Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 17-08-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Groninger Boekverkopers College

In 1810 besloten enkele vooraanstaande boekdrukkers en boekhandelaars tot de oprichting van het Groninger Boekverkopers College. Nadat in 1878 de afschaffing van de gilden was afgekondigd, zochten verschillende beroepsgenoten naar nieuwe vormen van organisatie of vereniging om gezamenlijke belangen te behartigen en een nieuwe band tussen beroepsgenoten te laten ontstaan. Het verdwijnen van de gilden had leegten doen ontstaan in de maatschappelijke ordening.

Geschiedenis
De boekdrukker, die veelal tevens boekverkoper was, diende zich in de zeventiende en achttiende eeuw aan te sluiten bij het Kremersgilde. Algemeen wordt aangenomen, dat Gerhard Ketel, die in ongeveer 1597 een strijdschrift van de bekende Groninger geleerde Ubbo Emmius drukte, daarmee als eerste in Groningen drukwerk vervaardigde.

In 1614 begon Hans Sas zijn werkzaamheden als Academiedrukker. Geleidelijk vestigden zich boekdrukkers in de Stad. De stadsregering kende bovendien een stadsdrukker.

Vrij spoedig en vrij lang hebben de boekdrukker-boekverkopers in Groningen geprobeerd een eigen groepering en een zelfstandige gilde te vormen, toegespitst op hun bijzondere belangen en speciale beroepseisen. Tot een geheel zelfstandige gilde heeft men niet kunnen reiken, maar binnen het grote Kremersgilde werd hun groepsvorming, zelfs onder de naam van gilde, toegestaan.

Het aantal boekdrukkers en boekverkopers steeg in de stad tot een relatief hoog aantal, mede door dienstverlening aan en verkoop naar het platteland. De drang tot een eigen belangen-organisatie bleef groot en in de achttiende eeuw was er sprake van diverse pogingen tot aaneensluiting en een vereniging (circa 1724: Participanten-Vereniging; circa 1784: poging een nieuwe eigen gilderol te verkrijgen; circa 1788: de Vereniging 'Smoor'). Tenslotte werd in 1807 naast 'Smoor' nog een boekverkopers-gezelschap gevormd, dat echter zes jaar later weer werd opgeheven.

In 1810 besloten enkele vooraanstaande boekdrukkers en boekhandelaars tot de oprichting van het Groninger Boekverkopers College. Nadat in 1878 de afschaffing van de gilden was afgekondigd, zochten verschillende beroepsgenoten naar nieuwe vormen van organisatie of vereniging om gezamenlijke belangen te behartigen en een nieuwe band tussen beroepsgenoten te laten ontstaan. Het verdwijnen van de gilden had leegten doen ontstaan in de maatschappelijke ordening.

Aanvankelijk legde de vereniging van 1810 zich toe op de onderlinge verkoop van boeken en het bieden van mogelijkheden tot onderling contact en gezelligheid. Toen echter in 1826 Groningen werd getroffen door epidemische koortsen en het koninkrijk in 1830 werd geconfronteerd met de Belgische Opstand, gaven de verenigings-leden blijk van caritatieve gevoelens en van vaderlandsliefde.

De hulpverlening en geldinzameling van 1826 zou overigens de kiem vormen voor de, door boekhandelaars en dergelijke ingestelde sociale voorzieningen voor hun werknemers (bedienden): overgebleven gelden, na de hulp aan door koortsen getroffen 'bedienden' en anderen werden in 1829 gestort in een liefdadigheidsfonds en in 1852 in de kas van een gereglementeerd 'Ziekenfonds' voor financiƫle steun bij ziekte of overlijden van 'bedienden'.

Vervolgens werden gelden afgezonderd voor een Pensioenfonds, het gasthuis en een Weduwen-fonds. In deze (grafische) bedrijfstak werd in een verbazingwekkend vroeg stadium voorzien in sociale werknemersverzekeringen. Overigens kenden ook de opgeheven gilden in voorgaande eeuwen sociale voorzieningen voor hun leden.

In veel geringere mate dan de gilden voor 1798, lukte het aan het Boekverkoperscollege om daadwerkelijke greep te krijgen op marktordening, handelsverkeer en prijsvorming. De politieke en economische opvattingen en beginselen uit die tijd stonden een dergelijke ordening van produktie- en handelsactiviteiten door een specifieke beroepsgroep nauwelijks meer toe. Evenmin lukte het om binnen de organisatie van beroepsgenoten, en dat in weerwil van de sociale zorg voor de 'bedienden', tegenstellingen tussen werkgevers (boekhandelaars, drukkers en dergelijke) en werknemers (de bedienden) te voorkomen; juist in deze bedrijfstak zouden overigens de eerste vakbonden opgericht worden.

Vanaf 1916 verloor de vereniging steeds meer aan vitaliteit en leidde een bijna slapend bestaan; pas na de omvorming van het College tot een afdeling van de Nederlandse Boekverkopers Bond in 1927 was er sprake van nieuwe impulsen en activiteit. Met name aan propaganda voor boek, boekhandel en literatuur werd in toenemende mate aandacht besteed. Niet alleen tentoonstellingen, maar ook lezingen en boekenweken werden (mede) georganiseerd en bovendien verleende het Groninger College medewerking aan scholing en beroepsvorming, een taak waarvan ook de gilden zich gekweten hebben.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.


Er is nog niet op dit artikel gereageerd.

Pageviews vandaag: 9.