kunstbusgroningen

Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 09-12-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Groninger dracht

Wijze van zich te kleden en te versieren in de provincie Groningen, ca. 1750-1900. Het kenmerkende van de Groningerdracht is het samengaan van invloeden uit de algemene mode en traditionele eigen elementen.

De Groninger dracht heeft nooit een statisch karakter gekend. Midden 18de eeuw was het algemene beeld sober en degelijk. De Ierse schrijver en geleerde Thomas Nugent merkte in 1760 op dat de Groninger boeren allen uniform gekleed waren in donkerbruine wol, terwijl de vrouwen rokken van een soort grove zwarte flanel droegen.

Omstreeks 1775 heeft een omslag plaatsgevonden. In de boedelinventarissen van boerinnen en middenstandsvrouwen manifesteert zich een standaardbezit aan sieraden. Dat omvat een meestal zilveren oorijzer met doorgaans gouden stiften, een beugeltas en een chatelaine (kettinkje); iets minder vaak ook een halssieraad. De aanzet tot zo'n bezit valt al in het midden van de 18de eeuw te bespeuren. Zo'n samenhangend beeld vertonen de manneninventarissen niet, al nam het aantal zilveren en gouden knopen en dito gespen duidelijk toe. Het zijn daarom de vrouwensieraden die de eenvoudige plattelandsdracht hebben getransformeerd in de rijke Groninger dracht.

Het oorijzer heeft zich ontwikkeld tot het plattelandssieraad bij uitstek, in het bijzonder dat van de boerin. Begin 19de eeuw bezat zelfs 92% van de boerinnen die een inventaris nalieten een oorijzer. Bovendien was dat nu steeds vaker van goud. In anderhalve eeuw heeft het oorijzer, behalve in materiaalkeuze, ook in vorm en stijl grote veranderingen doorgemaakt. Van een smalle band is het uitgegroeid tot een min of meer gesloten vorm, duidelijk afwijkend van het Friese of Drentse model. Ook de bijbehorende stiften, mutsenspelden en voorhoofdsnaalden bleven niet hetzelfde. Drie verschillende technieken zijn toegepast; plaat- en draadwerk, draad- en cantillewerk en stempelwerk.

Opvallend is dat omstreeks 1830 sieraden uit de algemene mode zoals oorhangers, broches en armbanden, naar Groningse trant vervaardigd werden.

Sinds het begin van de 19de eeuw werd bij het oorijzer de floddermuts gedragen. Deze muts had een geborduurde of gebreide bol, waaraan een strook geplooide kant of tule was bevestigd. Deze strook viel eerst lang, geleidelijk aan kort. De floddermuts werd gecombineerd met de klot, een zwarte ondermuts. Daaronder kwam een nauwsluitend wit mutsje dat het kort afgeknipte haar omsloot. Op de hoofdbedekking na onderscheidde de vrouwenkleding zich weinig van de algemene mode.

Het enige verschil lag in het dragen van rok en jak in plaats van een japon. Deze volgden de snit van de algemene mode en zijn daarvan een plattelandsvariant.

De geschiedenis van de typische Groninger klederdracht gedragen door de rijke Groninger boer(inn)en zo tussen 1750 en 1850 moet in samenhang gezien worden met de meer algemene sociaal-economische en culturele ontwikkelingen van die periode. De Groninger dracht weerspiegelt de toenemende welvaart en het grote zelfbewustzijn van de rijke boerenstand. Na 1850 verdwijnt de Groninger dracht, omdat de boerenelite zich steeds meer gaat richten naar de stedelijke cultuur, ook op het gebied van de mode.

De Groninger plattelanders onderscheidden zich nauwelijks van de stedeling. Geert Reinders schreef in 1801 dat de Groninger boeren beter gekleed gingen dan elders in de Republiek. T.P. Tresling constateerde veertig jaar later dat mannen in klederdracht een bezienswaardigheid waren geworden. Verdwenen waren de korte broeken, breedgerande hoeden, lange rijen grote knopen. De boerenstand had zich inmiddels ontwikkeld tot een goed geïnformeerde, welvarende bovenlaag. Met de overwinning van het liberalisme in 1848 stond het provinciaal bestuur open voor de boeren.

Gevolg was dat de plattelandscultuur meer en meer moest wijken voor de stedelijke beschaving. Deze oriëntatie werd ook zichtbaar in de kleding. Een voorhoede van de boerinnen ging over op het dragen van de japon. Even later, omstreeks 1850, werd het oorijzer afgelegd. W.L. Dijkema, een vooraanstaande boer uit Midhuizen, schreef in 1850 dat het gouden oorijzer, 'dito plaat in het oor' met rasse schreden de vlucht nam voor de meer natuurlijke hoofdbedekking, het haar.

Ds. J.J. Bange uit Sappemeer riep in 1856 op het 'paardenhoofdstel' af te leggen. Hij deed dat in zijn berijmde pamflet Vaarwel aan de oorijzers.

Toch laat boedelinventarisonderzoek zien dat het met dat afleggen zo'n vaart niet liep. Niet alleen de meer eenvoudige plattelandsvrouw hield nog vast aan het oude statussymbool, maar ook rijke boerinnen deden dat, en zelfs in overdadige vorm. Oorijzers en toebehoren met (edel-)stenen bezet deden hun entree. Omstreeks 1900 was de eens zo algemene oorijzerdracht echter uitzondering geworden. Alleen vrouwen uit de hogere burgerij hadden er niet aan meegedaan.

De belangstelling voor de Groninger dracht is weer gaan leven in 1948. Ter vervanging van de in WOII verloren gegane collectie van het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem werd prinses Wilhelmina een nieuwe verzameling nationale klederdrachten aangeboden. Het Groninger Klederdrachten Comité dat zich op het verzamelen van Groninger stukken had toegelegd, besloot hierna door te gaan met zijn werkzaamheden, nu in de vorm van lezingen, shows en tentoonstellingen. Sinds 1984 is de Stichting De Groninger Dracht in zijn voetsporen getreden.

[Ast-Boiten]

Lit.: L Ast-Boiten en J. Boot-van der Vlis (red.), De Groninger Dracht. Kleding en sieraden 18e en 19e eeuw. Taal van een samenleving in verandering (Groningen 1997).Verwijzingen:
De Groningerdracht 1750-1900, Beeldvorming getoetst, Lies Ast-Boiten

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.