Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 20-03-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Groninger drukkers

Voorzover thans bekend, was het Alle Pieters die in 1598 het eerste drukwerk in de stad Groningen verzorgde. Er waren maar enkele boekwinkels. In 1601 vestigde zich Gerard Ketel uit Franeker hier als 'stadsdrukker'. De stichting van een provinciale academie te Groningen in 1614 betekende een krachtige impuls voor het intellectuele leven. Het jaar daarop werd er ook een academiebibliotheek gevestigd. De boekenmarkt werd er sterk door verbreedt.

Een halve eeuw later waren er ongeveer twintig boekdrukkers. Evenals in andere steden hadden zij geprobeerd hun ambacht in een geprivilegieerd gilde te organiseren. Op 5 juni 1647 richtten de 'gesamentlijcke boeckvercoopers', zoals zij zich al in 1619 noemden, zich tot Burgemeesters en Raad met het verzoek hen op basis van een bijgesloten concept-reglement als gilde te erkennen. Hoewel zij niet door de magistraat werden erkend, traden de boekdrukkers c.s. wel op als waren zij een gilde: zij leefden volgens het informele reglement, hieven een intreegeld en noteerden leerjongens. En de magistraat sprak hen in censuurzaken gezamenlijk aan. Lastig was het voor de boekdrukkers en -verkopers dat zij ingeval van onderkruiperij zich telkens weer tot Burgemeesters en Raad moesten wenden en beleefd het oordeel van de magistraat dienden af te wachten, zonder zich op hun autonomie als gilde te kunnen beroepen. De boekproduktie in Groningen nam op den duur indrukwekkende proporties aan.

Het Groninger boekbedrijf ontwikkelde zich in de negentiende eeuw tot een gedifferentieerde bedrijfstak. Aanvankelijk werden drukkerij en boekhandel meestal gecombineerd met het uitgeven van boeken en periodieken. De boekbinderij en kantoorboekhandel waren onderdeel van de boekhandel, en steendrukken werden gemaakt in boekdrukkerijen. Gaandeweg werden echter steeds minder activiteiten binnen een bedrijf uitgeoefend. De steendrukkerij, de boekbinderij en de kantoorboekhandel werden gespecialiseerde onderdelen van het boekbedrijf. Tegelijkertijd versoberde het landschap van boekuitgevers in Groningen, doordat boekhandelaren in toenemende mate afstand namen van het uitgeven van boeken en tijdschriften en drukkers zich gingen toeleggen op de uitgave van regionale nieuws- en advertentiekranten.

Rond 1900 was de stad een centrum van drukkerij binnen Nederland, vooral op het gebied van boeken voor onderwijs en wetenschap en voor het drukken van kranten. De afgelopen vierhonderd jaar waren er vele drukkers actief, vaak ook als uitgevers en boekhandelaren. Zij verzorgden informatie voor de hele bevolking in de meest uiteenlopende vormen: van reclamedrukwerk tot telefoonboeken, van overheidspublicaties tot schoolboeken en van gelegenheids-toneelstukken tot plaatjesalbums van de firma Kahrel.

Geschiedenis boekdrukkunst Groningen

De boekdrukker, die veelal tevens boekverkoper was, diende zich in de zeventiende en achttiende eeuw aan te sluiten bij het Kremersgilde. Algemeen wordt aangenomen, dat Gerhard Ketel, die in ongeveer 1597 een strijdschrift van de bekende Groninger geleerde Ubbo Emmius drukte, daarmee als eerste in Groningen drukwerk vervaardigde.

In 1614 begon Hans Sas zijn werkzaamheden als Academiedrukker. Geleidelijk vestigden zich boekdrukkers in de Stad. De stadsregering kende bovendien een stadsdrukker.

Vrij spoedig en vrij lang hebben de boekdrukker-boekverkopers in Groningen geprobeerd een eigen groepering en een zelfstandige gilde te vormen, toegespitst op hun bijzondere belangen en speciale beroepseisen. Tot een geheel zelfstandige gilde heeft men niet kunnen reiken, maar binnen het grote Kremersgilde werd hun groepsvorming, zelfs onder de naam van gilde, toegestaan.

Het aantal boekdrukkers en boekverkopers steeg in de stad tot een relatief hoog aantal, mede door dienstverlening aan en verkoop naar het platteland. De drang tot een eigen belangen-organisatie bleef groot en in de achttiende eeuw was er sprake van diverse pogingen tot aaneensluiting en een vereniging (circa 1724: Participanten-Vereniging; circa 1784: poging een nieuwe eigen gilderol te verkrijgen; circa 1788: de Vereniging 'Smoor'). Tenslotte werd in 1807 naast 'Smoor' nog een boekverkopers-gezelschap gevormd, dat echter zes jaar later weer werd opgeheven.

In 1810 besloten enkele vooraanstaande boekdrukkers en boekhandelaars tot de oprichting van het Groninger Boekverkopers College. Nadat in 1878 de afschaffing van de gilden was afgekondigd, zochten verschillende beroepsgenoten naar nieuwe vormen van organisatie of vereniging om gezamenlijke belangen te behartigen en een nieuwe band tussen beroepsgenoten te laten ontstaan. Het verdwijnen van de gilden had leegten doen ontstaan in de maatschappelijke ordening.

Aanvankelijk legde de vereniging van 1810 zich toe op de onderlinge verkoop van boeken en het bieden van mogelijkheden tot onderling contact en gezelligheid. Toen echter in 1826 Groningen werd getroffen door epidemische koortsen en het koninkrijk in 1830 werd geconfronteerd met de Belgische Opstand, gaven de verenigings-leden blijk van caritatieve gevoelens (inv. nr. 101) en van vaderlandsliefde (inv. nr 102).

De hulpverlening en geldinzameling van 1826 zou overigens de kiem vormen voor de, door boekhandelaars en dergelijke ingestelde sociale voorzieningen voor hun werknemers (bedienden): overgebleven gelden, na de hulp aan door koortsen getroffen 'bedienden' en anderen werden in 1829 gestort in een liefdadigheidsfonds en in 1852 in de kas van een gereglementeerd 'Ziekenfonds' voor financiële steun bij ziekte of overlijden van 'bedienden'.

Vervolgens werden gelden afgezonderd voor een Pensioenfonds, het gasthuis en een Weduwen-fonds. In deze (grafische) bedrijfstak werd in een verbazingwekkend vroeg stadium voorzien in sociale werknemersverzekeringen (inv. nrs, 195-247). Overigens kenden ook de opgeheven gilden in voorgaande eeuwen sociale voorzieningen voor hun leden.

In veel geringere mate dan de gilden voor 1798, lukte het aan het Boekverkoperscollege om daadwerkelijke greep te krijgen op marktordening, handelsverkeer en prijsvorming. De politieke en economische opvattingen en beginselen uit die tijd stonden een dergelijke ordening van produktie- en handelsactiviteiten door een specifieke beroepsgroep nauwelijks meer toe (inv. nrs. 147-177). Evenmin lukte het om binnen de organisatie van beroepsgenoten, en dat in weerwil van de sociale zorg voor de 'bedienden', tegenstellingen tussen werkgevers (boekhandelaars, drukkers en dergelijke) en werknemers (de bedienden) te voorkomen (inv. nrs. 219); juist in deze bedrijfstak zouden overigens de eerste vakbonden opgericht worden.

Vanaf 1916 verloor de vereniging steeds meer aan vitaliteit en leidde een bijna slapend bestaan; pas na de omvorming van het College tot een afdeling van de Nederlandse Boekverkopers Bond in 1927 was er sprake van nieuwe impulsen en activiteit. Met name aan propaganda voor boek, boekhandel en literatuur werd in toenemende mate aandacht besteed. Niet alleen tentoonstellingen, maar ook lezingen en boekenweken werden (mede) georganiseerd (inv. nrs. 104- 120) en bovendien verleende het Groninger College medewerking aan scholing en beroepsvorming (inv. nrs. 178-179), een taak waarvan ook de gilden zich gekweten hebben.

Websites en bronnen:
Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis. Jaargang 2

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Eerste pageview van vandaag: 1