Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 24-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Groninger architectuur

Groningen heeft weinig wereldse architectuur uit de Middeleeuwen. Wel zijn er veel kerken bewaard gebleven in de stijl van de romano-gotiek.

De eerste huizen waren driebeukige hallenhuizen. Het middeleeuwse hallenhuis is de stamvader van veel latere boerderijtypen. Het voorziet in een breed middenvak, de middenbeuk, met aan weerszijden zijbeuken.

Veranderende eisen ten aanzien van de warmtehuishouding, functie en binnenruimte hadden in de 15de eeuw een nieuw type woonhuis tot gevolg, namelijk het houten eenbeukige hallenhuis (zaalhuis).

Een beuk is in de kerk één van de in de lengterichting of dwarsrichting gelegen ruimten tussen de pilaren, of tussen de pilaren en de zijmuren.
Bij de ruimtelijke indeling van andere gebouwen dan kerken is een beuk een door hoofdmuren begrensde ruimte die in de regel afzonderlijk overkapt is. Eénbeukige woningen zijn gebouwen die (meestal in de breedte van de woning) uit één stramien bestaan. Een stramien is een reeks van objecten in eenzelfde maatvoering, breedte of zetting. In de bouw wordt de breedte van het stramien ook beukbreedte genoemd.


In de 16de eeuw kwam een proces op gang van het bouwen in steen in plaats van in hout. In de periode 1400-1600 werden losse stenen onderdelen als achter- en zijkamers aan het zaalhuis vastgeplakt. Daarna gingen deze ruimten een onlosmakelijk onderdeel vormen van het huis.

Resten van middeleeuwse huizen zijn in de stad Groningen onder meer te vinden in het gotisch huis (Brugstraat 24) en het pand Grote Markt 39/hoek Gelkingestraat (het huis der Gelkingers).

Interieur: rond 1600 ontwikkelde de zaal zich tot een meer representatieve ruimte. De huiselijke bezigheden en de keukenfunctie werden uit deze ruimte verwijderd en meestal verplaatst naar de achterkamer. Plafonds werden beschilderd.
Vanaf 1650 kwamen verschillende veranderingen op gang. De aanvankelijk indirecte verlichting maakte plaats voor directe. Kort na 1700 werd het stucplafond populair. De beschilderde plafonds raakten uit de mode, maar soms
bevond zich in het midden nog wel een grote plafondschildering, die echter na 1750 verdween. Eveneens rond 1700 kwam het schuifvenster in de plaats van het kruiskozijn.

Exterieur: uit de tijd vóór 1600 zijn in Groningen nauwelijks (wereldlijke) gebouwen bewaard gebleven. Tegen 1600 deed het maniërisme zijn intrede. Vooral de gelede topgevel met klauwstukken geeft de Groninger bouwkunst uit de eerste helft van de 17de eeuw een eigen karakter. De stijl kenmerkt zich door het gebruik van de schelp als siermotief, de smalle zogenaamde Groningse ramen en een vrouwenfiguur in het beeldhouwwerk van topgevels (Huis Panser, thans Grote Markt 26).

Het Hollands classicisme maakte weinig indruk in Groningen. Deze stijl onderscheidde zich door festoenen en een strengere indeling of enkel siertrossen in de voluutvormige vleugelstukken van de grote trappen (Oude Ebbingestraat 39, gebouwd in 1661).

De 18de eeuw liet meer bouwactiviteit zien en kenmerkt zich door een rijke en weelderige stijl. In Groningen was de Lodewijk XIV-stijl uit het begin van de 18de eeuw vooral als decoratiestijl ingeburgerd. Een belangrijk kenmerk van deze stijl zijn de forse vormen en de stoutmoedige stapeling van draperieën en voluten in het houtsnijwerk (Vismarkt 23 uit 1723).

De daarna volgende rococostijl beantwoordde in Groningen aan de lokale smaak en werd met zwier toegepast bij bijvoorbeeld het huis aan de Ossenmarkt 3. Voor eenvoudiger woonhuisgevels en kleinere gasthuizen hield men zich in 18de eeuw aan de halsgevel (Zeylsgasthuis, Visserstraat 50).
In de tweede helft van de 18de eeuw ontstond onder invloed van het rationalisme de strakke Lodewijk XVI-stijl, zoals die in het stadhuis terug te vinden is, met een voorliefde voor klassieke motieven als pilasters en frontons.

Architectuur 1800
De opleving van historische bouwstijlen in de 19de eeuw (historische stijlen en eclecticisme) wordt in Groningen
vooral vertegenwoordigd door architecten J.G. van Beusekom (neoclassicistische Korenbeurs, 1863) en G. Schnitger (zijn villa's Ubbo Emmiussingel 2, 1881 en Hereplein, vertonen een meer internationaal eclecticisme met Duitse en Franse invloeden).

P.J.H. Cuypers, de Nederlandse wegbereider van de neogotiek, bouwde in de stad Groningen twee grote katholieke kerken: de inmiddels gesloopte Martinuskerk (1893) aan de Broerstraat en de St-Jozefkerk aan de Rademarkt (1886). In de provincie Groningen bouwde hij rooms-katholieke kerken in Kloosterburen (1868) en Sappemeer (1872).
Andere architecten die in de neogotische stijl bouwden zijn J. van Lokhorst (Mineralogisch-Geologisch Instituut, 1898; Physisch Laboratorium, 1899), P.MA. Huurman (Oude Boteringestraat 59, 1896) en A.Th. van Elmpt (Oude Kijk in 't Jatstraat 15, 1896) en rijksbouwmeester C.H. Peters (vml. gemeentelijk ontvangerskantoor Reitdiepskade 1, 1883; Groninger Museum van Oudheden, 1894 en raadhuis van Winschoten, 1895).

J. van Lokhorst, J.A.W. Vrijman, A. Salm en in de provincie O. de Leeuw Wieland bouwden in een neorenaissancestijl.

Ook een andere belangrijke bouwmeester en architectuurvernieuwer, H.P. Berlage, was in Groningen present, zowel in de stad als op het platteland. In een aan Berlage verwante sobere baksteenarchitectuur (rationalisme)
werkten onder meer AL. van Wissen (raadhuizen van Winsum, 1906; Uithuizen, 1907; Uithuizermeeden, 1908), J.A. Mulock Houwer, A.R. Wittop Koning, T.J. Kuipers, Y. van der Veen (synagoge, 1905).

De art nouveau of jugendstil is in Groningen redelijk vertegenwoordigd. Belangrijke Groninger ontwerpers in deze weelderige stijl zijn A.Th. van Elmpt en P.M.A. Huurman en in de provincie J. Siccama en T. Reitsema.

De expressionistische architectuur van de Amsterdamse School was in de jaren '20 en '30 in Groningen populair en heeft dan ook in ruime mate zijn sporen nagelaten, zij het veelal in een verzakelijkte Groninger variant. In de stad Groningen werden, in een tijd van grote bouwproductie, heel wat nieuwe wijken in deze architectuur aangelegd (Oosterparkwijk, Korrewegbuurt, Helpman, Oranjebuurt). Van belang was vooral S.J. Bouma, die als gemeentearchitect een Amsterdamse School-stempel op Groningen drukte. Andere ontwerpers in de (Groninger
variant van) de Amsterdamse School zijn bijvoorbeeld Evert van Linge, Kuiler & Drewes en Egbert Reitsma. In de provincie waren vooral J. Kruijer, B. Jager, A. Wiersema, Van Hoorn & Benninga, E. Rozema, S.A. Veenstra en W. Reitsema Tzn. actief.

Het modernisme in de architectuur (Functionalisme, Nieuwe Zakelijkheid, Nieuwe Bouwen) kreeg in het vooroorlogse Groningen niet echt voet aan de grond. Opmerkelijk genoeg staat het gebouw dat algemeen wordt
beschouwd als het eerste echt moderne gebouw in Nederland in de stad Groningen. De toenmalige Mrs aan de Petrus Driessenstraat van J.G. Wiebenga en L.C. van der Vlugt dateert van 1922. Enkele andere voorbeelden van het Nieuwe Bouwen zijn de villa 'Linea Recta' in Zuidhorn (1925) van Van der Vlugt en een villa aan de P. van Dijkstraat te Winschoten (1936) van H.P.C. de Haan.

De Delftse School, die in de jaren '30 opgeld deed met MJ. Granpré Molière als belangrijkste pleitbezorger, stelde de vaderlandse baksteenbouw en het hoog opgaande dak centraal. In deze traditionalistische stijl ontwierp S.J. Bouma het woningbouwproject aan de Turfsingel in 1937. Ook in de provincie Groningen vindt men voorbeelden van deze architectuur, zij het in een vaak afgeleide, afgezwakte vorm: Delfzijl (kantoorgebouw J. Beckering Vinckers, 1939), Meedhuizen (boerderij E. Reitsma, 1947) Glimmen, kerk E. Reitsma 1949), Woldendorp (boerderij, NJ. Kruizinga, 1948), Winsum (woonhuis K.G. “Olsmeijer 1939).

Architectuur 1950 - heden
Direct na de oorlog waren er twee taken: het opvullen van de door oorlogshandelingen gevallen gaten en het
bestrijden van de woningnood door zo snel mogelijk veel woningen te bouwen. De wederopbouwarchitectuur is voor een belangrijk deel gebaseerd op de functionalistische architectuur. Bij de woningbouw was verkaveling en typologie geheel op de kwantiteit gericht: lange rechte straten met aan weerszijden bebouwing, hoofdzakelijk portieketagebouw.
Opvallend in Groningen is dat er al vroeg, vanaf 1950, een geïndustrialiseerd bouwsysteem, het systeem Rottinghuis, in grote aantallen werd toegepast. Tussen 1949 en 1969 werden er in Groningen 3881 woningen mee
gebouwd, het gros ontworpen door het bureau van E.F. Klein. In de provincie was vooral J. Martini actief. Andere in de wederopbouw werkzame architecten waren K.G. Olsmeijer, H.J. van Wissen, Nijhuis & Reker (P.L. de Vrieze), E. Reitsma en zoon en D. Broos. In de Groninger binnenstad is veel wederopbouwarchitectuur te vinden, met name rond de Grote Markt.

De jaren '60 stonden in het teken van schaalvergroting en kwantitatieve groei. De nadruk werd gelegd op seriematige bouw met een heldere structuur en een efficiënte opbouw. Een opzet met horizontale vensterstroken en steenachtige borstweringen is in Groningen veelvuldig te zien. Voorbeelden hiervan zijn het verzorgingsflat De Wijert (1961) en de Technische School Sybrandus Stratingh (1963) van F. Klein, het kantoorgebouw op de hoek Oude Boteringestraat/Rode Weeshuisstraat (1965-68) van C.H. Bekink en het Diaconessenhuis (1950-1965), van J.P. Kloos.
Grote massieve hoogbouwcomplexen verrezen: de vier identieke rijkskantoren op de Kempkensberg (1969-81) van Olsmeijer, Bekink ea, en het WSN-gebouw op het universiteitsterrein Paddepoel (1963-71) van Arend van Linge.

Tegen deze wijze van bouwen ontstond aan het eind van de jaren '60 verzet. Men zette zich af tegen de saaiheid en uniformiteit en het ontbreken van de menselijke maat. De discussie over kwaliteit werd aangezwengeld, vooral door het aantreden van nieuwe politici. Hoogbouw in de woningbouw werd grotendeels afgeschaft, daarvoor in de plaats kwam kleinschalige architectuur, waarbij herbergzaamheid, geborgenheid en ontmoeting een belangrijke rol spelen. In Groningen werden op structuralistische grondslag de wijken Beijum en Lewenborg gerealiseerd. Ook Piet Bloms gebouw voor Academie Minerva (1976-84) getuigt van die mentaliteit.

De reactie op deze kleinschaligheid ontpopte zich in de loop van de jaren '80 als een verlangen naar nieuwe stedelijkheid, die in Groningen leidde tot een stevige koersverandering in het architectonische beleid en daarmee tot een heel ander stedelijk beeld.
Was Max van den Berg nog de stad-Groninger wethouder van de stadsvernieuwing, onder zijn opvolger Ypke Gietema maakte Groningen naam als architectuurstad. Het deelplan van Mecanoo/Roelf Steenhuis voor de nieuwe
stad-Groninger woonwijk Hoornse Meer (1986-1990) kreeg met zijn stroken woningen en 'urban villas' in een frisse bepleistering en modernistische vormgeving al snel een voorbeeldfunctie. Andere opmerkelijke projecten uit de tweede helft van de jaren '80 zijn bijvoorbeeld de Brinkflats van Rem Koolhaas{/oma (1983-89), de ver- en nieuw-
bouw van de voormalige Wolters-Noordhoff-drukkerij (Moesstraat, Akkerstraat, 1987-88) van Cees Rijnboutt en de woningbouw op het voormalige Slachthuisterrein van Cees Nagelkerke (1986-89).

In de stad Groningen wordt in de jaren '90 ten aanzien van architectuur en stedenbouw een zgn. open planproces voorgestaan, een vorm van beleid dat niet zozeer regulerend als stimulerend is en niet direct tot pasklare gebouwen hoeft te leiden, maar ook de communicatie op gang moet brengen. Door ontwerpers van naam aan te trekken, kan, zo is het idee - de omgeving worden opgewaardeerd en ontvangt de stad nieuwe impulsen. Daarbij horen veel architecten uit het buitenland, waaronder de Italianen Alessandro Mendiní (Groninger Museum), Giorgio Grassi (Openbare Bibliotheek) en Adolfo Natalini (Waagstraat), de Fransman Henri Ciriani (woongebouw Melkweg), de
Duitser Josef Paul Kleihues (supervisie Zone Verbindingskanaal, woongebouw Praediniussingel). Ook bij bijzondere projecten als de videopaviljoens van What a Wonderful World!, de Stadsmarkeringen en A Star is Born, die in Groningen het culturele aspect van architectuur en stedenbouw aan de orde stellen, zijn buitenlandse architecten van naam ruim vertegenwoordigd. In Leek heeft de bekende Belgische ontwerper Charles Vandenhove een luxe wooncomplex gerealiseerd.

Van de Groninger architecten(bureaus) heeft vooral Karelse Van der Meer een landelijke reputatie opgebouwd. Ook het jonge bureau Onix maakt landelijk furore. Oving, Team 4 en KAW hebben al een lange staat van dienst, de laatste vooral op het gebied van volkswoningbouw en renovatie. Andere actieve Groninger architecten(bureaus) zijn bijvoorbeeld AAS, Artês, Pim Benus, Holvast en an Woerden, Johannes Moehrlein, Olga, Otonomo, Jacob van Ringen en Daan Scheffer, specialisten op restauratiegebied in het bijzonder OVT (voorheen P.L. de Vrieze) en
Van der Veen en Bos. Van de niet-Groninger architectenbureaus uit het Noorden zijn in Groningen vooral die van Gunnar Daan en Cor Kalfsbeek (sinds 1997 DAAD Architecten) uit Borger actief. Het laatste tekende ondermeer voor het Pensioenfonds van de PTT, cq. KPN en fungeerde als ondersteunend bureau bij de realisering van Grassi's Openbare Bibliotheek en van het Waagstraat-project.
Tot de instellingen die hebben bijgedragen aan het architectuurklimaat in Groningen behoren de Vereniging tot bevordering der Bouwkunst en het aan de Dienst RO/EZ van de Gemeente Groningen gelieerde Centrum voor Architectuur en Stedebouw (CAS), dat vooral tentoonstellingen heeft georganiseerd.
In 1999 is het CAS geprivatiseerd om als Platform Groningen Architectuur en Stedenbouw (GRAS) verder te gaan. GRAS wil ook actief zijn in de wijken en zijn activiteiten nadrukkelijk onder de aandacht van een breed publiek brengen.


Pageviews vandaag: 2.