Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 13-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Groninger boerderij

De geschiedenis van de meeste Groninger boerderijen gaat terug tot de 6de eeuw v.Chr. Dit was de periode dat
zich in het kustgebied op de oeverwallen de eerste bewoners vestigden. De boerderijen die men toen bouwde hadden een opzet die meer dan twintig eeuwen stand zou houden. Het gebouw had de vorm van een langgerekte schuur. Voorin bevond zich het woongedeelte. Aanvankelijk zonder scheidingswand was de veestalling daarachter gelegen. In de veeschuur stonden de koeien met de koppen naar de buitengevel. In het midden liep de koegang. Op het zoldertje boven de stal bewaarde men allerhande gerij.

Dit boerderijtype ontwikkelde zich in de loop der tijden tot het zogenaamde langhuis. Hierbij staat voor de veestal, die nog steeds eenzelfde opzet heeft, een afzonderlijk uitgesproken woning.

In de loop van de 17de eeuw begon een proces waarbij de veestal werd vervangen door een veel grotere zogenaamde Friese schuur. Zo ontstond de kop hals romp boerderij, waarbij achter de bestaande kop en hals van het langhuis een nieuwe schuur gebouwd werd. De naam Friese schuur gebruikte men ter onderscheiding van de toen in Groningen gebruikelijke schuren, die men nadien Groninger schuren ging noemen.

Het langhuis heeft op sommige plaatsen tot in de 19de eeuw stand gehouden maar is inmiddels definitief verdwenen. In het Friese Wartena is een enig overgebleven exemplaar onlangs gerestaureerd en als museumboerderij ingericht.

De volgende boerderijtypen zijn nu nog wel op het Groningerland te zien:

1. De kop hals romp boerderij.
Dit bekende boerderijtype dankt zijn naam aan de gelijkenis met een liggende koe. Het woonhuis staat nooit midden voor de schuur, maar uit practische overwegingen altijd aan de kant van de koestal. Het woonhuis heeft een wat
steiler dak dan de schuur, als gevolg waarvan het relatief kleine voorhuis wat meer evenwicht biedt ten opzichte van de grote schuur. De zogenaamde hals vormt de verbinding met de schuur. In dit gedeelte bevindt zich van oudsher de keuken al dan niet in combinatie met de melkverwerking.
De grote schuur is in drie beuken opgedeeld. In het midden bevindt zich de grootste ruimte die gevormd wordt door de gebinten. De vakruimte tussen de gebinten worden in Groningen gollen of goulen genoemd. Hier wordt de oogst vanaf de grond tot in de nok opgetast. De zijbeuken hebben elk een eigen functie. De ene beuk is bestemd voor stalruimte. Hier staan de koeien twee aan twee met de koppen naar de buitenmuur, net zoals in het oude langhuis. Aan het boveneind van de stal bevindt zich de spoelruimte en de vertrekken voor het personeel.
Aan het achtereind vindt men nog een paar hokken voor varkens en een box voor een merrie met veulen. Boven de deze laatste stallen bevindt zich vaak de macht en nestruimte voor de kippen.
De andere beuk heeft een bestemming als deel. Hier reden de volle oogstwagens naar binnen en werd gedorst. Hij bood tevens ruimte voor de stalling van allerlei materieel en voertuigen.
De paardenstal is in het midden tegen de achtergevel gesitueerd. Helemaal voor in de schuur is plaats voor de melkkelder en de ruimte voor de melkbewerking.

De onderlinge verschillen in dit boerderijtype worden vooral veroorzaakt door het aantal schuren en de grootte en de vorm van het voorhuis. In Groningen is het voorhuis overigens zelden onderkelderd. Wel zie je af en toe dat er aan de zijgevel een laag doorlopende ruimte onder het doorgetrokken dak is aangebouwd. In deze ruimte is dan de
melkkelder ondergebracht in plaats van voor in de schuur. Een ander opvallend vormverschil is de beëindiging van het dak. Aanvankelijk is het zadeldak gevat tussen twee tuitgevels. Later wordt de toepassing van wolfseinden gebruikelijk.

2. De kop (hals) romp boerderij met dwarshuis.
Een bijzondere vorm en positie van voorhuis is het zogenaamde dwarshuis. Om het voorhuis een voornamer aanzien te geven greep men in de 19de eeuw terug op de klassieke principes van onder andere symmetrie. Dit bereikte men het beste door het voorhuis dwars voor de boerderij te plaatsen. Daarbij hoorde ook een symmetrische indeling van de plattegrond met een centrale gang met aan beide zijden een kamer. Het dwarshuis is vaak wel onderkelderd voor huiselijkhoudelijk gebruik. De oudste exemplaren hebben het voor Groningen zo typische wolfdak. Daarbij loopt de zijgevel hoger door dan de voorgevel, waardoor er nog via twee vensters licht op de zolder gebracht wordt. Het kleinere stukje dakvlak wat daarboven overblijft heet een wolfseind.

3. De kop(hals) romp boerderij met villa.
Tot aan de eeuwwisseling bleef men vasthouden aan de beschreven opzet. Dan verschijnen er onder invloed van (inter)nationale architectuurstromingen in plaats van de zojuist beschreven koppen en dwarshuizen woonhuizen in de vorm van villa's, Aanvankelijk in neostijlen of eclectisch. Daarna volgens de mode van de Jugendstil en later de Amsterdamse School.
Afgezien van hun specifieke stijlkenmerken vallen deze villa's op door hun alzijdige oriëntatie en vrijere situering ten opzichte van de traditionele opzet, waarbij altijd sprake was van een tamelijk star principe in dezen.

4. De kop romp boerderij.
Deze boerderij is over het algemeen kleiner dan zijn naamgenoot met hals. In Groningen komt dit model vooral voor in het Zuidelijk Westerkwartier. Hier is de schaal van de agrarische bedrijven beduidend kleiner dan die van het
Hogeland waar de kop hals romp algemeen is.
Behalve dat de uitvoering meer bescheiden is, blijft de indeling sterk verwant aan die van de grote broer.

5. De stelp.
De stelp is een boerderijvorm die hier rond 1850 vanuit Friesland zijn entree maakt. Men vindt deze alles-onder-één-dak boerderij vooral in het westelijk deel van de provincie. De schuurindeling is dezelfde als de eerder behandelde. De woning staat er niet apart voor, maar is vaak over de gehele breedte voor in de schuur geplaatst. Het front is in Groningen bijna altijd symmetrisch van opzet met een voordeur in het midden, hetgeen een verwijzing is naar de bouwperiode van na 1850.

6. De Oldambtster boerderij.
De opmars van de Oldambtster boerderij begint vanuit Oost-Friesland. Hier ontwikkelde zich uit het langhuis een boerderijmodel dat aanvankelijk bestond uit een grote schuur waar voor in de hoek, voor de koestal, een woning was ingebouwd.
In een volgend stadium bouwt men midden voor de schuur een woonhuis dat door een gang over de hele breedte van deze schuur is gescheiden. In het begin van deze ontwikkeling hield men het voorhuis lager dan de schuur, maar al gauw gaat men er toe over om alles onder één nok te brengen. Hierdoor ontstaat boven het woning een grote zolderruimte die gebruikt werd voor de opslag van zaad.
Om voldoende daglicht in het voorhuis te krijgen trok men hier de gevels hoger op. Zo kon men hier hoge vensters plaatsen. Via een aantal sprongen, die hier krimpen worden genoemd, bereikt de hoge voorgevel de veel lagere dakvoet van de schuur. De voorgevel is uitgevoerd als tuitgevel. Dat wil zeggen dat men de gevel ter plaatse van het dak met een rollaag of vlechtwerk beëindigt en de gevel bekroont met een schoorsteen.

Karakteristiek voor de Oldambtster boerderij zijn de vaak meerdere rijen zaadvensters boven elkaar ter plaatse van de zaadzolder.

Het voorhuis is bijna altijd onderkelderd. De grote kelder diende zowel voor huishuidelijk gebruik als voor melkkelder. Bij de Oldambtster boerderij vindt men voor in de schuur dan ook geen melkverwerkingsruimte. Hier loopt de deel door tot aan de voorgevel. In de krimp zijn ook dubbele uitrijdeuren aangebracht, die men bij de kop hals romp boerderij nooit zal vinden. Als de krimp te smal is worden de voordeuren ook wel in de zijgevel geplaatst.
Voor het overige komt de opzet en indeling van de schuur sterk overeen met die van de kop hals romp. Omdat in het Oldambt vroeger dan op het Hogeland het accent op de akkerbouw kwam te liggen is de stalruimte hier vaak beperkter. Zo staan de paarden hier op het benedeneind van de koestal, zodat midden achterin de schuur een extra gebintvak voor de oogstopslag beschikbaar is.

Door zijn praktische indeling genoot de Oldambtster boerderij een grote populariteit als gevolg waarvan dit boerderijtype een ruime verspreiding ook buiten Groningen kent. In de Groningse en Drentse en vaak ook Overijsselse veenkoloniën is de Oldambtster dé boerderij. Op het Hogeland maakt de Oldambster vanaf 1850 furore.

7. De Oldambtster boerderij met dwarshuis.
Bij de verdere ontwikkeling van de Oldambtster boerderij zijn vooral de veranderingen aan het woongedeelte opvallend. Onder invloed van de classicistische modes wordt bij verschillende boerderijen de tuitgevel vervangen
voor een wolfseind. Later door een nog lager dakschild waardoor de groot rondom het voorhuis op één hoogte kon doorlopen.
Ook in de gevelarchitectuur werd een bij de mode passende klassieke symmetrische indeling nagestreefd. Zo ontstaat het model met de voordeur in het midden in combinatie met een vaak opgesierde middenpartij, aan weerszijden twee vensters voor de woonkamers, een rij zaadvensters en dan het eindschild van het dak.
Om nog een duidelijker front te bewerkstelligen plaatste men ook hier, net als bij de kop hals romp boerderij, het voorhuis dwars voor de boerderij. Het Oldambtster dwarshuis heeft echter enkele typisch eigen kenmerken. Het staat bijvoorbeeld altijd midden voor de schuur en nooit terzijde, het is bijna altijd een hoog voorhuis waarbij de
nok op dezelfde hoogte ligt als die van de
schuur.

8. De Oldambtster boerderij met villa.
Een laatste stap in de geschiedenis van de Oldambtster boerderij betreft de vervanging van het voorhuis voor een villa. In tegenstelling tot het Hogeland, waar een vrijere situering algemeen is, blijft men hier ook de villa bijna altijd recht midden voor de boerderij situeren. De opzet blijft daarmee in principe overeind alleen de uiterlijke verschijning verandert drastisch. De villa's worden opgetrokken in de bouwstijlen zoals deze van het einde van de 19de eeuw tot WO-II in de mode waren. Een gemeenschappelijk kenmerk van de boerderijvilla's is bijna steeds de grote omvang ervan, waarbij sommige zelfs uitgroeien tot ware kasteeltjes.

9. De Westerwoldse boerderij.
Tot halverwege de tweede helft van de 19de eeuw was in deze streek het hallehuis het boerderijtype, in de volksmond ook wel de Saksische boerderij genoemd. Woning en bedrijf waren in de zelfde boerderij onder een dak en vaak in een ongedeelde ruimte ondergebracht, waarin de oogst werd opgeslagen.
Slechts een enkel exemplaar van deze middenlangsdeel boerderijen is nog herkenbaar overgeleverd. Toename van de oogsten door onder meer een beter waterbeheer van de gronden en door bezittingen elders leidden hier tot vervanging van de hallehuis schuur door een Oldambtster schuur. Vaak handhaafde men het voorhuis en bouwde de nieuwe veel grotere schuur daar simpelweg tegenaan. In Smeerling is deze manier van bouwen nog goed te zien. Het model dat aldus ontstond vormde ook vaak het uitgangspunt voor geheel nieuw te bouwen boerderijen in dit gebied. Behalve deze kenmerkende opzet onderscheidt deze Westerwoldse boerderij zich in de constructieve en functionele opbouw van de schuur. Men heeft als het ware de oude schuur met middendeel overlangs doormidden
gesneden en deze helften zover uiteengeschoven dat er Oldambtster gebintvakken tussen konden worden gezet. Zo ontstond een vijfbeukige schuur met in het midden de tasruimte die hier in tegenstelling tot het oude model vanaf de grond werd opgetast.
Aan beide zijden had men een deel waarbij in de beide buitenste beuken het vee gestald werd. Ook hier aanvankelijk in potstallen, omdat het vooral om de mest ging. Later ging men ook hier over op groepstallen toen
de hygiene van de melkweiderij ging meespreken.

ro. De Gorechtse boerderij.
Ook in het Gorecht is de middenlangsdeel boerderij het oorspronkelijke boerderijtype. Daarvan zijn nu nauwelijks nog herkenbare exemplaren over. Wel van de grotere variant van dit type, de dwarsdeel. In feite komt dit type voort uit de onhandigheid van een grotere lengte van de schuur waar alles via de achteringang er in en uit moest. Zo konden de achterste spullen soms alleen met de nodige moeite naar buiten. Om dit te ondervangen maakte men
toegangen in de zijgevel en benaderde men de gehandhaafde middendeel dus dwars. Het Gorecht is overigens een typisch overgangsgebied waar bijna alle eerder genoemde boerderijtypen ook voorkomen. Zo stamt één van
de vroegste beschrijvingen van een Friese schuur in Groningen uit dit gebied.

Overigens leidde de natuurlijke omstandigheden van het esdorpenlandschap tot grote aantallen kleine boerderijen of keuterijtjes. Opvallende exemplaren zijn de boerderijen die ogenschijnlijk eenzelfde opzet lijken te hebben als de Westerwoldse. Tegen een klein voorhuis, wellicht ook van het oude Saksische keuterijtje wordt ook hier een grotere schuur gebouwd. Deze is echter van een veel geringere omvang en heeft ook een 'normale' driebeukige indeling. Men kan ook hier spreken van een Gorechtse boerderij.

Boerderijen Stichting Groningen

De Boerderijen Stichting Groningen heeft het bevorderen van de landelijke bouw- en heemkunst in Groningen, in het bijzonder die van “boerderijen ten doel. Zij geeft voorlichting aan eigenaren van (monumentale) boerderijen

met betrekking tot zaken als onderhoud,
restauratie, verbouw en subsidiemogelijkheden. Daarnaast tracht de BSG projecten te ontwikkelen ter bevordering van de instandhouding van boerderijen en boerenerven. Voorbeelden hiervan zijn het herstelproject boerderijen in het Herinrichtingsgebied en het herstelproject Slingertuinen in het Oldambt. Voor haar donateurs organiseert de BSG jaarlijks een excursie. Het secretariaat van de BSG vindt onderdak in pakhuis Libau te Groningen.

Boerderijnamen

Namen van boerderijen vinden we in Groningen sedert de vroege middeleeuwen, bijv. Houa 'bij de hofstede', 10de
eeuw, thans De Houw ten oosten van Ulrum.
Ook nu nog zijn boerderijnamen in alle delen van de provincie gebruikelijk, zoals o.a. de publicaties aantonen waarin de boerderijen van talrijke landbouwdistricten zijn beschreven (de zogenaamde boerderijenboeken). Karak-
teristieke grondwoorden en achtervoegsels zijn naast het unieke -heerd/-heert (Feddemaheerd) vooral -weer (Menneweer), -heem (Hoogheem), -stedef-stee (Hillemastede), -borg (Baatjeborg) en het oorspronkelijk niet
inheemse, vrij modieuze -hoeve (Elisadahoeve). Westerwolds zijn boerderijnamen op -ing en-s (Hilling, Nannes). Ook toponymische vernoemingen komen voor (Transvaal). Als adviserend orgaan inzake autochtone Groninger boerderijnamen treedt sedert 1938 de Groninger Heerdencommissie op.

Boerderij- of agritoerisme
Na een periode waarin de landbouw weinig of geen pottekijkers duldde en de optimalisatie van de technische bedrijfsvoering voorop stond, laten in de jaren '90 veel boeren weer graag zien waar ze mee bezig zijn. Deels onder druk van de groter wordende aandacht voor het welzijn van dieren, milieuwetgeving en aandacht voor het platteland ontstaan op tal van boerderijen nevenactiviteiten, zoals kamperen bij de boer, biologische teelten (biologische landbouw), open dagen, arrangementen, verkoop aan huis e.d. Zo bestaat er sinds 1990 de Vereniging van Kampeerboeren (VKBO) met als motto 'Recreëren op het platteland'. In 1992 telde deze vereniging in Groningen zes en in 2000 zestien kampeeradressen (landelijk zijn het er duizend).
Zeven van deze adressen in Groningen zijn verbonden aan een agrarisch bedrijf. Ook landelijk is ongeveer een derde van het ledental verbonden aan een agrarisch bedrijf.


Eerste pageview van vandaag: 1