Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 30-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Groninger molens

Molens zijn werktuigen gebruikt voor het verwerken van producten of het opmalen van water. Zij zijn in vele vormen te vinden. De aandrijfbronnen voor molens zijn al even divers als de doelen waarvoor molens gebruikt kunnen worden.

Er is een tijd geweest dat men in het vrije veld op bepaalde plekken veertig molens kon zien draaien. Geen wonder. In gemeenten als Noordbroek en Zuidbroek draaiden er al twintig.

Gaan we wat verder in de geschiedenis terug, dan komen we bij het ontstaan en de ontwikkeling bij van de verschillende molens. De meest eenvoudige molens worden door hand- of dierkracht gedreven. Zo waren er tot ver in de 19de eeuw op het Groninger platteland nog tred- en rosmolens te vinden. De tredmolen wordt meestal aangedreven door een hond die in een soort ton loopt. De rosmolen wordt aangedreven door een paard die via een vaste stang een groot wiel in beweging brengt. In de vesting Bourtange is in de jaren '80 van de 20ste eeuw een dergelijke constructie op de rosmolen gereconstrueerd naar 18de-eeuws voorbeeld.

Alhoewel haast ondenkbaar kende de provincie Groningen ook door water aangedreven molens. Zo was op het kloosterterrein van Ter Apel tot aan het begin van de 19de eeuw een bij het klooster behorende waterradmolen te vinden. De loop van de oude molenbeek is nog herkenbaar in het landschap. Er zijn vergevorderde plannen voor reconstructie van de molenbeek en eventueel daaraan gekoppelde herbouw van de watermolen.

Bij molens denkt men meestal aan door wind aangedreven werktuigen. De molen wordt ook als typisch Hollands gezien, maar is het niet. De oorsprong van de windmolen ligt in Afghanistan. Afghaanse molens bezaten, in tegenstelling tot de huidige Hollandse molens, een horizontaal wieksysteem.

Standerdmolen (of onderkruier)

In de loop van de 12de eeuw verschenen de eerste windmolens in de Lage Landen. Het oudst bekende type is de standerdmolen, een zogenoemde onderkruier. Bij de standerdmolen wordt het gehele rechthoekige molenhuis (kast) bij het kruien van de molen mee op de wind gezet. De kast draait rond een standerd, een grote houten verticale spil in het centrum van de molen. In Groningen zijn twee standerdmolens bewaard gebleven, te weten de uit Bourtange afkomstige molen die nu in Ter Haar staat en de replica op de vesting van Bourtange.

In het Rijksarchief is nog aanwezig een akte van 1 mei 1498 waarbij Egbert Renghers 'van den Poste' en Ditmar Renghers, 'hoeftlinck te Petersburen', aan Zeyne Renghers een rente liggende op de windmolen te Zuidbroek toewijzen, ten onderpand voor een rente van 9 gouden Rijnse guldens, hem toegekend bij een door Egbert Renghers, vader van Zeyne voornoemd. Gevoegelijk kan men aannemen, dat hier sprake is van het bij ons oudste windmolentype, de standerdmolen. Waar deze molen precies gestaan heeft is niet bekend.

Een archiefstuk van de stad Groningen anno 1575 luidt: 'In anno 1573 hefft Zuydtbroekster kercke gestaan omtrent 303 jaeren ende hefft eertydts upt olde kerckhof na den oesten by der moele gestanden.' Dit zal waarschijnlijk ook wel een standerdmolen zijn geweest.

Krukas

Een belangrijke verbetering van molens kwam tot stand door de uitvinding van de krukas. Vanaf die tijd werd het mogelijk om de molen ook voor andere functies dan graan malen in te zetten.

Paltrokmolen

Een goed voorbeeld van een molen met krukas is de paltrokmolen. Deze molen diende als zaagmolen. Evenals de standerdmolen werd de paltrok met zijn gehele bedrijfsruimte op de wind gezet. In de 19de eeuw verdwenen de laatste paltrokzaagmolens uit onze provincie.

Bovenkruier

De eerste poldermolens verschenen waarschijnlijk omstreeks het begin van de 15de eeuw in ons land. De meesten waren van het type bovenkruier. Bij een bovenkruier wordt alleen de kap op de wind gezet. Bijna alle
Groninger molens, zowel koren- als poldermolens, zijn volgens deze constructie gebouwd.

De Sarrie

Bij resolutie van Provinciale staten werd in 1623 een belasting op het gemaal gelegd, die in 1628 werd verhoogd. Tevens werd toen bepaald, dat bij elke korenmolen een huisje moest worden geplaatst voor de 'sarrie', de man die toezicht moest houden op de toepassing van de wet en de belasting moest innen. Om het aantal sarrieshutten niet te groot te maken en tevens de kosten te drukken, moest een derde deel van de molens verdwijnen en bij resolutie van Provinciale Staten van 25 juni 1628 ook een standerdmolen te Zuidbroek. Deze werd de middelste molen genoemd. De grote standerdmolen of zuidermolen mocht blijven staan. Dit is de latere molen van Briek. Ook in Noordbroek moest een korenmolen verdwijnen door de wet van 1628. Dit was een standerdmolen, die ook de middelste werd genoemd. Deze stond dus tussen de noorder- en zuidermolen. De sarrie woonde van 1826 tot plm. 1850 in de sarrieshut naast de molen. Deze had uiteraard geen al te beste naam. Er is nog een rijmpje van over: de bakker, de mulder en de sarrie / 't is aalmoal ain pakkelarrie. De Staten zetten een boete van honderd Carolusgulden op het aandoen van overlast op de sarrie. Aan de andere kant werd de sarrie met zware straffen bedreigd als hij in zijn functie knoeide. Als hij dit in overleg met de molenaar deed, werden zij beide onder de molen gegeseld en uit Stad en Lande verbannen.

Zuidbroek had ook nog een tweetal zaagmolens voor het zagen van hout. Meestal lagen hier de bomen geruime tijd in het balkgat bij de molen om gewaterd te worden.

Oliemolens werden gebruikt voor het slaan van olie uit lijnzaad en raapzaad. Voor de mensen die in het veld werkten, diende de molen wel om de middagpauze aan te geven. Bij het olie slaan moest het zaad worden voorverwarmd en dan in een keer worden afgewerkt, zodat de tijden onregelmatig waren. Vandaar wel de uitdrukking: 'zijn horloge gaat met de Scheemder oliemolen.'

Bark-, run-, of schorsmolens dienden voor het maken van eikeschors, gebruikt als looizuur in de leerlooierijen, waarvan men twee aantrof te Noordbroek en een te Zuidbroek.

Poldermolens

Poldermolens dienen om het overtollige water te lozen door middel van een vijzel, hier gewoonlijk schroef genoemd. Ook hadden deze molens vaak een of twee schuiven om in tijden van droogte weer water in te laten. In tegenstelling tot de industriemolens hebben poldermolens meestal geen stelling. een stelling is de omloop om de molen van waaraf de wieken worden bediend. Het zijn grondmolens of grondzeilers, die hun wieken langs de begane grond slaan. Een uitzondering hierop vormde bijvoorbeeld de molen in het Westeind. Deze had wel een stelling.

Noordermolen

Behalve industriemolens stonden er in en rond Noord- en Zuidbroek ook een flink aantal watermolens. Hier is slechts een exemplaar van overgebleven en wel de 'grote molen', de Noordermolen in de Noordermolenkolonie of Noordbroekstermolenkolonie te Noordbroeksterhamrik. Dit is een bovenkruier, zoals bijna alle poldermolens van dit type zijn. Hij werd gebouwd in 1815. Toen hij bijna gereed was , verdronk een van de molenmakers op de terugreis van de Zuidlaardermarkt. Deze molen had oorspronkelijk twee vijzels, sinds 1934 een. Het contract voor het plaatsen van de molen was gedagtekend 31 mei 1801, maar eerst op 3 april 1805 gaf de drost A.J. de Sitter zijn fiat aan het contract.
Volgens de staat van 1811 stond hij onder beheer van de volgende volmachten: Pieter Aytes, Fidde Klasens en Albert H. Noordhof.De molen deed sinds 1946 dienst als zomerverblijf van de heer S. Graafhuis.

Er heeft nog een korenmolen annex pelmolen aan de Havenstraat gestaan: de 'Excelsior' van G. Hidskes, gebouwd in 1895( van materiaal afkomstig van de afgebroken zaagmolen van Post te Winschoten) en afgebrand in 1907. Eerder stond hier de oliemolen uit 1851 van Jan Reintjes Borg, later Boele ter Borg en daarna G. Hidskes. Deze molen werd afgebroken toen er een stoomkorenmalerij werd ingericht.

Totaal afwijkend was de molen van de Waterkampen te Noordbroeksterhamrik. Dit was een spinnekop. Dat is een verkleind model van de Hollandse wipmolen.

Tjasker

De meest primitieve poldermolen is de tjasker. Dit uit Friesland afkomstige molentje werd vaak in de veengebieden als tijdelijk rmaalwerktuig ingezet. De schroef wordt bij de tjasker rechtstreeks door de wieken aangedreven. In de wintermaanden werden deze molens uit elkaar gehaald en in boerenschuren opgeslagen. In Groningen is nog één tjasker te vinden. Deze zal in de omgeving van Midwolda worden herplaatst.

Bijna geheel verdwenen zijn de spinnenkopmolens. Deze relatief kleine molens bestaan uit een klein draaibaar houten bovenhuis staande op een piramidevormig onderhuis. De spinnenkop was eenvoudig en relatief goedkoop op te bouwen en was ideaal voor onderbemaling in polders. Dankzij de eenvoudige bouw werden ze af en toe ook wel ingezet voor andere doeleinden. Zo staat te Wedderveer een in 1938 door molenmaker Luitje Wiertsema uit Sappemeer gebouwde spinnenkophoutzaagmolen.

Een interessante functie had de molen nog als hij gebruikt werd om te seinen. Behalve het seinen van 'pegel' door de watermolens werden ook berichten over geboorte en overlijden, over het beroepen van een dominee, over de aanwezigheid van vijanden of kommiezen door de stand van de molenwieken aangegeven. er zijn nog een paar gevallen bekend, dat een molenaar in Noordbroek door de rouwstand te kennen gaf, dat een van zijn familieleden overleden was. De onderste roede werd dan een paar voet voorbij het midden van de romp geplaatst.

Zelfzwichting

De opkomst van de stoommachine, elektro- en dieselmotoren betekende een enorme bedreiging voor het voortbestaan van de molen als bedrijfswerktuig. Om de concurrentie de baas te blijven probeerden diverse molen
makers het rendement van de molens te verbeteren. Het aanbrengen van zelfzwichting op de roeden is in Groningen de meest bekende verbetering geworden. Zelfs zo bekend dat men zelfzwichting als typisch Gronings is
gaan beschouwen. Dat is het echter niet.

Zelfzwichting, een systeem waarbij de heklatten van de wieken werden vervangen door een ingenieus systeem van op jaloezieën lijkende klepjes, is een van oorsprong 18de- eeuwse Engelse vondst. In 1891 werden twee Groninger molens met dit systeem uitgerust, namelijk De Munte te Muntendam en De Eva te Usquert. Vele molenaars volgden het voorbeeld van deze vooruitstrevende molenaars.
Het voordeel van zelfzwichting is dat de molenaar aan het begin van de dag geen zeilen hoeft voor te leggen of zeil te minderen of bij te spannen tijdens het malen. Via een ingenieus stelsel van stangen kan hij bij zelfzwichting aan de achterzijde van de molen de klepjes van de zelfzwichting open of dicht trekken. Bovendien reageren de kleppen op centrifugaalkracht. Gaat de molen harder draaien, dan gaan de kleppen iets kieren en remt de molen zich zelf weer iets af.

Ondanks allerlei verbeteringen, waarvan zelfzwichting er één is, waren de molenaars niet in staat om te concurreren tegen grote mechanische maalderijen. In 1900 waren er in Groningen nog 594 molens te vinden, een eeuw later zijn er 82 over. Diverse molenverenigingen in de provincie ondersteunen het behoud van de laatste windmolens en proberen derden voor hun doel te interesseren.

Windturbines

Aan het eind van de 20ste eeuw kwam er een nieuwe generatie windmolens op, de windturbines. Gesterkt door de oliecrises en toenemende milieuvervuiling zag de milieubeweging in windenergie een schoon alternatief om stroom op te wekken. De bouw van windturbines bleef vaak beperkt tot kleinschalige particuliere projecten. De doorbraak
van windenergie kwam pas aan het eind van de jaren '90 toen diverse elektriciteitsbedrijven, in een poging om het toenemende gebruik van fossiele brandstoffen en de daarbij vrijkomende CO2 te beperken, 'groene stroom' gingen leveren aan de consument. Deze stroom is afkomstig van waterkrachtcentrales in Noorwegen en Zweden en van windparken, waar windturbines in grote concentraties bij elkaar zijn geplaatst. In Groningen kwam o.a. een windpark bij de Eemshaven tot stand.

Molenorganisaties

De Groninger molenwereld kent een veelheid van organisaties. Van deze noemen wij de volgende:

1. Stichting de Groninger Molen, opgericht in 1986. De oprichting had plaats op verzoek van het College van Gedeputeerde Staten, dat een nieuwe structuur voor de organisatie ten behoeve van het molenbeheer en een
centrale gesprekspartner wenste. Het doel van de stichting is het in stand houden van de Groninger molens en het bevorderen van kennis van en belangstelling voor Groninger molens. De stichting is de opvolgster van enerszijds de Provinciale Groninger Molen commissie, een in 1977 opgerichte adviescommissie voor Gedeputeerde Staten, anderzijds de Stichting Groninger Molenvrienden, in 1977 opgericht om met verval bedreigde Groninger molens te behouden. Het orgaan van de stichting, aanvankelijk Molenvizier, wordt sinds 1997 samen met de Vrienden van de molens onder de titel De Nieuwe Zelfzwichter uitgegeven.

2. Vereniging van Vrienden van de Groninger molens, opgericht 1973. Het doel van de vereniging is het behoud en het in werking houden van de Groninger molens. Zij telde in 1999 700 leden.

3. Het Gilde van Vrijwillige Molenaars, landelijk opgericht in 1972. Het doel van het gilde is molens die in staat zijn om te malen in werking te houden door gegadigden een opleiding tot vrijwillig molenaar te laten volgen. In 1999 waren in Groningen ca. 110 gediplomeerde vrijwillige molenaars actief.




Pageviews vandaag: 18.