Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 09-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Hervormde gemeente Noordbroek

In de middeleeuwen maakte Noordbroek deel uit van het dekanaat Farmsum, dat op zijn beurt weer ressorteerde onder het aartsdekanaat Frisia. Het aartsdekanaat Frisia behoorde tot het bisdom Munster, dat een suffrafaan was van het aartsbisdom Keulen. De kerkelijke herindeling uit de jaren 1559-1561 zou aan deze "buitenlandse" invloedssferen een eind maken door de creatie van een, aan Utrecht ondergeschikt, bisdom Groningen. Na de reduktie (1594) werd Noordbroek ingedeeld bij de klassis Oldambt en Westerwolde, sinds 1816 klassis Winschoten genaamd.

Omstreeks 1440 nam de stad Groningen van de geslachten Gockinga en Houwerda de rechten in het Oldambt over. Het gebied is voortaan een stadsjurisdiktie. De stedelijke zeggenschap strekt zich ook uit tot kerkelijke aangelegenheden.

Op 2 maart 1555 trad de stad op als scheidsrechter in een twist tussen "Peter ten Bussche sampt de ghemeente tho Noortbroecke contra de karckvoegeden daerselffst". Pastoor en kerkvoogden waren in konflikt gekomen met de vicarius ten Bussche "ende wolden denselven heer Peter aldaer ter stede langer niet dulden noch lijden". Zij zetten hem daarom af en kozen de pastoor van Engelbert als nieuwe vicarius. Ten Bussche, die zich verzekerd wist van de steun der gemeente, weigerde echter te vertrekken. Burgemeester en raden gaven Ten Bussche het bevel de vicarie onmiddellijk te verlaten en verbande hem bovendien uit hun jurisdiktie. Verder droegen zij aan gemeenteleden en kerkvoogden op vrede te sluiten. Onwilligen stond een boete van 100 oude Franse schilden te wachten. Ten Bussche kreeg op 26 maart 1555 nog een maand respijt om zijn goederen te gelde te maken.

Burgemeester en raden hadden de supervisie op het beheer van de kerkelijke goederen, een taak die in de 19e eeuw aan het Provinciaal College van Toezicht zou komen.

Het stadsbestuur hoorde de rekeningen van de kerkvoogdij af. Bij vervreemding van kerkegoederen moest haar toestemming worden gevraagd. Het sluiten van pachtcontracten gebeurde in overeenstemming met het stadsmeierrecht.

Het afhoren van de rekeningen
Het reglement van 1673 bepaalde dat de kerkerening eens in de drie jaar door gecommitteerden van de stadsregering moest worden afgehoord. Dit was in Noordbroek al sinds 1658 de gewoonte. Ook daarvóór legde de kerkvoogdij aan de magistraat rekening en verantwoording af, zij het over een variërend aantal jaren.

De diakonierekening werd jaarlijks op diakonie-rekendag afgehoord door de mannelijke lidmaten. Dit gebeurde meestal in de Zuiderschool.

Reductie

Na de reduktie (1594) werd Noordbroek ingedeeld bij de klassis Oldambt en Westerwolde, sinds 1816 klassis Winschoten genaamd.

De predikantenlijst voorin het kerkeboek over de jaren 1624-1703 begint met de namen van Dorpius, Jurlink en Dickmannus die volgens de overlevering-"soo veel ins daer van bekent sijn"-in Noordbroek werkzaam waren geweest "ten tijde des pausdooms", vóór de reduktie dus.

De laatste pastoor van Noordbroek, Henricus Dijckmannus was niet bereid om de verre van ongebruikelijke metamorfose tot dominee te ondergaan, hetgeen hem er niet toe belette nog ruim twee jaar aan te blijven. Pas in april 1597 gaf de Groningse raad "de olde priester toe Noortbroeck" opdracht om op korte termijn zijn post te verlaten, overigens niet dan na aan twee raadsgecommitteerden financiële verantwoording te hebben afgelegd. Dijckmannus werd op verzoek van het kerspel tot schatbeurder aangesteld. Toen de stadsregering hem in 1602 uit dit ambt ontzette, sprongen 41 van zijn ex- parochianen voor hem in de bres. Zij hadden het besluit "mit grooten droeffenisse" vernomen en poogden de raad "uuijt Christelijcke compassie" te vermurwen. Vergelijken we de namen van de ondertekenaren van dit rekest met de lijst die Johannes Lolingius omstreeks 1624 vervaardigde van hem die zich "uterlick (...) tot des H. Avontmaal holden", dan valt het op dat deze twee reeksen namen niet corresponderen.
Ten dele is dit te verklaren doordat er tussen de data van opstelling ruim 20 jaar ligt: een aantal rekestanten zal zijn overleden toen Lolingius zijn 74 schapen telde. Niettemin bewijst de lijst van 1602 dat de gemeente niet en masse overging tot het nieuwe geloof, hetgeen ook blijkt uit de grote aantallen van hen die na 1625 voor het eerst aan de avondmaalsviering deelnemen. De dominee en zijn vrouw, tijdelijk vertrokken en teruggekeerden alsmede uit andere plaatsen afkomstige lidmaten niet meegerekend zijn dat er in 1629 29 en het jaar daarop 18. Deze getallen kunnen, vergeleken met die van de volgende jaren, niet alleen als normale aanwas worden geïnterpreteerd maar wijzen op een golf van bekeerlingen omstreeks 1627.

De eerste "officiële" predikant, Johannes Sprenger (1597-1599), behoorde tot de pioniers van de hervorming in Groningen. Hij had in de jaren '70 de wijk moeten nemen naar Duitsland. In 1578 werd hij van Bingum naar Leer beroepen. De twee jaar voor zijn komst naar Noordbroek was Sprenger predikant te Huizinge.

De verhouding tussen Sprengers opvolger Johannes Lolingius (1600-1624) en zijn gemeente is jarenlang vertroebeld geweest door een ruzie waarvan de precieze achtergronden onbekend zijn, maar die mogelijk in verband heeft gestaan met een al dan niet bewuste weerstand van een deel der dorpelingen tegen de introductie van de heersende godsdienst. Op 25 april 1608 hoort de synode beide partijen "Uppet klagelicke angevent der gemeinte van Nordtbroick wegen ehres itzigen pastorn Johannis Lolingii. Uit de naburige klasses worden twee bemiddelaars benoemd, die "in bijwesen so moglick eniger heren des E. Rades" moeten proberen een verzoening te bewerkstelligen. Deze poging mislukte. Op 7 mei 1613 vroeg de synode zich af: "Oft niet noodigh, dat men den ergerlicken strijdt ende onenicheyt, so sich naer veler luiden seggen nu eenige jaeren herwaerts tusschen den pastoor te Noortbroeck ende den caspelluden solle verholden, door eenige deputerten des synodi sich onderstaen wegh te nemen unde door eenige deputerten des synodi sich onderstaen wegh te nemen unde tho dempen. Het jaar daarop komt het conflict in de synodale vergadering nogmaals aan de orde maar wordt dan "affgedaen".

Functies en hun combinaties
"Idt moet oock in yder carspel een schoelmeister wesen, die kosterye mede bedienende (...) unde in der kercken de gesangen aenhevet", aldus artikel 55 van de kerkorde uit 1594.

In Noordbroek zijn de funkties van koster, voorzanger en schoolmeester niet altijd gecombineerd geweest. In 1635 is Peter Magius al minstens 20 jaar koster. Datzelfde jaar betaalt de kerkvoogdij 86 daalder en 20 stuiver aan Hero Ulrici, organist en meester van de Zuiderschool, terwijl Hilko, de onderwijzer aan de Noorderschool, 80 daalder ontvangt. Kort daarop overlijdt meester Hilko. Zijn weduwe krijgt het salaris doorbetaald. In 1637 wordt aan Jan Ampsing 25 daalder uitgekeerd "(om)dat hij de Noorderschoole bediende, geen schoelmeester hebbende". Hoewel Jan Ampsing daarna van de loonlijst verdwijnt is er geen nieuwe, door de kerkvoogdij gesalarieerde, schoolmeester benoemd. Alleen de meester van de Zuiderschool ontvangt een traktement. De lessen in de Noorderschool moeten na 1637 door de koster gegeven zijn. In 1653 krijgt "Mester" Aeldrick Hemmen 25 daalder voor het voorlezen van de bijbel. Een charter uit 1655 bewijst dat hij tevens koster is. Hemmen toucheert voor zijn schoolmeesterschap geen afzonderlijk salaris, dit dus in tegenstelling tot zijn kollega van de Zuiderschool. In 1648 wordt hem "op caspels ordonnantie" een bedrag van 53 daalder en 20 stuiver uitgekeerd "ter cause hij een jaer tractement van 't klockeluien ende het uijrwarck tstellen ten achteren waer". Dit was echter geen vaste nevenfunktie van de koster. Vermoedelijk viel Hemmen tijdelijk in voor Cornelis Peters, die 20 jaar lang dit baantje had. Vanaf 1685 staan er weer twee meesters op de kerkrekening. Het salaris van de schoolmeester-organist klimt snel binnen een betrekkelijk korte tijd: 86 daalder 20 stuiver in de periode 1626-1636, tien jaar later (1646) 111 daalder en 20 stuiver, 200 daalder vanaf 1658.

Een zekere Coert Coertz wordt voor "sijn dienst in de kercke" gehonoreerd met 10 daalder. Emmo Wijpkens geniet een traktement van 33 daalder "voor sijn angewende vlijt int caspel tot stichtinge van de kercke". De taak van deze twee personeelsleden, die decennia lang op de 17e-eeuwse kerkrekeningen figureren, is niet duidelijk.

De kerk heeft verder een bode-"unse loeper"-in dienst, alsmede een "puistertreder" die de blaasbalg van het orgel aantrapt. De laatste wordt in 1626 met 3 daalder en 15 stuiver beloond. In plaats van een geldbedrag krijgt hij later een stukje grond van 21/2 deimt in bruikleen. Dit "puistertredersland" bestond overigens al voor de hervorming.

Na het vertrek van de predikant W.P. Stratingh geeft de klassis geen toestemming tot het beroepen van een nieuwe predikant omdat de gemeente weigert het haar opgelegde quotum te voldoen aan de Raad van Beheer der predikantstraktementen. Dit conflict duurt voort tot 1943.

wangedrag van kerkedienaren

"Tot grote leetwesent van vele vromen"
De koster Peter Hagius en zijn compagnon Jan Bouwens worden op 24 maart 1626 door de kerkeraad aan de tand gevoeld over hun nachtelijke graafpartij op "de Pastors Visschedijck", waar naar zij toen meenden, een schat verborgen lag. "Offte sie oock met den duivel trade gegaen hadden die hor sulkes ingebildet?" Dit bleek gelukkig niet het geval: de duivel stond hierbuiten. Peter Hagius had vroeger eens wijlen de predikant Lolingius 's nachts druk in de weer gezien "op de Visschedijck". Het toen postgevatte vermoeden, dat Lolingius een schat verborg, werd aan de praktijk getoetst en onjuist bevonden: er lag niets. Graven staat vrij, een delict is tot nu toe niet aangetoond. De kerkeraad gaat de getuigen klem zetten door hen de gewetensvraag voor te leggen of zij, ware de onderneming wel met succes verlopen, de opbrengst zouden hebben aangewend "tot profite des zal. Pastors arffgenamen". Zulks noesten zij, "met schreyenden ogen" nog wel, tegenspreken. Het vergrijp kwam hen, ondanks het getoonde berouw, op ontzegging van het avondmaal te staan. Hagius scheen zijn les geleerd te hebben en werd weer tot het avondmaal toegelaten. In het najaar van 1638 krijgt de schoolmeester Hero Ulrici een zware berisping vanwege de "grote sunden unde sware argenisse", die hij "door een excessive drunck, tot grote leetwesent van vele vromen hefft begaen, so mit dregementen van slaen, glasen in te smijten, unde onbetamelick krijten unde roepen bij die strate".

De kerkeraad wil niet direkt "mit uterste rigore van disciplijn" te werk gaan en beperkt zich tot ontzegging van het eerstvolgende avondmaal, dat op 3 juni gehouden zal worden. Uitgerekend op die dag springt Ulrici opnieuw uit de band "mit droncken drincken, quatspreeken, verwundschen, mit vloecken unde sweren, mit krijten bij die strate". Gezien de recidive en de ontheiliging van de "h. Sabboth" komt hij er nog genadig af. "Sijn gewoontlicken plaatse in sijn kerckengestoelte" wordt hem voorlopig onthouden. Bovendien mag hij zes weken lang geen orgel spelen. Als derde penitentie moet gij bij het volgende avondmaal ten overstaan van de gehele gemeente verzoeken opnieuw als lidmaat bevestigd te worden. Vervalt Ulrici nog eenmaal in zijn fouten dan wacht hem op staand voet ontslag, of het nu "int midden van de somer, offte winter weer".

Harmannus Coevers en Louwert Egberts, de twee schoolmeesters, worden op 3 juni 1681 op hun vingers getikt omdat zij bij de avondmaalsviering zo vaak verstek laten gaan. In de kerkeraadsvergadering van 26 februari 1682 verschijnen beiden opnieuw tegelijk als beklaagden. Egberts heeft een grote mond tegen de dominee opgezet "hem uitscheldende, du schijnheilige, hem vloekende en verscheidene vileine, lasterlijche en grouwelijke scheltwoorden tegens de pastoor uitspiënde". Hij wordt eerst geschorst, later na veel soebatten weer in zijn koster-schoolmeesterambt hersteld maar tenslotte toch definitief ontslagen. Zijn protesten bij de synode mochte niet baten.

De aanklacht die de schoolmeester-organist Coevers kreeg te horen bestond uit twee punten. Hij had zich naar de herberg van Jan Wijpkens begeven alwaar hij "de spijse van twee snickevaerders (= schuitevaarders) soodanigh misbruickt ende mishandelt heeft, dat hij des eenen 't sijne-dewelcke een stuck wordt in een pannichien met roeven op 't vijr hadde geset met de tange heeft aangetast om daaer mede een pijp toeback aan te steken en des anderen 't sijne bespogen heeft". Zondag 11 december 1680 liet hij, zonder zijn superieuren in te lichten, het orgel voor wat het was en repte zich naar een bruiloft om daar "met de viole te spelen". Geen éénmalige schnabbel. In de herberg van Jan Wijpkens speelde hij wel vaker en als violist was hij ook bij een "lotterie" welkom geweest. Vele gemeenteleden namen hier aanstoot aan. Coevers moest toch begrijpen "dat sulke idelheden van een kerckendienaar niet mochten geschieden". Na de vermaning de geijkte straf: ontzegging van het avondmaal. Als onderwijzer was Coevers evenmin een succes. Ondanks zijn dertigjarig ervaring voldeed hij in 1689 niet "int onderwijzen van de jonge jeught, die hijr per plaatse in groot getal begint aen te wassen". De zaak werd doorverwezen naar de kerkvoogdij. Het probleem loste zich vanzelf op. Coevers overleed in 1690 of 1691.

Afsplitsing Kerspel

In de jaren 1657-1664 splitsten Noordbroeksterhamrik, Korengast en Stootshorn zich van Noordbroek af en gingen een afzonderlijk kerspel vormen. "Hier heeft men dus een eigenaardig geval van een kerspel zonder kerk, want kerkelijk bleven de beide kerspelen verenigd" (Formsma).

De kerspelvergaderingen werden gehouden in een lokaliteit van de kerk: de Zuiderschool. Zitting in het kerspelbestuur ging vaak samen met lidmaatschap van kerkeraad of kerkvoogdij. Bij de verkiezingen van kerspel-volmachten en collectuers der meenteschattingen verzamelden predikant of kerkvoogden de stemmen. Meer dan eens fungeerde de kerkvoogdij als geldschieter van het kerspel. De verstrengeling van wereldlijke en kerkelijke funkties blijkt ook uit het verlijden van akten door predikant en kerkvoogden, vaak samen met de "geëligeerde kerspelman".

Sinds het laatste kwart van de 17e eeuw heerste er tussen kerspel- en kerkbesturen een vreedzame coëxistentie. De strubbelingen over de bevoegdheid tot verkiezing van kerkedienaren, die beide partijen elkaar hadden betwist, behoorden tot het verleden.

Verkiezing van predikant, kerkvoogden, koster-schoolmeester
Op 16 september 1594 arresteerden burgemeester en raden van Groningen een "eeuwighdurende Kercken ende Schoelen Ordnung", waarbij het patronaatsrecht als een "na pauslicke wijse" vals aangematigde pretentie werd afgeschaft. Het ius patronatus druiste immers in tegen "de ordeninge der geünierten Provinciële unde Godes Woort".

Voortaan zouden de gemeenten zelf hun kerkedienaren mogen kiezen. Het was een ingrijpende maar tevens al beknopt geformuleerde bepaling, want hoe en door wie nu precies het verkiezingsrecht moest worden uitgeoefend werd in het midden gelaten. Het poly-interpretabele artikel veroorzaakte dan ook voortdurend onenigheden binnen de gemeenten.

Toen men het te Blijham in 1651 niet eens kon worden, intervenieerde de drost van de beide Oldambten, hetgeen resulteerde in een reglement, dat, hoewel plaatselijk en dus alleen voor Blijham geldend, de basis zou worden van alle latere regelingen: koppeling van het stemrecht aan belastbaar grondbezit.

Ook in Noordbroek ontstonden moeilijkheden. In 1636 protesteerde de kerkvoogdij bij de Groningse magistraat "alst caspel uns een Schoelmester opdringen wolde". Het stadsbestuur stelde in 1658 een plaatselijk reglement vast waarvoor dat van Blijham model stond. Dit reglement bleek, een aanvulling van 7 juni 1662 ten spijt, geen definitieve oplossing. In 1663 herhaalden de problemen zich bij de verkiezing van nieuwe kerkvoogden. Het stadsbestuur, dat als arbiter optrad, ontwierp toen op verzoek van het merendeel der collatoren een nieuw reglement "tot voorkominge van alle wijdere dissensien ende onenigheden. Stemgerechtigd tot de verkiezing van predikant, kerkvoogden, koster, schoolmeester en organist waren de kerkvoogdij, die als college twee stemmen kreeg, en verder allen die minimaal 24 in het kerspel gelegen deimten land in eigendom of pacht bezaten. De lidmaten die niet aan deze norm voldeden mochten via gecommitteerden twee stemmen uitbrengen, echter niet bij de verkiezing van kerkvoogden of organist. De verkiezing van de predikant geschiedde onder supervisie van de drost en moest aan de stadsregering ter goedkeuring worden voorgelegd. De ambtstermijn van de kerkvoogden was drie jaar. Om corruptie tegen te gaan werd bepaald dat "geen kerkvoogd in eenigen diele debiteur off leverancier van de kerk mogen wesen".

Met dit laatste voorschrift nam men het niet altijd zo nauw. Doede Edzens was in 1658 kerkvoogd, hoewel de kerkvoogdij op hem al sinds jaren grote vorderingen had, waaronder een van 1100 daalder. Edzens moest in 1673 zijn goederen in onderpand geven. Het ging toen om een bedrag van 1248 daalder, waarbij was inbegrepen "een somma van 58 daelder 20 stuver, soo Doede Edzens uijt de kercken kiste had gelicht, en aen de landtschaps executeur Jan van Hattum betaeldt".

Beperkte de stad zich aanvankelijk tot assistentie bij de opstelling van plaatselijke reglementen, in 1673 kondigde zij een algemene regeling af voor de verkiezing van kerkedienaren in haar jurisdiktie. Bij een vergelijking met het sinds 19 oktober 1663 voor Noordbroek vigerende reglement blijken nogal wat verschillen. De kerkvoogdij moet één van haar twee stemmen afstaan aan de predikant die nu wegens het pastorieland afzonderlijk ging stemmen. Ouderlingen en diakenen krijgen ieder één stem, als college wel te verstaan. De census werd gepreciseerd door een onderscheid tussen behuisd en onbehuisd ("vrij") land en respectievelijk vastgesteld op 20 en 24 deimten "in eygendom, possessie, sette ofte pacht mochte hebben", kwam hem daarvoor een evenredige vermeerdering van het aantal stemmen toe. De lidmaten die niet aan de censusnorm voldeden verloren de twee stemmen waarover zij vroeger konden beschikken.

Eén predikant heeft zijn beroeping te danken gehad aan de volkswil. Als de verkiezingen van 1790 reglementair waren verlopen dan zou niet dominee Wubbena, maar één van de andere kandidaten, Driessen of Schroeder, gekozen zijn. Daags voor de verkiezingen bedreigde een gepeupel onder de strijdkreet "Oranje Boven" de secretaris-kerkvoogd Gockinga met het vooruitzicht diens huis in brand te zullen steken en hem evenals de andere kollatoren "den hals te zullen breken en de plaats om te keeren" wanneer zij aan iemand anders dan Wubbena de voorkeur zouden geven. De volgende dag durfden degenen die voor een andere predikant waren niet door het cordon heen te breken dat het volk rond de kerk had gevormd. Op die manier werd Wubbena gekozen met 17 stemmen voor en 60 afwezig (=tegen).

Ouderlingen en diaken
Vanouds hebben ouderlingen en diakenen te zamen vergaderd. Zij vormden tesamen met de predikant als voorzitter de kerkeraad. Beslissingen over diakoniezaken-vervreemding van bezittingen bijv.-werden door de kerkeraad als geheel genomen. Anderzijds namen de diakenen deel aan de censura morum.

Aanvankelijk waren er twee ouderlingen. In 1636 kwamen er twee bij "Gelettet hebbende op die veelheit unde wijtoffgelegentheit van unse gemeente, op die swackheit van velen, unde die nootwendige stichtingen van dien". Blijkbaar een tijdelijke maatregel, want in september 1660 werd het aantal ouderlingen opnieuw van twee op vier gebracht. Het getal bleef daarna variëren tussen drie en vier. De verkiezing van nieuwe ouderlingen geschiedde bij coöptatie, door de kerkeraad zelf. Nu eens werd hoofdelijk gestemd, dan weer besliste het lot.

Van de diakenen -normaliter vier- trad er jaarlijks één af op diakonierekendag, aan het eind of begin van het jaar. De mannelijke lidmaten kozen dan een nieuwe diaken uit een door de kerkeraad opgestelde nominatie van drie kandidaten.

Het landbezit

Kerkeland
Situatie omstreeks 1634
Aard van het verpachte land: Behuisd
Oppervlakte: 165 deimten en percelen
Aantal gebruikers: 16
Opbrengst: 462 d. 20 st.

Aard van het verpachte land: Beklemd
Oppervlakte: 42 3/4/ deimten en 57 roeden
Aantal gebruikers: 11
Opbrengst: 114 d. 10 st.

Aard van het verpachte land: Vrij (onbehuisd)
Oppervlakte: circa 74? deimten, 116 roeden en "leech Meerlant"
Aantal gebruikers: 18
Opbrengst: 485 d. 12 st. 4 plakken

Totalen
Oppervlakte : 282 deimten en 173 roeden en enig ander land
Gebruikers : 41 (na aftrek van dubbelen; sommige pachters vallen in meerdere categorieën)
Opbrengst : 1062 daalder 12 stuiver 4 plakken

In 1822 had het kerkeland een totale oppervlakte van 603 deimten en 144 roeden, exclusief 11 niet gespecificeerde percelen. De opbrengst bedroeg toen f 2.734,10. Het aantal gebruikers was 67.

Diakonieland
De diakonie bezat in 1838 44 stukken land, met een gezamenlijke opbrengst van f 585,70. Van verreweg de meeste worden in het "staatboek" de oppervlakten niet gegeven.

Pastorieland
De predikant heeft tot laat in de 19e eeuw zijn inkomen vrijwel uitsluitend getrokken uit de opbrengsten van het pastorieland dan "enkel bestaat in de opstrekkende heerd lands, waarop de kerk en de pastorie zijn staande". Daarbij kwamen nog vergoedingen voor reiskosten en schoorsteengeld. Het onderhoud van de pastorie cum annexis -zoals dominees privé-visvijver en zijn zomerhuisje- viel ten laste van de kerkvoogdij.

In 1720 moesten de predikanten aan de Staten een opgave doen van hun inkomsten over het afgelopen jaar. De dominee van Noordbroek, H. Stegnerus, ontving 788 gulden, waarvan 163 gulden uit beklemd en 625 gulden uit "vrij" land. Volgens Stegnerus echter gaven deze cijfers een geflatteerd beeld. De opbrengsten waren de laatste jaren uitzonderlijk hoog geweest. Wanneer over twee á drie jaar de vrije inhuring ten einde zou zijn, gingen er minstens 100 daalder af. Zijn voorgangers, Themmen, Jansonius en Hoisingius, toucheerden nooit meer dan 5 á 600 gulden. Stegnerus maakte deze restricties niet ten onrechte, hoewel zijn schatting van de toekomstige inkomstenderving aan de pessimistische kant was. het pastorieland brengt in 1758 735 gulden op, exclusief de betalingen in natura die als "toehaak" worden gegeven (een bak erwten, kuikens, hanen, "schaapskeesjes", etc.). Het verpachte pastorieland -dus afgezien de grond voor eigen gebruik- bestaat dan uit 34 deimten, waarvan 21 te zamen een oppervlakte beslaan van 109 deimten. Van de overige 13 percelen wordt de grootte niet opgegeven.

In de loop van de volgende 65 jaar blijft het predikantstraktement stabiel -nominaal althans- hoewel de samenstelling van de inkomstenbronnen na 1797 verandert. In 1822 beschikt de predikant over hoven, een tuin en 14 deimten land, alles voor eigen gebruik. Hij verpacht 26 percelen: 16 met een oppervlakte van 80? deimten en 10 niet gespecificeerde stukken land. Door de verkoop van pastoriebezittingen in 1797 is de opbrengst aan pachten sterk gedaald (1758: ? 735,--; 1822: ? 580,--). De inkomsten uit renten daarentegen zijn evenredig gestegen omdat voor de verkochte pastoralia schuldpapieren ten laste van het rijk in de plaats kwamen. Het totale predikantstraktement bedraagt in 1906 ? 2.081,--: ? 10.86,-- aan pachten, ? 230,-- uit renten, een suppletie van ? 500,-- betaald door de kerkvoogdij, nog een toelage van ? 150,-- en tenslotte ? 150,-- voor het onderhoud van de tuin.

In 1822 blijkt de predikant als enige het pastorieland te beheren. Tot het eind van de 18e eeuw deed hij dit samen met de kerkvoogdij.

Het 18e-eeuwse staatboek van pastoriebezittingen bewijst dat de dominee zelf zorg droeg voor de inning der pachten, waarvan hij ook de boekhouding bijhield. De periodieke vernieuwing van de pachtcontracten was een zaak tussen predikant en meier waar de kerkvoogdij zich niet in mengde. De verkoop van pastoriegoederen in 1797 geschiedde echter door de kerkvoogdij. De dominee trad niet op als medecontractant aan verkoperszijde, al was hij -en dit dan curiositeitshalve- wel bij de juridische bevestiging van de vervreemding betrokken. De desbetreffende akten werden namelijk verleden voor pastor en kerkvoogden van Noordbroek. Toch al een merkwaardige situatie want de boekhoudende kerkvoogd respresenteerde hier de kerkvoogdij als verkoopster en hij deed dit ten overstaan van zijn medekerkvoogden die bij deze handeling een notariële funktie vervulden.

Kosterieland
Al genoot de predikant nu niet bepaald een vorstelijk traktement, hij kon er niettemin van rondkomen en hoefde niet, zoals de koster of diens weduwe in de 17e eeuw nogal eens overkwam, als armlastige bij de kerkvoogdij om steun aan te kloppen.

Het inkomen van de koster bedroeg in 1806 455 gulden 12 stuiver 4 duit, waarvan 233 gulden 2 stuiver 4 duit uit verpachte kosteriegoederen en 222 gulden 10 stuiver uit renten van leningen.

In 1822 blijken de kosteriegoederen te bestaan uit een huis met hoven, tuien en 5 deimten land voor eigen gebruik alsmede 16 verpachte percelen die ruim 190 gulden opbrengen. De inkomsten uit renten zijn intussen gedaald tot 180 gulden. deze bezittingen worden volgens het staatboek van 1822 door de koster zelf beheerd. Tegenwoordig is het beheer van pastorie- en kosteriegoederen een taak van de kerkvoogdij.

De kerkelijke gebouwen
Met een speling van circa 50 jaar kan de bouw van de romaans-gotische kruiskerk op omstreekt 1300 gedateerd worden. De vrijstaande toren is volgens Ozinga waarschijnlijk uit dezelfde tijd. Zie voor een gedetailleerde beschrijving het artikel 'kerk van Noordbroek'.

Op 11 juni 1588 gaven burgemeesters en raad van Groningen aan de inwoners van Noordbroek opdracht "onder sich een ommeslach ende settinge (te) maken over alle de landen, dewelcke onder den clockenslach ende karspels van Noortbroecks behoerig sint, omme de gebrecklicke ende bouwfallige kercke mit de penningen daer affcomende te maken ende repareren laten". Het geld mocht niet worden bijeengebracht door verkoop van kerkegoederen. Het is niet goed bekend wat er van deze van hogerhand bevolen restauratie terechtkwam.

In 1599 werden herstelwerkzaamheden verricht. Dit blijkt uit een tekst die onlangs vrijkwam toen men de kalklagen van de gewelven had verwijderd: ANNO 1599 IN DER TIT ALS JOHANS SPRENGER PASTOR VND FEBE FRECKES VND FENDRIKE THO BROCK VND MEMME VBBENS KECKFOGEDE THO NORDBROCK WEREN HEFFT MESTER GERGET MIT SIN GESELLEN DISSE KERCKE GEREPRER. WND GESTOFFER. De gereedschappen van de werklieden staan onder de tekst afgebeeld.

De kerkvoogdij sluit in de periode 1617-1627 een tiental leningen, in het totaal voor een bedrag van 1531 daalder 15 stuiver "tot profite van noetlicke timragie van unse kercke angewendet, tot reparation kercken behuisingen, schole unde anders". Verreweg de meeste van deze leningen werden aangegaan in de jaren 1622-1624, die bijgevolg een periode van hoge (her-)bouwactiviteiten moet zijn geweest. De oudste bewaard gebleven kerkerekeningen (vanaf 1626) vertonen tot omstreeks 1630 geen opvallend hoge uitgaven, hetgeen erop wijst dat de kerk niet werd getroffen door de grote brand van 1624. De enige grote post is die van 118 daalder in 1627 voor dakreparaties en het witten van het interieur. De kerk kreeg in deze tijd een nieuwe vloer.

1626: Abell Clasens voor estrijck (= bepaalde tegels) tot unse kercken coer verbruickt 35 daelder

1627: Evert Gertz mit stenmetzelen in die kerckenfloer tleggen 12 daalder 24 stuiver

De timmerman Maynert Harmens int in 1630 55 daalder voor 83? arbeidsdagen. Hercko Waelkens heeft met zijn knechten in hetzelfde jaar 80 dagen gemetseld waarvoor hij 53 daalder 10 stuiver ontvangt.

Van 1629 tot 1635 steekt de kerkvoogdij zich opnieuw in de schulden voor bijna 2.000 daalder, voornamelijk om de bouw van de Zuidertoren en een nieuwe Noorderschool op het kerkhof te financieren. De kerkvoogd Frerick Phebens trad, evenals in de jaren '20, als belangrijkste geldschieter op. In 1635 stond de kerkvoogdij bij hem voor 1.051 daalder in het krijt. (De Zuidertoren werd omstreeks 1935 door de gemeente volledig gerestaureerd. Hij ligt aan de Hoofdweg en is circa 1.200 meter verwijderd van de kerk en de daarbij behorende Noordertoren. Na de oorlog werd de Zuidertoren op kosten van de plaatselijke winkeliersvereniging voorzien van een klokkespel.)

Op 2 april 1631 beschikten de Gedeputeerde Staten gunstig op een door "die van Noortbroeck" ingediend rekest waarin zij verzochten om de eerder gegeven toestemming tot sloping van 7.000 stenen uit de fundamenten van het grijzemonnikenklooster bij Termunten te wijzigen in een permissie "de olde calomnus van deselve kerckmuyre op haer costen te mogen affslijten (=slopen) ende tot hare toren te emploieren". Het was namelijk gebleken dat de toegewezen 7.000 stenen niet uit de fundamenten konden worden gehaald. Het valt niet uit te maken of dit materiaal diende voor reparatie van de oude of bouw van de nieuwe toren.

De eerste steen van de Zuidertoren werd in 1633 gelegd. Aannemer was "Mester Claesz, timmerman der Stat Groningen". De toren kreeg, evenals de Noordertoren, een uurwerk, een klok, en bovendien nog een zonnewijzer. Waarom nog een tweede toren? Volgens de overlevering zou het daarin aangebrachte uurwerk de ratio zijn: een speciale service voor de boeren die tijdens het werk op het land wilden weten wat de tijd was maar deze niet konden aflezen van de wijzerplaat der Noordertoren.

1633: Mester Carstien Uhrwarker vor arbeitzloon betalt 36 d. 10 st. Vor 2 koperen platen tot die thoren uthgelecht 11 d. 13 st.

1634: Wessel Juriens kistemaker hefft an 2 taffels an die suiderste tooren daer die sunnewijser an is mit doren, beddeschot tmaken vensterramen unde anders verdient dat hem betalt iss 56 d. 6 st.

Tijarck Buutkens vort vorgulden van die wijsers an die suiderste toren betaelt 24 d.

1640: Voor een slot voort uijrwarck 18 st.

1676: Voor 't voegen en aenstrijcken, verdeelinge van de Talletters en het vergulden van de wijsers en taeffels circumfrens aen de Noorder Tooren 6 d.

Noch voor 't schilderen en vergulden van de talletters in de circumfrens aen deselvs Noorder tooren betaelt 6 d.

1677: Johan Helman orgulmaker wegens verbeteringe van het Noorder uijrwerck luijt quijtantie 22 d.

Reparaties: 1654, 1658, 1659, 1662, 1664, 1674, 1685, 1691 en 1692.

Een Zuiderschool bestond al in 1626 blijkens een toen verrichte reparatie. Op het eind van de jaren '30 in de 17e eeuw verrees op het kerkhof een nieuwe Noorderschool. In 1903 stond de kerk haar scholen -inmiddels waren het drie- met de onderwijzerswoningen aan de gemeente af. De gemeente kreeg tegelijkertijd een kapitaal van f 2.500,-- om van de rente daaruit het onderhoud te financieren. De Noorderschool is, evenals de daarnaast liggende onderwijzerswoning gesloopt. Beide bevonden zich aan de westkant van de kerk.

In 1644 en 1645 verschijnen op de kerkerekeningen hoge uitgaven voor "dat grote warck in de kercke" (400 en 294 daalder). Ook in de jaren 1675-1676 zijn er grote reparaties gedaan aan de kerk, scholen en pastorie. Het signaleren van de pieken in de herstelwerkzaamheden moet overigens vergezeld gaan van de constatering dat deze in de 17e eeuw een continu-bedrijf waren. Er ging geen jaar zonder reparaties voorbij. Een op gezette tijden terugkerende post is die voor het witten, noodzakelijk omdat kaarsen de muren zwart blakerden. Een vrij kostbaar facet van het onderhoud. De schilder die hier in 1663 100 daalder voor ontving ging bovendien zeer nonchalant te werk. Voor het reinigen van de kerk en de banken "die door het witten seer belemmert waren" moest 46 daalder 20 stuiver worden uitgetrokken. Het schoonmaken van het orgel dat eveneens "besuidelt" was, kostte nog eens 13 daalder 10 stuiver. Andere posten:

Koor
1655: Nanno Reenckens voor een grote kercke deure, voor 2 neewe bancken in de kercke gelevert, ende voor maeltijden an de voorluiden die de torf van Suitbroeck haelden betaelt 89 d. 16 st. 4 pl.

1656: Reente Dercks kistemaker voor een nieuwe kercke deure ende ander warcken in de kercke ende pastorie gemaeckt betaelt 63 d. 13 st. 4 pl.

Klok
1663: Voor een nieuwe knepel in onse klocke tot Emden gemaackt betaalt uit de kosten daarop lopende 35 d. 24 st.

Leien
1663: Voor 6 leijen in de kercke uijtgelecht daar de psalmen worden opgetekent 4 d. 7 st.

Trap
1638: Noch Jan Gerritz mit het uithouwen van de trappe de in de muire na de koppen opgaet 9 d.

Haantje op de toren
1675: Rotger koperslagers wtgave voor een haen op de toorn en solderinge in de pastorije 7 d. Poort op kerkhof

1634: An Mester Jan Cornellis voor een poorte vor unse kerckhoff gelevert 33. 10 st. Orgel

1627: Galto Memmens vor sijn tochten die hie in winter tijdt na Marienhove gedaen hefft um die orgelmaker thalen betalt 4 d. 5 st.

1628: Uthgelecht vor leer tot het orgell 30 stuivers.

1630: Albert, Coster tot Suitbroeck, int besien vant orgel unde daensten dar an gedaen 1 d. 28 st.

1654: De organist M. Andrees voor 3 neewen puisters (= blaasbalgen) tot deenst vant orgel 164 d. 9 st.

1654: Tiddo Tijartz voor holt tot het orgel gelevert 1 d.

1660: Menso Hinnrickhuisen voor schilderen ant orgel 34 d. 21 st.

1660: Reentcke Dercks, kistemaker, ant orgel verdient 4 d.

Voor de latere op het orgel betrekking hebbende posten kan worden volstaan met een verwijzing naar Ozinga.

In de jaren 1695-1696 bouwt de beroep Arp Schnitger een nieuw orgel met twee klavieren, een vrij pedaal en 20 stemmen. Ozinga heeft de desbetreffende uitgaven opgevat als een "ingrijpende vernieuwing" van het oude orgel. Meer details, onder andere de volledige dispositie, vindt men in "De nagelaten geschriften van de orgelmaker Arp Schnitger (1648-1719)", uitgegeven door C.H. Edskes, Groningen, 1960, pp. 12, 43 en 44. Aldaar ook een foto van het orgel. In het begin van de 19e eeuw is aan het instrument opnieuw een belangrijke reparatie verricht. 1809: "den 24sten van hooimand uitgegeven an H.H. Freijtag orgelmaker wegens het repareren van het orgel volgens besteck 3456 g(ulden)".

In 1812 werd de eerste steen gelegd van een nieuwe kosterie. Later volgden een werkhuis (circa 1819), een nieuwe pastorie (1823), cathechisatiekamer (1843) en Noorderschool (1871). De Zuiderschool werd verbouwd (1872).

Toen men in 1908 het koor wilde afsluiten door er een gordijn voor te hangen werden een aantal laat- middeleeuwse wandschilderingen ontdekt, die na de invoering van de reformatie onder een kalklaag zijn verborgen. Zij bevinden zich op zes van de acht schilden die te zamen het gewelf vormen dat de koortravee dekt. Vijf van deze schilderingen geven een in de 14e en 15e eeuw gebruikelijke voorstelling van het laatste oordeel. De zesde toont een bisschop met voor hem een geknielde schenker-figuur. Het ligt voor de hand een relatie te leggen met het kerspelzegel waarop eveneens een bisschop -mogelijk de patroonheilige- staat afgebeeld.

Op 23 april 1939 leed het interieur van de kerk ernstige schade door een binnenbrand. Tot januari 1940 werden de diensten gehouden in de doopsgezinde kerk.

Tijdens de oorlog vorderde de bezettende macht de uit 1817 daterende klok in de Noordertoren.

Sinds februari 1968 is de kerk in restauratie. Als architekt werd R. R. Offringa aangetrokken, later opgevolgd door diens zoon P. Offringa. A. Stamhuis treedt als aannemer op. Aan de rechterzijde van het koor - gezien vanuit het schip- legde men een piscina bloot: een nis met gootsteen die een aan de buitenkant van de kerk uitkomende afwatering bezit. Tijdens het opdragen van de mis waste de priester daar zijn handen en spoelde hij het vaatwerk. Het systematisch verwijderen van de kalklagen leverde een zeer rijke oogst aan middeleeuwse wandschilderingen op. Deze werden gerestaureerd door Hessel Hut onder toezicht van Jelle Ottes.

Op 21 november 1975 werd de gerestaureerde kerk officieel in gebruik genomen. Een beschrijving van de restauratiewerkzaamheden vindt men in "De Nederlandse Hervormde kerk te Noordbroek" door H.G. de Olde, alwaar ook een opgave van oude en recente literatuur. Door de krakkemikkigheid in de bibliografie van Groningana is het bestaan van een artikel dat onder meer de bovenbeschreven affaire van de doopsgezinden rond 1720 als onderwerp heeft, ontgaan. Het betreft hier een aantal artikelen van een zekere Smith, oorspronkelijk gepubliceerd in de Provinciale Groninger Courant en later herdrukt in het maandblad Groningen (1921-1922, pp. 82-84 en pp. 222-226).

De bezittingen in de Bataafse tijd

De gedwongen lening van 1796
Om te voldoen aan de vorderingen van de Nationale Vergadering besloten de Representanten van het volk van Stad en Lande in 1796 tot een heffing op de kerkelijke bezittingen in de vorm van een gedwongen lening tegen 4% rente. Van de waarde, vertegenwoordigd door de goederen van kerk, pastorie en kosterie, moest één vierde worden opgebracht. Dit leidde in Noordbroek tot een grootscheepse verkoop van beklemmingen. Vervreemding van eigendommen was noodzakelijk, enkele pastorielanden uitgezonden.

De verdeling van de kerkelijke bezittingen
Kerstmis 1798 sloten gedelegeerden van de doopsgezinde en hervormde gemeenten te Noordbroek, respectievelijk bestaande uit 80 en 1210 zielen, een voorlopige overeenkomst die een regeling trof voor de de van straatwege gedekreteerde verdeling van de kerkelijke bezittingen over de diverse gezindten. De doopsgezinden zouden voor het hun toekomende aandeel in de op ? 97.800,-- getaxeerde onroerende goederen een bedrag van ? 6.000,-- ontvangen en verder van hun aanspraken afzien. Deze provisorische overeenkomst werd op 5 januari 1799 omgezet in een definitief contract, dat enige amendementen bevatte omtrent het onderhoud van scholen, toren, kerkhof en graven.

De twee katholieke huisgezinnen pretendeerden aanvankelijk een schadeloosstelling van ? 1.050,-- maar deden daar op 29 december 1798 afstand van "mits en onder conditie dat deselve gereformeerden ons ook vriehouden voor eenige betaling van scholen en toren en der zelver onderhoud als mede dat hunne doden ook mede met de klokke mogten beluid worden".

In de conventie tussen hervormden en doopsgezinden was op het punt van de pastoriegoederen nog geen definitieve regeling mogelijk. Mochten deze aan het kerspel worden toegekend dan zouden de doopsgezinden ? 1.210,-- krijgen.

Krachtens de ontwerp-staatsregeling van 23 april 1798 werden alle geestelijke goederen en fondsen genationaliseerd, waaruit tevoren predikanten en hoogleraren hun inkomsten trokken. Volgens Boeles doelde men daarbij waarschijnlijk op de provinciale kantoren waarin elders ook de plaatselijke kerkelijke goederen waren gestort. In Groningen bestonden deze echter alleen uit de kloosterbezittingen die na de reduktie genaast waren. Het was voor de kerkvoogdij zaak om aan te tonen dat de pastoriegoederen niet onder de titel "geestelijke goederen" vielen. In een rekest aan de Representanten van Stad en Lande stelde zij dan ook nadrukkelijk dat de pastoriegoederen altijd aan het kerspel hadden toebehoord en niet na de reduktie waren geconfisceerd. De eis, dat met schriftelijke bewijsstukken te ondersteunen, zou onbillik zijn. Het ging immers om schenkingen en collecten die vaak twee á drie eeuwen hier dateerden, "tijden, die opgevolgd zijn met oorlogen, invallen en stroperijen, waardoor bijna ieder ingezetene zijn bewijzen heeft verloren". Daarom argumenten in plaats van dokumenten. Dat het pastorieland privaat-eigendom van het kerspel, en geen geestelijk goed was moest hieruit blijken, dat na de reduktie de toenmalige "souverein" deze bezittingen niet onder een afzonderlijke rentmeester stelde, hetgeen bij de geestelijke goederen, i.c. de eigendommen van de kloosters, wel gebeurde. Bovendien: "het gemeene land heeft nimmer iets (...) bijgedragen tot het onderhoud van hun leraar". Een complex juridisch probleem. Beperken we ons tot de constatering dat de predikant in 1813 nog steeds zijn inkomsten uit het pastorieland trekt.

Met de uitkering aan de doopsgezinden werd weinig haast gemaakt. De hervormde gemeente vond achteraf het gesloten contract niet geheel waterdicht: gesteld nu eens dat er doopsgezinden overgingen tot hun kerkgenootschap, dan zou het toch niet juist zijn "dat dezelve, eens het hunne genoten hebbende, nog wederom deel zouden krijgen aan de kas der gereformeerden"? Ook met een mogelijke opheffing van de plaatselijke doopsgezinde gemeente was helemaal geen rekening gehouden. In 1802 wijzigden de twee partijen het contract van 1796. Aan de doopsgezinden werd, met ingang van 1803, een jaarlijkse uitkering van ? 200,-- toegezegd. Toen ook daar niets van terecht-kwam schakelden de doopsgezinden de landdrost van het departement Groningen in. De hervormde gemeente motiveerde haar talmen door "gewigtige redenen" aan te voeren. Zij voorzag dat het geld door de doopsgezinden niet alleen voor hun gemeente te Noordbroek maar ook voor die te Scheemda zou worden aangewend, hetgeen weer de vrees rechtvaardigde dat, "het fonds geäbsorbeerd wordende", de doopsgezinden te kort zouden schieten in hun bijdrage tot het onderhoud van scholen, torens en kerkhof. Tenslotte kwam er toch geld op tafel. Het lang verbreide bedrag stelde de doopsgezinde gemeente in 1811 in staat een kerk te bouwen.

Ontwikkeling van de organisatie in de 19e eeuw

Het "Algemeen reglement voor het bestuur der hervormde kerk", vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 7 januari 1816, belastte de synode met het ontwerp van een reglement op de kerkeraden . Het concept van de synode werd bij Koninklijk Besluit van 16 november 1825 goedgekeurd. De verkiezing van ouderlingen en diakenen kwam aan de kerkeraad, met dien verstande dat in gemeenten waar in het verleden andere stemgerechtigden waren geweest, huishoudelijke reglementen over de handhaving van die oude rechten zouden beslissen. In Noordbroek werd het recht van de mannelijke lidmaten tot verkiezing van diakenen aanvankelijk niet gecontinueerd. Van 1867 tot 1920 was het een kiescollege dat de ouderlingen en diakenen koos, alsmede de predikant beriep. Dit kiescollege bestond uit kerkeraadsleden en afgevaardigden van de stemgerechtigden.

Een Koninklijk Besluit van 2 juli 1820 droeg aan provinciale colleges van toezicht de supervisie op over de financiële administratie van de plaatselijke kerkbesturen. Het daartoe vastgestelde "Reglement op de administratie der kerkelijke fondsen" bepaalde ten aanzien van de inrichting van het college van kerkvoogden dat deze uit hun midden een president, een sekretaris en een administrateur diende te kiezen. Bovendien werd een college van notabelen ingesteld dat onder meer als taak kreeg de kerkvoogdij te controleren en te assisteren.

De kerkvoogden werden gekozen door de notabelen, de laatsten weer door de stembevoegde gemeenteleden en dat waren, om het reglement te citeren "alle de mans leden, die in de gemeente (...) in den hoofdelijke omslag zijn aangeslagen, of anders eenige andere vaste bijdragen, ten behoeve der gemeente, opbrengen; bijv. door huur of ook door koop verkregen bezit van zitplaatsen in de kerk". Volgens het tweede lid van dit artikel waren verder de leden van de plaatselijke kerkbesturen stembevoegd.

De kapitaalkracht van de kerkefondsen maakten in Noordbroek hoofdelijke omslagen overbodig. Vaste bijdragen leverde evenmin iemand. Van het artikel dat het stemrecht omschreef achtte men daarom alleen het tweede lid van toepassing. De verkiezing van de notabelen werd zo een electoraal onderonsje van kerkeraad en kerkvoogdij.

In 1855 protesteerde mr. R.A. Cleveringa bij de kerkvoogdij tegen deze interpretatie van het artikel. Volgens hen waren alle lidmaten stemgerechtigd. Uitsluiting op grond van afwezigheid van de hoofdelijke omslag was onbillijk en strijdig met de bedoeling van de wetgever. Toen de kerkvoogdij zijn kritiek als "van allen grond ontbloot" afwees, zocht Cleveringa heet hogerop door bij het provinciaal college van toezicht een rekest in te dienen. Hij kreeg ten dele gelijk. Het provinciaal college van toezicht besliste op 6 februari 1856 dat alle gemeenteleden die jaarlijks minimaal 20 gulden direkte belasting betaalden, aan de verkiezingen mochten deelnemen.

In 1870 resulteerde de herstructurering van het algemeen college van toezicht, het overkoepelende orgaan der provinciale colleges, in een nieuw reglement. Het stond de plaatselijke gemeenten vrij, zich daaraan al dan niet te onderwerpen. De meeste sloten zich aan, Noordbroek daarentegen koos voor het vrije beheer. De overgang tot het vrije beheer vond zijn weerklank in het op 28 november 1870 aabgenomen "Reglement op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen van de hervormde gemeente te Noordbroek.

Tien, voor vijf jaar gekozen, notabelen houden toezicht op de kerkvoogdij. Zij komen minstens twee keer per jaar bijeen. In mei controleren zij de jaarrekening, opgemaakt door de kerkvoogdij. Als één van de drie kerkvoogden, die zes jaar aanblijven, aftreedt, kiezen de notabelen in december een nieuwe. De door de kerkvoogdij opgestelde begroting dient vóór 1 november in een gecombineerde vergadering van notabelen en kerkvoogden te worden onderzocht en vastgesteld.

Na een discussie over het voor en tegen van de census als kiesdrempel werd besloten deze af te schaffen en het stemrecht te verlenen aan alle meerderjarige mannelijke lidmaten die minstens één jaar belijdend lidmaat waren, met inbegrip van degenen die "met bewijs van lidmaatschap ingekomen als leden der gemeente erkend zijn en als zoodanig minstens één jaar in de gemeente gewoond hebben". Deze bepaling betekende op dat moment een uitbreiding van het aantal stemgerechtigden van 130 tot 210.

De charitas

In de 19e eeuw stonden Noordbroek en Oostwold bekend als de twee rijkste kerkelijke gemeenten in het Oldambt. Vele bedelbrieven bewijzen de reputatie van kapitaalkrachtigheid. Een kleine selektie. De kerkvoogdij van Zoutkamp, "een arm visschersdorp", kan zelf niet de hoognodige reparatie van de kerk bekostigen (1888). De gemeent te St. Annen heeft geld nodig voor de bouw van een kerkje (1889). In hetzelfde jaar vragen ook Westerbork, Rottevalle en Niezijl om steun. Meestal werd op dit soort verzoeken ingegaan. Tegenover enkele afwijzingen staan talrijke giften, soms zeer royale. Zo bedankt de commissie die belast is met de stichting van twee nieuwe veenkoloniale gemeente, Nieuw-Amsterdam en Nieuw-Dordrecht, voor een schenking van f 100,- . Met deze hulp aan de opbouw en restauratie van kerken elders zet Noordbroek een lange traditie voort.

Enkele posten op de 17e-eeuwse kerkrekeningen ter illustratie: 45 daalder "vor een ney glass in Midwoldemer kercke" (1629); 13 daalder 20 stuiver voor Coevorden (1628); 8 daalder 12 stuiver voor Vriezenveen (1664); 33 daalder 10 stuiver "tot opbouwinge van de kercke tot Wedde cum annixis" (1666); 26 daalder 20 stuiver voor de kerk van Vriescheloo, verwoest tijdens de inval van de Munsterse bisschop (1669).

"De Waldensen onse religiöons genooten" krijgen in 1663 10 daalder. Aan buitenlandse gemeenten worden doorlopend schenkingen gedaan: 8 daalder 10 stuiver voor kerken in Westfalen en Polen (1654); "Tot opbouwinge van een N kercke int graafschop Ravensberch gegeven 2 daalder 3 stuiver" (1663); 3 daalder 3 stuiver "voor de kercke van Guijlick" (1683); "Tot opbouw van een kercke in het Grafschap Solms", 3 daalder (1684); 4 daalder 10 stuiver "tot opbouw van een kercke tot Düsseldorp" (1684); 1 daalder 10 stuiver "tot opbouw van een kercke tot Hoogen Walda in het vorstendoom Brandenborg" (1686); 2 daalder 10 stuiver "Aen de heer pastoor van d(e) kercke van Guilijck" (1691).

Het is de kerkvoogdij die dit onderdeel van de charitas steeds voor haar rekening neemt. Bovendien beweegt zij zich geregeld op het terrein van de plaatselijke armenzorg, al blijft deze natuurlijk de taak bij uitstek van de diakonie. De grenzen tussen beider werkzaamheden kunnen niet scherp worden getrokken. Vermoedelijk heeft de kerkvooogdij in de 17e eeuw gedeeltelijk de taak overgenomen van een minder draagkrachtige, althans niet tegen de omstandigheden opgewassen, diakonie. Gezien de vele slagen die het dorp juist in deze tijd treffen-daarover later-is dit niet verwonderlijk.

Men zou kunnen verwachten dat "een olt caspels kint, weinich om en aenhebbende, sullende tot Groningen denen" ten laste viel van de diakonie. Het werd echter in de kleren gestoken door de kerkvoogdij, die verder bijstand verleent aan boeren die het slachtoffer van een brand zijn geworden, over het platteland rondzwervende kinderen een aalmoes geeft en voortdurend uitkeringen doet aan arme huisgezinnen in het dorp. In 1637 krijgt de lakenkoopman Tonnis Jans 53 daalder 24 stuiver om daarmee "t bekleden 4 arme naeckte huisgesinden, tegen de anstaende kolde winter". Deze uitgave voor het kleden van armen blijft jarenlang op de kerkerekening staan. De chirurgijn die de armlastigen "mestert" wordt, in de 17e eeuw althans, door de kerkvoogdij gesalarieerd. De kerkvoogdij springt ook herhaaldelijk de diakoniekas bij, zoals in 1651 "om dese duire tijden" met 66 daalder 20 stuiver. In 1631 wordt aan "dievorstanderen der armen"-de diakenen dus-26 daalder betaald "tot onderholdinge van een sinnenlosen person".

Een vaste uitgave van de kerkvoogdij is die voor "geleerde en ongeleerde exulanten" (ballingen). In 1624 worden "die arme verdrevene Paltzische exulanten" met name genoemd. Dit type aalmoezen impliceert een confrontatie met het internationaal gebeuren, in dit geval de dertigjarige oorlog. In Noordbroek wist men wat een duinkerker kaper was, getuige de bijdrage voor het "ransoen" van een gegijzelde. Een schipper "van de duinkerckers van sijn schip beroofft zijnde" ontvangt een schadevergoeding van 20 daalder. Ook het Ottomaanse rijk is voor de dorpeling een realiteit. Meermalen neemt de kerkvoogdij deel aan inzamelingen voor het losgeld van "bij de Torck" gevangen christenslaven.

De diakonie in de 19e eeuw

De armenwet van 1854 liet de zorg voor de behoeftigen in principe geheel over aan de bestaande kerkelijke en andere instellingen van weldadigheid. Alleen wanneer deze het financiëel niet konden bolwerken zou er van overheidswege gesubsidieerd worden. Alle instellingen van weldadigheid moesten periodiek aan het gemeentebestuur opgave doen van hun inkomsten, uitgaven en van het aantal door hen ondersteunden. Met argusogen volgde de kerkeraad van Noordbroek de staatsbemoeiing met de armenzorg. In december 1851 stuurde zij een adres aan de Tweede Kamer om te protesteren tegen de conceptarmenwet die door de minister van Binnenlandse Zaken was ingediend omdat “niet alleen de onaffiankelijkheid, maar ook het bestaan der diakonie door deze wet bedreigd wordt.

Het burgerlijk armbestuur subdidieerde, althans vanaf de jaren '70, de diakonie. Toen er in 1879 onderhandeld werd over de vernieuwing van het tussen beide instellingen bestaande akkoord, formuleerde de kerkeraad een aantal eisen die de zelfstandigheid van de diakonie benadrukten. Er zou over diakoniezaken geen rekening en verantwoording worden afgelegd aan het burgerlijk bestuur. De beslissing over toelating in het plaatselijk armengesticht moest uitsluitend het recht van de kerkeraad blijven.

Niet-hervormden mochten niet in het gesticht worden opgenomen.

Het armengesticht-werkhuis

In mei 1858 deed de diakonie haar vijf huizen van de hand. Ze waren door de bouw van een nieuw diakonaal armengesticht annex werkhuis overbodig geworden. Vanaf het begin van de 20e eeuw leidde dit gesticht een kwijnend bestaan. Het verslond geld zonder het gewenste resultaat op te leveren. Het aantal gehuisvesten was klein en nam bovendien steeds af (1895: 20, 1901: 9). De kerkeraad belegde in 1901 een conferentie met het burgerlijk armenbestuur waarin de malaise van het armengesticht-werkhuis werd geanalyseerd. Waarom ontbrak het aan nieuwe aanwas en wat was daar aan te doen? Grieven van verpleegde ouden van dagen werden aangevoerd om te verklaren waarom het gesticht in het dorp zo impopulair was.

De slaapzalen bijvoorbeeld, waar men zich onder andermans ogen moest uitkleden “Genânt”, aldus de bij de conferentie aanwezige burgemeester, maar anderen tillen hier minder zwaar aan. De oudjes zijn dit hun hele leven gewend geweest en bovendien als ze dat wilden konden ze zich “in de verschillende slaapsteden” uitkleden. Andere klachten: de verplichting om “vader” en “moeder” te zeggen, de strengheid van de “moeder”, te weinig spek bij het eten. Ook deze bezwaren werden niet door iedereen gedeeld. “Zij mogen niet dikwijls spek ontvangen ( ) aan vet in 't maal ontbreekt 't niet”. Niettemin moest er wat gebeuren, daar was de hele vergadering het over eens. Een ingrijpende verbouwing van het gesticht lijkt de oplossing. Er komt een bouwtekening en de kerkvoogdij zegt aan de kerkeraad een lening toe waarvan de aflossing door de burgerlijke gemeente wordt gegarandeerd. Eind 1903 krabbelt de kerkeraad terug. Zij ziet veel bezwaren in het projekt en lanceert nu een ander idee: verkoop van het gesticht aan de gemeente. De voorbereidingen zijn al in een vergevorderd stadium als men ook hiervan afziet. Het gesticht blijft een zorgenkind. In 1914 en 1917 onderhandelt de kerkeraad opnieuw zonder resultaat met de gemeente over een eventuele verkoop. In 1920 komen beide partijen eindelijk tot zaken. De gemeente neemt voor 7500 gulden het gebouw over.

Censura morum

De kerkeraad als ordebewaarder

Zij verdienen geen gedetailleerde behandeling omdat ze historisch oninteressant want van alle tijden zijn, al die dronken, vechtende en "boelerende" dorpelingen, waar de 17e en 18e eeuwse kerkeraad de handen vol aan heeft. Hun absentie in de 19e eeuwse akta daarentegen is wèl opmerkelijk. Duidt dit op een zedelijke revolutie? Dat als verklaring te accepteren veronderstelt vermetel optimisme. Heeft de vroegere openhartigheid van de kerkeraad op het stuk van 's mensen zwakheden moeten wijken voor een victoriaanse pruderie? Verslapte ijver? Het terrein van de werkelijke tuchtoefening kromp in elk geval in.

De censura morum omvatte niet alleen het toezicht op de religiositeit-in toom houden van "ketterijen" en lakse kerkgangers-maar richtte zich in de 17e en 18e eeuw ook op overtredingen die onder de noemer "aantasting van de openbare orde" kunnen worden gebracht, althans voorzover de rechtbank zich deze zaken niet aantrok. Zware vergrijpen of ernstige overtredingen treft men dan ook nergens in de handelingen aan. De kerkeraad fungeerde door het houden van de censura morum tegelijk als hoedster van zieleheil en politieagent. In de 19e eeuw nam de veldwachter de gevallen voor zijn rekening die vroeger in de konsistoriekamer behandeld en afgedaan werden. Ook het optreden tegen lichte overtredingen was in de civiele sfeer gekomen. Parallel aan deze ontwikkeling liep nog een andere. De kerkeraad gaat iets als "privacy" erkennen en voelt zich daarom niet meer geroepen om zich openlijk te mengen in echtelijke twistenl Dat geldt ook voor de vroegere bedilzucht inzake pre-maritale sexuele omgang.

Op 13 december 1732 wordt Hebbel, echtgenote van Hindrik Harms, geciteerd wegens haar "ontijdige bevallen". Zij verschijnt niet en de kerkeraad veroordeelt haar bij verstek tot ontzegging van het avondmaal. Een jaar later volgt de tweede citatie, waaraan Hebbel eveneens geen gevolg geeft. Op 27 februari bekent zij schuld en wordt weer tot het avondmaal toegelaten. Op 2 december 1733 wordt aan Albertje Egberts om dezelfde reden het avondmaal ontzegd, "ging sij daerop weg, murmurerende en seggende sij sou niet weer komen aldaer". Meestal blijft de man buiten schot. De veroordeling van Folkert Hindriks in 1746 is een uitzondering.

Tovenarij
De praatjes van enkelingen doen er op zich nog niet zoveel toe. Pas als de notabelen geloof hechten aan de dorpse achterklap is er een heks en zal zij het min of meer zwaar te verduren krijgen. De brandstapel kwam er ten onzent in de 17e eeuw niet zo gauw meer aan te pas maar ook sociale outcasting is een zware, zij het mindeer spectaculaire straf. In Noordbroek liep het zo'n vaart niet.

In 1680 moet het echtpaar Geeske en Evert Harmens zich bij de kerkeraad verantwoorden over een aanklacht "datse sulke persoonen souden sijn, welke de zegeninge van vee en mensen gelove gaeven". Bovendien ging het gerucht dat hun kind "door een kwade geest geplaeght werde", hetwelke een straf was voor een niet nagekomen belofte om na de dood van hun (schoon)moeder vier gulden aan de armenkas aan de armenkas te schenken. De ouders zouden daarom met het kind naar een "duivelbanner" zijn geweest. Geeske gaf alles toe en werd daarop "seer eernstlijck bestraft en onderricht, soo datse daardoor tot erkentenisse van haer grove fouten met grote droefheit jae tranen selve gebracht is". Ondanks dit oprechte spijtbetoon kan de strafmaatregel-ontzegging van het avondmaal-niet uitblijven omdat nu eenmaal "de gegeven ergernisse alomme luitbaar werde". Al met al een tamelijk onschuldig geval, zoals ook het volgende dat zich in 1754 voordeed. Teetje, de weduwe van Phebe Jans, werd door Martjen Poppes "verdagt gehouden van enige hexerije of besweering ter stremming van haar karnwerk". Toen dit voor de kerkeraad kwam had Martjen zich intussen al met de "heks" verzoend, "daerbij haer eigen ligt- of bijgelovigheit belijdende.

"Het droevigh ongeluk": een document humain
Het onderstaande aan de kerkeraadshandelingen van 4 juni 1686 ontleende verhaal is niet bedoeld als anekdote of komische noot. Ware de schrijver bewust te werk gegaan, dan had hij er een novelle van kunnen maken. Maar onopzettelijke litteratuur bestaat niet.

"Zijn mede gecompareert voor 't consistorium Boele Berents en Geeske sijn huisvrouwe, neffens Grietie Joesten huisvrouwe van Joest Arents, welke klaeghde over de onvoorsichticheit van Boele Berents, welker peerden niet wel vastgemaekt zijnde haer kint hadden overgelopen, dat de doodt daer op gevolgt was. Welke ongeluck tijdtlijken een grote alteratie in haer gemoet veroorsakte bijzonder als sij Boele Berents sach. Waertegens Boele Berents met tranen sijn onschult in desen verklaerde, seggende: dat hij de peerden vastgebonden hadde, en doen volgens niet en wiste door wat middel sij op de loop waren gecomen. Beloofde oock voorts het mesteloon te willen betalen, en noch wel een mudde rogge twee ofte drie daerenboven, 't welke Greetie wegerde aen te nemen. Waerop sij van de kerckenraedt gevraegt zijnde, of sij Boele hijrom dan hatede, antwoorde neen, en hoewel het droevigh ongeluk wel eenige alteratie in haer gemoet verwekte, dat sij evenwel, soo veel haer aengink, hem het selve van heden vergaf, maer dat hij sich wel een weinigh voor haer man mochte wachten. En heeft tot een teken hijr van hem ende sijn huisvrouwe de handt van vrintschap gegeven. En zijn alsoo dese partien met malkanderen Christelijker wijse versoent".

Noordbroek in de gouden eeuw

L'esprit de clocher, dat is de geijkte aanduiding voor de in zichzelf gekeerde dorpsgemeenschap. Toch zijn het juist de klokken die bij tijd en wijle de dagelijkse monotonie doorbreken door de inwoners attent te maken op wat "daarbuiten" gaande is. Een stukje politieke nieuwsvoorziening, verzorgd door de kerk. De predikant kon er in zijn preken op terugkomen en zo een belangrijke bijdrage leveren tot de opinievorming. Politiek ging ook de kerk aan. Dat God tijdens de 80-jarige oorlog aan de zijde van de Republiek stond, daaraan twijfelde de rechtgeaarde calvinist niet.

1632: "Die Coster gelangt 1 dald. doe hy triumph ludde" (Maasveldtocht, verovering van Venlo, Roermond en Maastricht); 1637: "als triumph, van Pariba ende Breda geluit worden"; 1639: "Egbert Baving voor beer aan de schoele gelevert, voor Triumphluiden als de Spaansche vloete in Duins onder Engelant geslagen is" 5 d. 20 st.; 1645: "Egbert Baving betaelt voor 't Sas van Gent ende Hulst inteluiden" 7 d. 9 st.; 1653: "Voor triumph luiden van Engelant betaelt 2d."; 1661: "Koer Bavingh voor beer betaelt over het triumph luiden van de jongen Dolphijn (=dauphin) van Vranckrijck, ende anders gelevert" 5 d. 10 st.; 1664: "hher Baving voor luiden over het ongeluckige overliden van onse Prins" (Willem Frederik, ? 31 oktober 1664 door ongeluk bij het schoonmaken van zijn pistool).

Wat betekende de tachtigjarige oorlog voor de dorpelingen? Een paar regels uit de "tegenwoordige staat" en één bladzijde uit de kerkerekenigen. Het is niet veel, maar toch voldoende om de lokale geschiedenis te laten fungeren als contra-gewicht van de glorieuze histoire de bataille.

In 1624 valt de gouverneur van Lingen het Oldambt binnen. Hij schrijft brandschattingen uit en wanneer deze niet snel genoeg worden opgebracht neemt hij represailles. Het klooster te Heiligerlee gaat geheel in vlammen op. Winschoten wordt zwaar getroffen. Noordbroek brandt grotendeels af. De meiers van de kerk lijden zoveel schade dat zij niet aan hun financiële verplichtingen kunnen voldoen. Op 16 juni 1626 ontheft de Groningse magistraat hen van het over 1625 aan de kerk verschuldigde jaarlijkse geschenk, waardoor de kerkvoogdij een inkomstenderving van 137 daalder moet noteren.

In 1643 namen de meiers het recht in eigen hand. De kerkvoogden moesten "excessive kosten" maken voor het incasseren van de landhuren; omdat de meiers weigerden te betalen "als zijnde geduirende deze revolt, door sinistre inductie persuadeert, ongeholdent zijn gescheckt betalen".

Wanneer begin oktober 1665 de Munsterse bisschop met zijn leger in de omgeving van Noordbroek arriveert, leggen de dorpelingen het hoofd snel in de schoot. Zij dienden een verzoek tot vrijgeleide in dat door 90 kerspellieden was ondertekend. Von Galen, of één van diens vertegenwoordigers, willigde het rekest in. Op 14 november van hetzelfde jaar veroordeelde een krijgsraad, gepresideerd door Johan Maurits van Nassau, de drie personen die namens het kerspel het rekest hebben overgebracht, tot een boete van 5.000 carolus gulden. Phebe Frericx-later kerkvoogd -, Haro Wijneken en d'Haubrecourt verweerden zich tegen de aanklacht van landverraad door de opmerking te plaatsen dat zij "geen quade intentie hebben gehadt, naer uijt onbedachtsaemheit sulex gedaen". Bovendien handelden zij niet à titre personnel maar als representanten van het kerspel. De advokaat-fiscaal gaf toe dat alle indertekenaars van het rekest "als vianden van dese landen mede strafbaer waeren". Niettemin hadden de beklaagden zich als instrument laten gebruiken. Al werd dus de collectieve schuld erkent, de boete gold de drie vertegenwoordigers persoonlijk. Pro forma althans. Naar we mogen aannemen zijn de 5000 gulden hoofdelijk omgeslagen. Het is niet uitgesloten dat ook de kerk meebetaalde. Op de rekening over 1665 staat de post: "wij hebben tot verschoninge van onse kercke, pastorie ende schoelen an de E. Phebe Frericks, Roelf Andrees ende Jan Berent in de invasie van de Bisschop betaalt uijt onse kerckemiddelen 66 d. 20 st". In 1667 kreeg de weduwe van Egbert Louwers 66 daalder en 20 stuiver "soe als haer Eman tot bescharmenge van de kercke ende des selven behuisenge 1665 hadde gedaen in den bijsschop invasije verschoten".

Volgens een aantekening op het schutblad van een kerkenprotocol zou de pestepidemie in 1666 te Noordbroek 716 slachtoffers geëist hebben, een enorm aantal wanneer men bedenkt dat het dorp in 1795 1282 inwoners telde. De opgave kan niet getoetst worden omdat het begraafregister over deze periode niet bewaard is, zo het al werd bijgehouden. Verdacht is wel de door de tijdgenoot genoteerde coïncidentie dat de dodentallen in Noord- en Zuidbroek volledig identiek waren.

De snel op elkaar volgende rampen ontwrichtten de economie. Toen eind 1669 de jaarlijkse betaaldag van de kerkepachten in zicht kwam, vroegen predikant en kerkvoogden aan burgemeesters en raad van Groningen een besluit met het oog op de inning in deze "coniunctuire van tijden". De kerkemeiers kregen een jaar respijt.

Ook de tweede Munsterse aanval hebben de inwoners van Noordbroek aan den lijve ondervonden, vooral degenen die "ten Oosten van de Wech" woonden. Door de inundatie van het Termunterzijl leden zij grote schade, getuige de forse deklaraties die zij bij de stadsregering indienden. Burgemeesters en raad toonden in 1674 begrip door korting op verschuldigde verpondingen te verlenen. In verband met de oorlog werd een beroep gedaan op de kerkekas:

1672: dient voor uitgave "het half jaar remis soo de Ed.Mog.h.h. van de Raadt an de meijeren van de kercke tot Noortbroeck hebben believen te verlienen 463 daald. 2 st. 4 plakken";

1678: "Aen Gerlof Sygers in qualitie volgens auctorisatie van de Ed. Moog. H. Heeren Borgmr. ende Raedt voor bevryenge van kercke, pastoorye ende schoolen der vyandtlycke troupes by de jonghste invasie betaelt luyt quytantie 133 daald. 10 stuv."

In 1689 vroegen dominee en ouderlingen aan de stad het kerspel vrij te stellen van verponding omdat door "jammerlijcke en ongeluckige overvallen" de "ordinaris middelen" niet meer konden worden opgebracht. De landerijen waren "deur de extra-ordiarius hoochloopende watervloeden (van 1686 en 1687) soodanich mit water (...) overstelpt geweest, dat men mit groote geladen schepen 's winters daer over heefft connen varen, waer deur gementioneerde carspels landen in soo een droevigen staat en miserie bin geraackt, dat de gebruickeren van dien in soo een soberen en geringen conditie bin datter weynich of geen gemaack van is te verwachten".

De heterodoxen
De diverse gezindten in de periode 1798-1870
Jaar: 1798; Hervormd: 1.21; Luthers: -; Doopsgezind: 80; Afgescheiden: -; Katholiek: 14; Jood: ?
Jaar: 1809; Hervormd: 1.321; Luthers: 7;, Doopsgezind: 78; Afgescheiden: -; Katholiek: 28; Jood: 7
Jaar: 1815; Hervormd: 1.407; Luthers: 11; Doopsgezind: 74; Afgescheiden: -; Katholiek: 25; Jood: 10
Jaar: 1839; Hervormd: 1.769; Luthers: 4; Doopsgezind: 65; Afgescheiden: -; Katholiek: 19; Jood: 16
Jaar: 1860; Hervormd: 2.041; Luthers: 1; Doopsgezind: 71; Afgescheiden: 13; Katholiek: 34; Jood: 38
Jaar: 1870; Hervormd: 2.083; Luthers: 1; Doopsgezind: 69; Afgescheiden: 23; Katholiek: 30; Jood: 42

Bij tijd en wijle duikt er uit de 18e eeuwse kerkeraadshandelingen een katholiek op. De "bittere papist" Arent Gruit bijvoorbeeld, die in 1731 een vechtpartij in de herberg bijwoont. In 1726 kwam de kerkeraad tot het besluit geen diakonie- kinderen uit te besteden "bij papisten, so het enigzints anders mogelijk is. Immers absoluit en volstrekt niet bij papisten buiten Noortbroek". Geen enkel gegeven wijst er op dat er ooit akties zijn ondernomen tegen de katholieken. Zij waren een quantité négligeable die met rust werd gelaten. Deze kleine minderheidsgroep zal het moeilijk hebben gehad. In zo'n situatie is de verleiding tot apostasie groot. Op 3 maart 1786 gaat de ex-"roomsgezinde" Frans Kuypers tot de hervormde gemeente over. In 1777 wordt meester David Gross, een voormalig lutheraan, als lidmaat aangenomen nadat de kerkeraad hem heeft ondervraagd over die geloofspunten "waarin wij van de Broeders Lutheranen verschillen". De formulering verraadt een tolerante houding.

"Die schadelicke secte der Mennoniten"
De doopsgezinden vertegenwoordigden in de dorpsgemeenschap het heterodoxe element bij uitstek.

Aantal doopsgezinden 1644-1767.
1645: minstens 33 broeders
1710: 60 broeders
1733: 49 broeders en 44 zusters
1754: 33 broeders en 38 zusters
1767: 3 leraren en 45 leden.

Op het eerste gezicht misschien weinig imponerende cijfers. Niettemin bewijzen ze dat aan het begin van de 18e eeuw een groot deel van de dorpsbevolking doopsgezind was. In 1705 telde de hervormde gemeente namelijk omstreeks 250 lidmaten. De doopgegezinde gemeente had toen alleen al 60 mannelijke leden. Juist in deze periode baarden de doopsgezinde sympathieën in de gemeente veel zorgen aan de hervormde kerkeraad.

In de eerste helft van de 17e eeuw had Jan Luyes, de voorman van de Mennoniten in de Ommelanden, naar het schijnt zijn standplaats te Noordbroek. Omstreeks 1628 scheidde hij zich met zijn volgelingen af als de sekte van de Groninger Oude Vlamingen die de toch al typische Meniste wereldverachting het meest ver zouden doorvoeren maar anderzijds zeer vrijzinnige leerstellingen verkondigden. Na Luyes' dood nam zijn leerling Uko Walles de leiding van de Oude Vlamingen over. Walles heeft een groot deel van zijn leven in Noordbroek doorgebracht. Hij behoorde tot de meer gegoede ingezetenen. In een verpondingskokier uit het begin van de jaren '30 staat Walles voor 25? deimten genoteerd. Zijn warrig geformuleerde, vaak extravagante opvattingen en gebrek aan takt zaaiden verdeeldheid onder de Groningse doopsgezinden. Het is niet uitgesloten dat zijn grootste tegenstander, Jurjen Thomas, hem heeft aangebracht bij de Groningse stadsregering die hem in 1637 liet arresteren. Walles werd veroordeeld tot eeuwige verbanning uit het gewest. Hij week uit naar Oost-Friesland, trotseerde echter omstreeks 1640 het vonnis door zich in Marsum, bij Appingedam, te vestigen. In 1644 vertrok hij opnieuw naar Oost-Friesland, na voor de tweede keer door de Staten gevangen te zijn gezet. Vanuit zijn ballingsoord probeerde hij de Staten tot vernietiging van het vonnis te bewegen. In 1645 kreeg hij daarbij hulp van 33 eigenerfden van Noordbroek. Zij tekenden een verklaring dat Uko Walles bij hen sinds 20 jaar te goeder naam en faam bekend stond. Walles stierf in 1651.

Tegen de doopsgezinde gemeente zelf is de kerkeraad nooit opgetreden. Meniste sympathieën in eigen kring bestreed ze niettemin krachtig, meer dan een eeuw lang.

Met Bauwe Rempkens begint in 1638 de rij van overlopers "tot die schadelicke secte der mennoniten". De kerkeraad betrekt in haar overwegingen ook Bauwes reputatie als echtbreekster en ziet zich genoodzaakt "tot die uterste remedie tkomen": uitstoting uit de gemeenschap, opdat "door dit verrottede, unde tot noch toe ongeneeslicke litt, tghele licham der gemeente niet in pericul gestellet, unde die name Godes niet gelastert worde.

Het volgende drama speelt zich 30 jaar later af. Jan Meertens krijgt kennis aan Sara Peters. Hij is hervormd, zij doopsgezind. Ze worden in de hervormde kerk van Noordbroek geproclameerd maar trouwen in Oterdum, uit schaamte naar de kerkeraad vermoedt. De doopsgezinde gemeente keurt dit gemengde huwelijk af en verstoot Sara, die daarop haar echtgenoot tot verandering van kerkgenootschap overhaalt. Jan Meertens wordt "afgesneden" ten einde hem tot "schaamte over sijne sonden te brengen". Hij is op slag outcast. Niemand mag met hem omgaan.

Op 3 juni 1679 behandelt de kerkeraad de zaak van Geertien Richts. die "sonder eenige reden en oorsaecke van onse waere Christelycke Religij afgeweken is, en sich begeven aen de leere en seckte der Mennoniten". Men had getracht dit "verdwaelt scaep" weer oop het rechte pad te brengen door haar erop te wijzen dat zij een verbond met God schond. Zij diende verder te bedenken "wat groote ergernisse hijr door gegeven werde aan alle vroome Christenen, neffens de grouwlijcke en groote straffen daer op volgen". Toen Geertien voor deze argumenten niet vatbaar bleek, ging de kerkeaad op advies van de classis er toe over haar "als een onboetvaerdigen en hartneckigen sondaresse"te excommuniceren.

In 1717 trof ook Claas Sijbrants de banvloek. Het was geen overhaaste beslissing. Sijbrants had al sinds 12 à 13 jaar de kerkdiensten niet meer bijgewoond "daartegen sig vervoegt ter vergadering der Collegianten te Groningen en nu Switsersche Mennonyten".

De komende 20 jaar zijn de ketters een vast agendapunt van de kerkeraadsvergaderingen. Op 3 juni 1718 wordt het avondmaal ontzegt aan Berent Schoemaker, Cornelis Koster en Elizabeth Tonnis omdat ze "openbare dwaalgeesten waren, stellende een algemeene genade om salig te worden voor alles in wat religie en belijdenis ook behorig, verwerpende de middelen der genade, het gehoor van G(odes) W(ille) wijl God nu an geen plaats verbonden was, en ook om datter sovele quamen op wien het woorde geen kragt had". Elizabeth Tonnis liet weten dat zij "geen uiterlijke middelen als gehoor van G(odes) W(ille), gebruik van sacrementen, ook geen leraars erkent". Deze fundamentele kritiek op de kerk als instituut, het typische kenmerk van de "Chrétiens sans église" (Kolakowski), gaat gepaard met het postuleren van het recht alles zelf te mogen onderzoeken. Daarom vinden de gedaagden het allerminst bezwaarlijk "somtijts eens te gaan naar de collegianten en de Switserse Mennisten". Geen van de drie had aan de citatie gevolg gegeven. De schoolmeester daarentegen kwam wèl in de vergadering opdagen en verwekte grote opschudding doordat hij "ronduit belijdenis van syn vuile lastertaal en quakeragtige phantasmen en gevoelens" deed.

Enkele maanden later werden Berent Schoenmaker, Cornelis Koster en Elizabeth Tonnis "als vuile leden afgesneden". Desondanks bleef de kerkeraad middels huisbezieken-citeren haalde toch niets uit- proberen de afgedwaalden tot andere gedachten te brengen. Vergeefse missies. Eind 1722 werd gedreigd met "een geheele excimmunicatie" maar dat zal weinig indruk hebben gemaakt. Elizabeth Tonnis verklaarde immers al in 1719 "volkemen gegen te sijn, sig ten allen tijden van de Hervormde kerk af te scheyden". Op 3 maart 1723 schijnt het geduld van de kerkeraad op te zijn. Overeenkomstig klasssikale resolutie besluit zij "met de openbare Ban volgens G(odes) W(ille) voor te voeren". Twee maanden daarna blijkt evenwel de zaak toch nog "levendig". Berent Schoenmaker verschijnt op 6 september 1724 in de consistoriekamer waar hij omstandig zijn principes uiteenzet en te kennen geeft dat wat hem betreft de excommunicatie niet hoefde te worden opgeschort. In oktober 1724 was het eindelijk zover. Er waren zes jaar overheen gegaan.

Nieuwe afvalligen eisten de aandacht. Wijpke Clasens heeft grote bezwaren tegen de predikant Stegnerus en wil niet bij hem kerken "wijl hij geen verkondiger van vrede was, daarenboven de godlose regtveerdige en regtveerdige verdoemde ook liefdeloos voor dwaal(geesten) hield. De affaire van Sander Coens sleepte al vanaf 1722. Hij nam zijn toevlucht tot de collegianten omdat hij het "niet (kon) harden in een kerk die so verdurven was". In 1733-11 jaar later dus-wordt hem de excommunicatie in het vooruitzicht gesteld, tenzij hij zich bekeert "waerop hij seide wat hem aenging niet te begeeren dat men langer in desen wagtede. De kerkeraad houdt zich in de jaren 1733-1734 ook bezig met Claas Jans, die eveneens andere kerken frequenteert.

Volgen we de dialoog op 25 augustus 1735 tussen de kerkeraad en Thomas la Carriere, Lucas Harmannis en Wilhelmus Rustius, alle drie geciteerd "wegens hun geduirig lopen na andere gemeenten op sondagen". Dit geeft niet alleen ergernis aan de gemeente maar benadeelt ook de plaatselijke diakonie. De kerkeraad haalt het schriftwoord van Paulus aan "seggende datter een tijd sou komen, waer in de menschen ketelagtig souden sijn van gehoor, en haer selven (N.B. niet die God haer had gegeven) leraers soude opwerpen". Wat moest er van de gemeente terechtkomen wanneer iedereen de vrijheid nam elders ter kerke te gaan? Wanneer dat eens een keertje gebeurde, soit. Het mocht echter geen gewoonte worden. Het aldus toegesproken drietal hoort dit alles niet met de verschuldigde eerbied aan. Om te beginnen namen ze hun hoed niet af "voor ervan gesegt wierd". Lucas Harmannis liep "geduirig" heen en weer, Thomas La Carriere had zelfs de brutaliteit met zijn rug naar de kerkeraad toe te gaan staan. Geen van hen is te overtuigen van de "onbetamelijkheit van haer lopen". Ze voelen zich onheus behandeld: "is het schrikkelijk Gods volk so te behandelen en ondertusschen het blinde volk te laten lopen? Eindelijk seggende dat de gansche gemeente vol pragt, trotz en praal, was nalatig sorgeloos en godloos". Toen ze echter werden uitgenodigd die beschuldigingen met voorbeelden te staven "seiden se daat het in 't algemeen so was". Aan het slot van de zitting vroeg Harmannis, aanknopend bij een eerdere opmerking daaromtrent, hoe vaak ze dan wel precies andere kerken mochten bezoeken, een informeren dat als "al te sjokant" wordt opgevat.

In de loop van de vier daarop volgende jaren zullen Lucas Harmannis, Willem Rusting en Thomas la Carriere hun vroegere opvattingen afzweren. De taktiek van de ketterbestrijding was intussen geëvolueerd. Het zwaaien met de banvloek, dat was wel gebleken, had weinig zin. Bauwe Rempkens (1638), Jan Meertens (1668) en Geertien Richts (1679) moesten er tamelijk snel aan geloven. Tijdens de grote kettergolf in de eerste helft van de 18e eeuw toont de kerkeraad aanmerkelijk meer geduld. Alleen na jarenlange procedures gaat ze tot excommunicatie over.

Op 3 maart 1751 wordt de citatie aangekondigd van "sulke wanstaltige en ergerlijke leden die de godsdienst geheel verlaten". Een nieuwe ontwikkeling? Deed het atheïsme op het platteland zijn intrede? Het zou een voorbarige conclusie zijn. Het verlaten van de "enig waere religie" werd wel vaker voor totale godloochening uitgekreten. Waarschijnlijk betrof het ketters of lakse kerkgangers, onkerkelijken eventueel. In 1772 kreeg Anna Alberts een ernstige berisping "over hare verre gaande ongodsdienstigheid". Geen principiële opposante, dit in tegenstelling tot de eerder genoemde overlopers. Anna beloofde beterschap en kon gaan. Gevallen als het hare kenmerken zich door een snelle, probleemloze afwikkeling en hebben zelden een nasleep. En toch, als men aan Noordbroeks huidige notoire "onkerkelijkheid" een historische dimensie wil geven, dan moet die niet worden gezocht bij degenen die naar collegianten of doopsgezinden overgingen. Twijfel aan hun geloofsvuur is ongegrond, onder andere gezien het grote sociale risico dat zij namen. Hetzelfde geldt voor de "christenen zonder kerk", die het instituut verwierpen omdat huns inziens religie alleen uit een direkte God-mens relatie bestaat, waar menselijke instellingen, hun charismatische en bemiddelende pretenties ten spijt, slechts belemmerend kunnen werken. De continuïteit ligt bij het triviale, door Anna Alberts vertegenwoordigde, type dat in de 19e en 20e eeuw niet meer hoeft te capituleren voor een kerk die haar buitengodsdienstige taken en daaruit voortvloeiende machtspositie heeft zien ineenschrompelen.

Lijst van predikanten
NB Samengesteld met behulp van het kaartsysteem van Groninger predikanten op het Rijksarchief in Groningen, de predikantenlijsten in AHGN, inv.nrs. 1-2, Van Alphen, Nieuw-kerkelijk Handboek (1914), Gouda, 1914, bijlage Q, p. 162, Provinciale Groninger Almanakken vanaf 1946.

Sprenger, J. (J.). predikant, 1597 - 1599
Lolingius (Loelinck), J. (J.). predikant, 1600 - 1624
Eppinus, E. (E.). predikant, 1625 - 1672
Hoorn, Ch. (Ch.). predikant, 1672 - 1678
Themmen, H. (H.). predikant, 1678 - 1688
Janssonius, H. (H.). predikant, 1688 - 1701
Hoisingius, G. (G.). predikant, 1702 - 1704
Muntinghe, Albertus (A.). predikant, 1705 - 1712
Stegnerus, H. (H.). predikant, 1712 - 1756
Knock, A. (A.). predikant, 1758 - 1786
Roos, B. de (B.). predikant, 1787 - 1789
Wubbena, W. (W.). predikant, 1790 - 1799
Tuuk, L. van der (L.). predikant, 1799 - 1835
Loeff, A. Rutgers van der (A.R.). predikant, 1836 - 1844
Hamerster, A. (A.). predikant, 1844 - 1854
Woude, S. Coolhaas van der (S.C.). predikant, 1855 - 1858
Poelman, A. (A.). predikant, 1858 - 1893
Gerritzen, G. (G.). predikant, 1895 - 1906
Buurma, D. (D.). predikant, 1906 - 1910
Apeldoorn, J. van (J.). predikant, 1911 - 1913
Weel, D. van (D.). predikant, 1914 - 1919
Stratingh, W.P. (W.P.). predikant, 1920 - 1927
Meiden, J.A. van der (J.A.). predikant, 1943 - 1947
Stratingh, W.P. (W.P.). predikant, 1948 - 1953
Witteveen, K.M. (K.M.). predikant, 1956 - 1961
Soeting, A.G. (A.G.). predikant, 1962 - 1967
Bos, K.G. (K.G.). predikant, 1972 - 1976


Pageviews vandaag: 3.