkprovincie Utrecht was de zelfstandige positie van het kapittel van Haarlem met een eigen vicaris-generaal voor het diocees.

Op 10 september 1600 overleed Van Bruhesen te Keulen. De aartshertogen weigerden een nieuwe aartsbisschop te benoemen, waarschijnlijk omdat dit de vrede in de weg zou staan. De paus besloot in 1602 om Sasbout Vosmeer niet tot aartsbisschop van Utrecht te benoemen, maar tot aartsbisschop van Philippi i.p.i.

Jurisdictie- en bestuursbevoegdheden in de missiegebieden verkreeg Vosmeer dan ook slechts bij pauselijke delegatie en niet door zijn wijding. Kortom, kanoniekrechtelijk bezat Vosmeer slechts potestas delegata in plaats van de potestas ordinaria van een diocesaan-bisschop, waardoor de apostolische vicarissen uiteindelijk in de uitvoering van hun bestuur ernstig werden belemmerd.

In 1622 werd door de paus de Congregatio de Propaganda Fide opgericht, een departement van de pauselijke curie belast met de behartiging van zaken in de zich sterk uitbreidende missiegebieden. De Hollandse Zending ressorteerde vanaf dat moment rechtstreeks onder dit college van kardinalen. De apostolisch vicaris bleef ondergeschikt aan de nuntius te Brussel. Het recht van bisschopsbenoeming in de Noordelijke Nederlanden, dat krachtens het Concordaat van 1559 berustte bij de Spaanse koning, kwam hiermee te vervallen.

In de bestuurlijke opdeling van de Hollandse Zending waren de grenzen van de oude bisdommen nog te herkennen. Aan het hoofd daarvan stond een provicaris als plaatsvervanger van de apostolische vicaris. Zij werden ook wel vicaris-generaal of kapittel-vicaris genoemd. Aartspriesters of landdekens hielden toezicht op de priesters in hun district en fungeerden als tussenpersoon tussen de apostolisch vicaris of zijn provicaris en de missionarissen. Vosmeers opvolger Philippus Rovenius (1614-1651) verdeelde het gebied van de Hollandse Zending in aartspriesterschappen als bestuursdistricten. Hierdoor verloor het ambt van provicaris aan betekenis, behalve in het oude bisdom Haarlem dat een vrij onafhankelijke positie innam in de Hollandse Zending.

Meer dan de helft van de clerus in de Hollandse Zending was woonachtig in het bisdom Haarlem, dat sede vacante werd bestuurd door het Haarlems kapittel. Daardoor kon het veel invloed uitoefenen. In 1602 kwam het tot een overeenkomst gekomen met Sasbout Vosmeer, welke in 1616, onder Rovenius, werd hernieuwd. Het kapittel erkende de apostolische vicaris als het wettige gezag in het diocees Haarlem. Zelf werd het kapittel erkend als wettige instelling en fungeerde het sindsdien als adviescollege voor de apostolisch vicaris voor het bisdom Haarlem.

De vijf kapittels in de stad Utrecht die nauw waren betrokken bij het landsbestuur, werden niet teniet gedaan, maar geseculariseerd. De zittende katholieke kanunniken mochten blijven. De prebenden kwamen veelal in handen van protestanten. Het katholieke element kon nog lang bewaard blijven in de Utrechtse kapittels dankzij het benoemingssysteem. In de oneven maanden werden nieuwe (en protestants gezinde) leden van het kapittel voorgedragen door de Staten van Utrecht als rechtsopvolgers in het pauselijk reservatierecht. Gedurende de overige maanden hadden de kapittels het benoemingsrecht, waar bij toerbeurt een kapitulair kanunnik een nieuwe kandidaat mocht voordragen.

Door tegenmaatregelen van de overheid verminderde de katholieke inbreng langzaam, in 1680 overleed de laatste katholieke kanunnik. Voor de apostolisch vicaris was dit geen werkbare situatie en daarom richtte Rovenius op 9 november 1633 een adviescollege op voor het aartsbisdom Utrecht, bestaande uit elf vooraanstaande priesters, waaronder enkele katholieke kanunniken. Dit college kreeg de naam van vicariaat en niet van kapittel om een conflict met de Staten van Utrecht te voorkomen.

Tijdens het bewind van Rovenius werd een nieuwe functie geïntroduceerd, die van coadjutor van de apostolisch vicaris met recht van opvolging. Ook de coadjutor werd benoemd door de paus en kreeg meestal de bisschopswijding. De eerste benoeming geschiedde op 24 augustus 1640 in de persoon van Jacobus de la Torre (1652-1661). Een jaar na de dood van Rovenius in 1651 werd De la Torre geïnstalleerd als apostolisch vicaris.

Tot het begin van de 17e eeuw waren de meeste priesters ambulant. Geleidelijk vestigden steeds meer seculieren en regulieren zich in de voormalige parochies, nu staties genoemd. Opleiding van de seculiere clerus vond met name plaats in het collegium Alticollense ('De Hooge Heuvel') in Keulen, sedert eind 17e eeuw te Leuven, of in het Pulcheriacollege in Leuven. Ook aan het door de Propaganda Fide gestichte Collegium Urbanum in Rome en aan de universiteit van Dowaai waren opleidingsmogelijkheden.

Vanwege het lage aantal priesters aan het eind van de 16e eeuw en begin 17e eeuw werden vanuit de Zuidelijke Nederlanden regulieren naar het missiegebied gestuurd, als eerste de jezuïeten, later ook andere orden. Al snel ontstond een moeizame verhouding tussen de reguliere clerus en de leiding van de Hollandse Zending. Immers, de regulieren beriepen zich op de richtlijnen van hun orde-oversten, hoewel de Hollandse Zending formeel onder leiding van de apostolisch vicaris stond. Hierdoor was er sprake van een dubbele jurisdictie. Uiteraard speelde mee dat de apostolisch vicaris geen aartsbisschop van Utrecht was met de jurisdictie van een ordinarius. Op 15 oktober 1624 kwamen Rovenius en de jezuïeten een verdeling van de staties overeen in een concordaat, waarin het gezag van de apostolisch vicaris als vertegenwoordiger van de paus werd erkend. De reguliere missionarissen bleven onder de jurisdictie van hun eigen oversten. Conflicten moesten worden voorgelegd aan de nuntius te Brussel. Gedurende de 17e eeuw bleef de verhouding tussen seculieren en regulieren gespannen. Pas op 17 maart 1671 werd de onderlinge verhouding geregeld in een decreet van de Propaganda, voorbereid door Johannes van Neercassel.

Naast de geestelijken waren veel leken werkzaam in de Hollandse Zending. Met name in de beginperiode, toen er een tekort aan priesters bestond, was hun inbreng van enorm belang. Godsdienstoefeningen vonden plaats in schuur- of zolderkerken en soms bij particulieren thuis. Zogenaamde 'klopjes' waarschuwden de gelovigen wanneer een priester langs zou komen voor de eredienst of om de sacramenten toe te dienen. Klopjes waren ongehuwde dames, die allerlei diensten voor de kerk deden, zoals het verzorgen van godsdienstlessen, armen- en ziekenzorg en werkzaamheden als kosteres. In sommige steden woonden klopjes in gemeenschap samen. Officieel konden de staties geen bezittingen hebben, deze stonden dan op naam van een kerkmeester, één van de parochianen en soms zelfs een protestant. De cursores hielden tijdens de eredienst de wacht uit vrees voor verstoring. Na het midden van de 17e eeuw hadden de meeste priesters wel een vaste verblijfplaats.

De breuk met Rome: het Utrechts Schisma


Gedurende de 17e eeuw speelden er twee controversen in de onderlinge verhouding tussen de katholieken in de Republiek. Kerkrechtelijk was er verschil van mening over de positie van de katholieke kerk in de calvinistische Republiek. De apostolische vicarissen, gesteund door de seculiere geestelijkheid, zagen zichzelf de facto als aartsbisschop van Utrecht, al kon dit officieel niet worden bevestigd vanwege de politieke situatie. Daar tegenover stond de visie van pauselijke curie en reguliere geestelijken, dat het aartsbisdom Utrecht met zijn suffraganen niet meer bestond en nu een zendingsgebied was met aan het hoofd de apostolisch vicaris die zijn bevoegdheden gedelegeerd kreeg via de nuntius van de paus.

Het tweede punt van controverse was meer dogmatisch-theologisch van aard. Inzet was de genadeleer, zoals door Cornelius Jansenius in zijn posthume Augustinus (1640) geformuleerd. Paus Alexander VII had in 1665 gedecreteerd dat vijf aan de Augustinus ontleende stellingen door alle geestelijken in een hun daartoe voorgelegd Formulier moesten worden veroordeeld. Ondanks het feit dat Van Neercassel het Formulier had ondertekend werd hij toch van jansenistische sympathieën verdacht. Tot officiële stappen tegen hem kwam het echter niet. Zijn opvolger, Petrus Codde, weigerde evenwel het Formulier te ondertekenen. Vreemd genoeg heeft dit zijn benoeming tot apostolisch vicaris niet tegengehouden.

Pas aan het einde van de 17e eeuw werden de verdachtmakingen tegen Codde dusdanig serieus genomen, dat hij naar Rome werd ontboden. De paus droeg de internuntius te Brussel op om Theodorus de Cock tot provicaris te benoemen gedurende de afwezigheid van Codde. Dit viel in slechte aarde. De Cock stond bekend als anti-jansenist en vanwege zijn eenvoudige komaf werd door de leiding van de Hollandse Zending op hem neergekeken. Zijn benoeming tot provicaris werd dan ook niet erkend. Voor zijn vertrek naar Rome in 1700 benoemde Codde zelf vier provicarissen als plaatsvervangers.

Codde bleek niet in staat om zich tegen de verdachtmakingen naar behoren te verdedigen. Tevens was overduidelijk dat hij bleef weigeren om het formulier van Alexander VII te ondertekenen. Uiteindelijk zal dit de voornaamste reden geweest zijn om hem in 1702 te schorsen. Opnieuw werd Theodorus de Cock aangesteld als provicaris en plaatsvervanger. Zonder twijfel heeft deze benoeming de krachten die tot het schisma van 1723 zouden leiden ontketend. De Cock werd niet erkend door het vicariaat noch door het kapittel van Haarlem. Johan Christiaan van Erckel, door De Cock afgezet als aartspriester te Delft, wist bij de Staten van Holland gedaan te krijgen dat een verbod werd afgekondigd voor De Cock om zijn ambt uit te oefenen en voor de geestelijkheid in het gewest om hem als provicaris te erkennen. Verder werd bepaald dat toekomstige benoemingen van apostolische vicarissen dienden te worden goedgekeurd door de Staten van Holland, dat bevelen van de internuntius te Brussel niet mochten worden opgevolgd en dat regulieren zich niet meer in de Republiek mochten vestigen.

De paus reageerde met een breve op 7 april 1703 waarin ieder die zich rechtsmacht binnen de missie zou toeëigenen met de ban werd bedreigd. De Staten van Holland bepaalden echter op 25 mei dat zij krachtens het recht van placet eerst toestemming moesten verlenen voordat een pauselijk schrijven openbaar kon worden gemaakt. De Staten van Utrecht sloten zich hierbij aan. Doordat er een prijs op het hoofd van De Cock was gezet, was hij genoodzaakt uit te wijken naar Emmerik.

Codde weigerde bij zijn terugkeer in de Republiek het bestuur van de Hollandse Zending weer op zich te nemen. Hij wilde hiermee verdere verdeeldheid alsook zijn excommunicatie voorkomen. Op 3 april 1704 werd Codde definitief afgezet door de paus. In de zomer van 1705 deed de internuntius Bussi een bemiddelingspoging met de geestelijken van het kapittel van Haarlem, het vicariaat en de burgerlijke overheid. Het resultaat was de benoeming van Gerardus Potcamp, aartspriester van Lingen, tot apostolisch vicaris op 14 november 1705. Alle partijen konden zich in deze benoeming vinden. Potcamp werd zowel door de paus als door de Staten erkend. Lang heeft hij dit ambt niet kunnen uitoefenen, reeds een maand later overleed hij. Tijdens zijn korte bestuur benoemde hij van Heussen, Cats en De Swaen tot provicaris en erkende het vicariaat van Utrecht als 'kapittel'. Dit had tot gevolg dat het vicariaat na Potcamps dood dadelijk het bestuur overnam.

Op 8 januari 1707 werd Adam Damen benoemd tot apostolisch vicaris door Bussi, inmiddels nuntius te Keulen, maar niet erkend door het vicariaat en de burgerlijke overheid. Vanaf 1713 hield Damen zich afzijdig van het bestuur van de Hollandse Zending. Vincenzo Santini, vanaf 1713 internuntius te Brussel, werd op 3 oktober van dat jaar door de Propaganda Fide voor vijf jaar benoemd tot superior van de Hollandse Zending. Op 2 oktober 1717 werd Johannes van Bijlevelt benoemd tot apostolisch vicaris. Ofschoon door de meerderheid van de geestelijkheid niet erkend en door de Staten van Holland verbannen, vestigde Van Bijlevelt zich te Utrecht, in 1720 te Arnhem.

Van Bijlevelt zou de laatste apostolische vicaris zijn die het bestuur over de Hollandse Zending uitoefende. Inmiddels was 'kapittelvicaris' Hugo Franciscus van Heussen overleden en opgevolgd door Cornelis Steenoven. Ofschoon het vicariaat zich al langer als opvolger van het voormalig Generaal Kapittel beschouwde, liet men dit nu openlijk blijken. Daarmee keerde het vicariaat zich tegen de pauselijke invloed in de Republiek. Rome liet in 1723 Van Bijlevelt vallen en ging op zoek naar een opvolger die ook erkend zou worden door de Staten. Het vicariaat stuurde aan op de benoeming van een aartsbisschop van Utrecht en stelde Cornelis Steenoven op 27 april 1723 hiervoor als kandidaat. De paus werd om bevestiging gevraagd. Het overlijden van paus Innocentius XIII voorkwam een spoedig antwoord en op 15 oktober 1724 werd Steenoven tot aartsbisschop van Utrecht gewijd door de geschorste bisschop van Babylon, Dominique-Marie Varlet. Benedictus XIII reageerde op 21 februari 1725 met een breve aan de katholieken van de Hollandse Zending waarin hij de keuze en wijding van van Steenoven als onwettig en ongeldig verklaarde.

In december 1723 was Johannes van den Steen door de Brusselse internuntius Spinelli nog tot apostolisch vicaris benoemd. Van den Steen zou zijn functie echter nooit uitoefenen, aangezien hij niet werd toegelaten door de Staten van Holland. Van verdere pogingen een apostolisch vicaris erkend te krijgen heeft men daarna maar afgezien. Het bestuur van de Hollandse Zending kwam voortaan te berusten bij de internuntius. In het veld werd het toezicht op een lager niveau uitgeoefend door aartspriesters. Hiermee waren de katholieken in de Republiek vanaf 1723 definitief gesplitst in twee groeperingen, namelijk degenen die trouw bleven aan het bestuur van de Hollandse Zending en degenen die de aartsbisschop van Utrecht en daarmee de Kerk van Utrecht steunden.

Steenoven stierf op 3 april 1725, waarop het 'kapittel' opnieuw overging tot de keuze van een aartsbisschop van Utrecht. De keuze viel op Cornelis Barchman Wuytiers. De paus reageerde weer met een ongeldigverklaring. Vervolgens werden allen die betrokken waren geweest bij de wijding van Wuytiers geëxcommuniceerd. Ofschoon het vicariaat en de aartsbisschop slechts door een minderheid werden gesteund, was het schisma onherroepelijk een feit.

Bronnen:
hetutrechtsarchief.nl

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.


Er is nog niet op dit artikel gereageerd.

Pageviews vandaag: 4.