Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 13-04-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Gorecht

Het Gorecht is de naam van het oude rechtsgebied ten noordoosten, maar vooral ten oosten en zuiden van de stad Groningen. Het dorp Groningen, op de staart van de Hondsrug, behoorde oorspronkelijk ook tot dit rechtsgebied, maar groeide in de Middeleeuwen uit tot een stad en daarmee een eigen rechtsgebied.



Het Gorecht bestaat uit twee delen. De hoge zijde, of het Go, is de zandstreek en bestaat uit de nederzettingen Essen, Haren, Onnen, Noordlaren en Glimmen. De lage zijde is de Hunzestreek, ook wel het Drenterwold of het Wold genoemd. Hier liggen de nederzettingen Wolfsbarge, Kropswolde, Foxhol, Westerbroek, Middelbert, Engelbert en Noorddijk. De geografische ruimte van het Gorecht wordt steeds meer ingenomen door de met name in de 20e eeuw sterk gegroeide stad Groningen.

Deelgebied het Gorecht wordt in het noorden begrensd door de deelgebieden Middag-Humsterland en het Centrale Woldgebied. In het oosten liggen de deelgebieden Duurswold en de Oude Veenkoloniën, in het zuiden deelgebied Oostermoer en in het westen deelgebied Noordenveld.

Geologie
Drenthe en ook deelgebied Gorecht werden in sterke mate gevormd door de ijstijden. In de voorlaatste ijstijd het Saalien, ongeveer 150.000 jaar geleden, kruide een tientallen meters dikke laag ijs over Drenthe naar het zuidoosten. Dit Scandinavische landijs liet een laag keileem achter, waarin ook zwerfstenen uit Zuid-Zweden zaten. Er werd een aantal zand- en keileemruggen gevormd, die als geheel het Hondsrugsysteem wordt genoemd. Deze Hondsrug is in het noorden bij Groningen 2 kilometer en in het zuiden 7 kilometer breed. De hoogte is voor een groot deel twintig meter boven NAP, maar daalt bij Anloo en Annen tot vijftien meter boven NAP. In de Herestraat in de stad Groningen ligt nog een 9 meter hoge heuvel als laatste uitloper van de Hondsrug. Volgens de jongste inzichten werd de Hondsrug gevormd als gevolg van het onder het ijs wegstromende water in de richting van een zeer groot meer in Duitsland en door een serie drukverschillen in de ondergrond. Na de ijstijden bleven onder meer tussen Haren en Noordlaren talloze pingoruïnes achter, bijvoorbeeld in het natuurgebied de Appelbergen.

Vroegste bewoning
De vroegste sporen van menselijke aanwezigheid zijn teruggevonden op de uitloper van de Hondsrug waar nu de gemeente Haren ligt. Het zijn de restanten van een jagerskamp bij Haren (Sassenhein) uit de Hamburgcultuur, rond 10.000 jaar v.Chr. Met de komst van de Trechterbekercultuur (3400-2900 v.Chr.) begon hier een periode van permanente bewoning. De Hondsrug in het deelgebied Gorecht was hierbij vrij dicht bevolkt. Het bewaard gebleven hunebed van Noordlaren (G1) wijst daar op. Ook de twee hunebedden van Midlaren (D3 en D4) en de sporen van drie vernielde hunebedden bij Glimmen en Onnen (G2, G3 en G4) uit deze periode tonen bewoning aan. Bij het hunebed van Noordlaren werden voorts scherven van aardewerk, pijlpunten, bijlen en barnstenen kralen gevonden. Ook de vondst van een offerbijl bij Noordlaren en grafheuvels bij Haren zijn bewijzen van bewoning. In het centrum van de stad Groningen zijn eveneens uit deze periode reeds archeologische vondsten bekend.

Ook na de Trechterbekercultuur bleven mensen op de Hondsrug wonen. Van de Standvoetbekercultuur is bij Onnen een bijenkorfgraf gevonden, net als een aantal stenen strijdhamers. Ook van de Klokbekercultuur (2700-2100 v.Chr.) zijn vondsten bekend, zoals een grafheuvel bij Harenermolen. Deze kende vier fasen van bijzetting, van 2000 v.Chr. tot de Bronstijd 900 v.Chr. Uit al deze perioden zijn grafgiften gevonden, van een stenen polsbeschermer en barnstenen kralen uit de eerste begravingen tot urnen en bronzen scheermesjes uit de Late Bronstijd.

Middeleeuwen
Op de betrekkelijk hoge en droge Hondsrug was dus wellicht continuïteit van bewoning, al was de bevolking rond het begin van de jaartelling aanmerkelijk geringer. Dit heeft waarschijnlijk te maken met migratie naar het noordelijke kleigebied. Vermoedelijk zijn de Hondsrugnederzettingen Noordlaren, Glimmen, Onnen, Haren, Helpman en Groningen ontstaan in de Romeinse tijd (50 v.Chr.-400 n.Chr.). De structuur van deze nederzettingen is dezelfde als die van de dorpen op het Drentse deel van de Hondsrug. De landbouwers bedreven akkerbouw op kleine huisakkers en veeteelt op de lager gelegen gronden langs de beken. De boerderijen lagen op de flanken van de Hondsrug. De oudste essen grensden aan de kleine huisakkers, terwijl latere ontginningen verder van de nederzettingen lagen. Ten behoeve van de afwatering werden sloten naar de beken gegraven. Om de landerijen te beschermen tegen het water van de Drentsche Aa en de Hunze werden vanaf de 12e eeuw dijkjes aangelegd, ook om het zoute water uit het noorden te keren. Tot in de 19e eeuw stroomde dit zoute water tot in het Gorecht, via Reitdiep en Hunze (Drents Diep). De dijkjes fungeerden vaak als wegen, zoals de Meerweg en de Hoornschedijk.

Vanuit Humsterland werden het Gorecht en Drenthe gekerstend. Dat betekende dat er op verschillende plaatsen houten kerken werden gebouwd, onder andere in de nederzetting Groningen in de 9e eeuw (gewijd aan Sint Maarten). Ter versterking van het religieuze leven in de regio werd in 1215 het klooster Yesse (Essen) gesticht, een cisterciënzer vrouwenklooster tussen Haren en Groningen. Door de sterke bevolkingsuitbreiding in de 11e eeuw verrezen er ook kerken in Haren en Noordlaren, waarbij de laatste nederzetting zich afsplitste van Zuidlaren. Het gehele Gorecht werd in 1040 door de Duitse keizer aan de bisschop van Utrecht geschonken, die zowel het geestelijke als wereldlijke gezag uitoefende. Vlak naast de St Maartenskerk werd een nieuwe kerk gebouwd, de St Walburgkerk. In de volgende eeuwen wist Groningen het gezag van de bisschop af te schudden en zich te ontwikkelen tot een ommuurde stad. De stad beschermde zich door middel van een aantal burchten tegen vijandelijke indringers, onder meer bij Noordlaren in de Besloten Venen. Dit werd ook de grens tussen de latere provincies Groningen en Drenthe. In 1392 kreeg de stad Groningen het Gorecht in pacht en mocht recht spreken over het gebied. In 1460 werd het Gorecht van de bisschop gekocht en begon de ontwikkeling van Groningen als een echte stadstaat.

Buiten de stad Groningen was het Gorecht verdeeld in twee marken, waarin alle rechthebbende boeren participeerden. In de noordelijke marke lagen de dorpen Haren en Onnen en de buurschappen Felland, Essen, Hoornschedijk en Dilgt. De zuidelijke marke omvatte de dorpen Noordlaren en Glimmen en de buurschap Harenermolen. De markegenootschappen waren oorspronkelijk ook eigenaren van de onverdeelde veengebieden.
Ten oosten van de Hunze begon het zeer omvangrijke Bourtanger Moeras. Kloosters uit Stad en Lande en ook rijke burgers van Groninger begonnen vanaf de 13e eeuw dit veengebied te exploiteren, om de brandstof turf te winnen. Klooster Aduard begon daarmee in het zuiden, tussen Annerveen en Kropswolde. Hier ontstond de zelfstandige parochie Wolfsbarge. Ten noorden daarvan lagen de venen van het klooster Yesse/Essen. De turf werd hier afgevoerd via de Hunze. Bij de uithof van klooster Yesse kwam een kapel te staan en hier ontstond de nederzetting Kropswolde. Vanuit Onnen en Noordlaren werd in de 13e eeuw ook gestart met de ontginning van de venen rond Westerbroek. De noordgrens van het gebied werd gevormd door de Borgwal, een veendijk van rond 1300, die het gebied beschermde tegen de Hunze. De turfvaart op de Hunze werd vanaf 1403 beheerst door het Groninger schuitenschuiversgilde.

Nieuwe Tijd (1500-1800)
Vanaf 1500 was het gedaan met de autonome zelfstandigheid van de noordelijke landschappen. Steeds vaker werd getracht Groningen en de Ommelanden binnen een groter staatsverband te krijgen en in 1536 lukte dat. Stad en Lande erkenden toen Karel V van het Spaans-Habsburgse Rijk als landsheer. Tijdens de Opstand of de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) was ook Groningerland jarenlang strijdtoneel, totdat in 1594 Willem Lodewijk van Nassau met de zogeheten Reductie van Groningen (stad) geheel Noord-Nederland op de Spaanse troepen wist te veroveren. Van hogerhand werd daarop het calvinisme doorgevoerd, hetgeen de sluiting van alle kloosters met zich meebracht. Ook het klooster Yesse werd gesloten. De rooms-katholieke kerken van Groningen, Haren en Noordlaren werden omgevormd tot protestantse kerken.

De Reductie bevestigde de macht van de stad Groningen. Zij was al in het bezit van het Gorecht en het Oldambt en verwierf begin 17e eeuw Westerwolde. Bovendien wist zij door het graven van het Winschoterdiep de turf uit de venen van de Veenkoloniën via de stadsgrachten af te voeren. Daarnaast bezat de stad veel grond rond de nieuwe veenkoloniën Hoogezand-Sappemeer, Veendam-Wildervank en de Pekela's en later ook in het Dollardgebied. Groningen werd zo een heuse stadstaat. Tussen 1615 en 1624 was de stad door de stadsuitbreidingen in het westen en noorden in omvang al bijna verdubbeld. De Nieuwe- of Noorderkerk, de Ossenmarkt en diverse gasthuizen waren het symbool van deze stadsuitleg. De verwachte bevolkingsuitbreiding kwam er overigens niet, zodat grote delen van deze omwalde stadsuitbreiding tot in de 19e eeuw onbebouwd bleven.

Niet alleen in de Veenkoloniën werd verveend. Uit in de venen ten oosten van de Hunze werd nog tot in de 20e eeuw turf gehaald en via de Hunze afgevoerd. Dit ging wel steeds moeizamer omdat deze rivier steeds meer dichtslibde/verlandde. Op de uitgeveende landerijen werd op de zandige dalgronden akkerbouw bedreven. Veel van deze gronden behoorden aan rijke burgers uit Groningen die hier in de 18e eeuw veenborgen lieten aanleggen. Zij droegen namen als Schaffershof, Iddekinge/Woldwijk, Boschmastate en Leinwijk. In de 18e eeuw werden bij Leinwijk tevens twee bossen aangelegd. De middeleeuwse kerk van Kropswolde werd in 1773 vervangen door een zaalkerk, waar ruim een eeuw later een toren tegenaan gemetseld werd.

Ten westen van de Hunze bleven nederzettingen als Haren, Glimmen, Onnen en Noordlaren vooralsnog boerendorpen. In Haren was de bebouwing geconcentreerd op de zuidelijke en westelijke helling van de Hondsrug, bij de huidige Kerkstraat en Rijksstraatweg. Onnen werd gevormd door een aantal veedriften die samen kwamen op de 'tie', een soort brink. Ook in Noordlaren stonden nog voornamelijk boerderijen en wel in de dorpskern en aan de westkant van de weg naar Onnen. Alleen in het hoofddorp Haren was er sprake van enige ambachtelijkheid. De enige buitenplaatsen die in dit deel van Gorecht stonden waren de Emdaborg in Haren met de bijbehorende boerderij Lusthof en het Huis te Glimmen. Deze laatste stamde al uit de 13e eeuw, was omgracht en werd in de 16e eeuw een buitenplaats. Het landgoed omvatte ook een paar boerderijen, een eendenkooi en een in de 18e eeuw aangelegde 700 meter lange oprijlaan.

Moderne tijd (1800-1950)
Midden 18e eeuw kwamen verveners uit oostelijk Friesland naar de Hoornschedijk. Zij groeven het veen ten westen van deze dijk af en zo werden in dit natte gebied langzamerhand het Hoornse Meer, het Paterswoldse Meer en het Friesche Veen gevormd. Tegen 1800 was hier ook de nederzetting Hoornschedijk ontstaan. Ook aan de andere kant van het deelgebied Gorecht begon de commerciële vervening in de 18e eeuw. De Westerbroekse venen waren in bezit van de stad Groningen en werden vanaf 1771 door ondernemers en veenarbeiders verveend. Diverse veeneigenaren gingen net als andere rijke burgers uit de stad bij het werk wonen en zo verrezen opvallend veel buitenplaatsen bij Westerbroek: Vaartzicht, Langwijck, Meerzicht, De Ellenheerd, Hovenhuizen, Bellingeheerd, Huningaheerd, Tebbenplaats, Laanhoven, Vredelust, Veenlust, De Beckhof, D'Elmina, Tilburg en Rustlust. Ook hier veroorzaakte het baggeren van het laagveen de vorming van veel plassen. Deze breidden zich echter niet uit tot grote meren. Het Foxholster Meer, een natuurlijk meer, werd door de veenwerkzaamheden wel vergroot.

De stad Groningen groeide in de 19e eeuw steeds verder uit tot de 'metropool van het noorden'. De migratie naar de stad steeg en er was sprake van diversificatie in de economie. Het werd ook een verkeersknooppunt voor het nieuwe transportmiddel, de spoorweg. In 1866 werd de lijn naar Leeuwarden geopend, in 1868 naar Winschoten en in 1870 naar Meppel (ook met een station in Haren en Glimmen). In 1893 volgde de spoorlijn Groningen-Roodeschool, terwijl vanaf deze tijd ook diverse paarden- en stoomtrams naar de provincie reden. In deze periode groeide de stad sterk, van ongeveer 24.000 inwoners in 1795 naar welgeteld 67.563 in 1900. Door deze bijna verdriedubbeling werden de vestingwallen al snel als een te nauw zittend keurslijf ervaren. Met de vestingwet van 1874 konden de middeleeuwse muren en poorten worden afgebroken. Op de vrijkomende ruimte werden in het westen het Noorderplantsoen aangelegd en in het oosten het Academisch Ziekenhuis gebouwd. Ook was er nu ruimte voor woningbouw gecreëerd, vooral in het zuiden. Mede door de bouw van het hoofdstation van de spoorwegen werd de zuidzijde van de stad zeer gezien. Hier ontstonden nieuwe huizenblokken, eerst aan weerszijden van het nieuwe Verbindingskanaal (opengesteld in 1879), vervolgens ook langs de Hereweg en de nieuwe Oosterpoortwijk. Dit gebeurde op particulier initiatief en zonder enige planning, maar de Woningwet van 1901 verplichtte de gemeentelijke overheid een begin te maken met planmatige volkshuisvesting. Sindsdien werden in verschillende delen van de stad nieuwe wijken geprojecteerd. Op basis van diverse uitbreidingsplannen van de gemeentelijke overheid werden vóór 1940 de Oranjebuurt, de Korrewegwijk, de Hoogte en de Oosterparkijk aangelegd, alsmede een nieuwbouwwijk in het in 1915 geannexeerde dorp Helpman.

De dorpen op de Hondsrug bleven het grootste deel van de 19e eeuw overwegend agrarische nederzettingen. Wel trad er een verschuiving op van akkerbouw naar veelteelt, hetgeen onder meer resulteerde in de bouw van zuivelfabrieken in Haren, Noordlaren, Glimmen en Onnen, eind 19e eeuw. Na de komst van de spoorweg in 1870 veranderde vooral Haren van gezicht. Aan de Lokveenweg werden nieuwe huizen gebouwd voor de middenklasse. Ook vertrokken eind 19e eeuw veel welvarende burgers van Groningen naar Haren. De slechte hygiënische toestanden in de Groninger binnenstad waren een eerste reden om in de zomermaanden een tweede huis op de Hondsrug te zoeken. Steeds meer vestigden zij zich blijvend in Haren, in eerste instantie vooral aan de Rijksstraatweg. Zij konden over deze rechtstreekse verbindingsweg met de stad forenzen, per fiets en later met de auto, maar ook per spoor. Hier verrezen in het laatste kwart van de 19e eeuw villa's als Villa Gelria, en Huize de Wolf. In de begin twintigste eeuw zette deze tendens door, ook aan de Verlengde Hereweg en andere straten in Haren. De universiteit van Groningen kocht in 1917 Huize de Wolf en legde daar de nieuwe Hortus Botanicus aan. Sindsdien woonden ook veel universitaire docenten in Haren. Voor de arbeidersstand werd vanaf de jaren twintig van de 20e eeuw gebouwd aan Tuindorp. In 1920 was bij Onnen namelijk een rangeerterrein van de Nederlandse Spoorwegen aangelegd, met veel woningzoekende werknemers tot gevolg.

Meerstad
In de Middeleeuwen lagen ten noorden van de weg van Noorddijk over Ruischerbrug naar Harkstede en Scharmer natte hoogveengebieden. De weg was in feite een dijk, de Borgwal, die de grens vormde tussen Fivelgo en het Gorecht. Het gebied maakte deel uit van De Wolden, een brede gordel hoogveen tussen de hogere zandruggen in het zuiden en de noordelijke kleigebieden. Het zou later Duurswold worden genoemd. In de 19e eeuw werden hier allerlei waterschappen gevormd, zoals de Noorder Middelberderpolder, de polder Zuid-Middelbert, de Euvelgunner Molenpolder en de Westerbroekster- en Engelberter Molenpolder ten zuiden van de Borgwal. Aan de andere zijde van de dijk lagen onder meer de waterschappen de Kleine en de Grote Harksteder Polder. In 1915 werden de waterschappen Noorder Middelberderpolder, Zuid-Middelbert en de Euvelgunner Molenpolder samengevoegd tot waterschap Driebond.

De waterschappen wisten de gronden met molens en gemalen uitstekend droog te houden. In de jaren tachtig van de 20ste eeuw was aan de noordzijde van de Borgwal bij Harkstede een recreatiegebied ontstaan. De stad Groningen had veel zand nodig voor het opspuiten van de almaar groeiende industrieterreinen ten oosten van de stad en haalde dat bij Harkstede. Hier ontstonden het Grunostrand, een camping en een roeibaan. In de jaren negentig ging het slecht met de akkerbouw en veel gronden moesten verplicht braak worden gelegd. Diverse agrariërs hielden het voor gezien en hun grond werd voor een deel gebruikt voor natuurontwikkeling. In het kielzog van de ontwikkeling van de Blauwe Stad begonnen bestuurders en planologen rond 2000 na te denken over een nieuw plan, Meerstad. In deze nieuwe buitenwijk van de stad Groningen zouden niet minder dan 10.000 woningen gebouwd worden, zodat het tekort aan huizen in de stad voorgoed verleden tijd zou zijn. Het idee van stedelijk wonen aan het water - er zou een apart meer bij de nieuwe wijk worden gegraven - werd juist in deze polders gepland omdat zij anders dan het gebied rond het Reitdiep en de Koningslaagte geen grote cultuurhistorische waarde zouden hebben.

In 2005 werd het Masterplan Meerstad door de gemeenten Groningen en Slochteren, Provinciale Staten en het kabinet vastgesteld. De naam verwees naar de combinatie van de stad Groningen en het aan te leggen meer, maar ook naar de zogeheten MEER-dorpen (Middelbert, Engelbert, Euvelgunne en Roodehaan). Het meer van Meerstad zou eventueel door boezemwaterschap Hunze en Aa's worden gebruikt als noodwaterberging, als er teveel water is dat niet onmiddellijk bij de zeesluis van Farmsum kan worden weggemalen. In 2008 werd begonnen met de bouw van 9100 woningen op een bouwterrein dat even groot was als de hele stad Groningen op dat moment. Door het uitbreken van de economische crisis en de daaropvolgende instorting van de huizenmarkt moesten de plannen worden bijgesteld. Nu wordt uitgegaan van de bouw van 6500 woningen. Het was lange tijd nog onduidelijk of de MEER-dorpen bij de gemeente Groningen blijven of dat zij naar de gemeente Slochteren gaan. Nu de gemeente Slochteren zich in 2012 uit het project Meerstad teruggetrokken heeft, is de kans groot dat het gehele plangebied bij de gemeente Groningen gevoegd wordt.

Regiovisie Groningen-Assen
Regiovisie Groningen-Assen is een samenwerkingsverband tussen de provincies Drenthe en Groningen en de gemeenten Assen, Bedum, Groningen, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Leek, Noordenveld, Slochteren, Ten Boer, Tynaarlo, Winsum en Zuidhorn. De achtergrond hiervan was gelegen in het feit dat de landelijke overheid sinds eind 20e eeuw steeds meer de regie over de ruimtelijke ordening opgaf, zodat regionale ontwikkelingen voortaan meer door provincies en gemeenten konden worden bepaald. Deze regio definieert zichzelf als de economische motor van Noord-Nederland.
Voor handhaving van deze functie werden vier programma's ontwikkeld, namelijk voor Wonen, Bedrijventerreinen & Economie, Bereikbaarheid en Regiopark (natuur en landschap). In de Regio Groningen-Assen worden in ruimtelijk opzicht wonen, werken en mobiliteit gebundeld in de T-structuur. Dit is de verticale lijn Groningen-Assen (A28), die de westgrens van deelgebied het Gorecht vormt, en de horizontale as Leek-Roden en Hoogezand-Sappemeer. De verstedelijking wordt geconcentreerd in de steden Groningen, Assen en de kernen Leek-Roden en Hoogezand-Sappemeer. Daarmee wordt zoveel mogelijk verstedelijking in het landelijk gebied voorkomen, waardoor waardevolle en kwetsbare landschappen worden gespaard. Door de gebundelde bouw van woningen, kan ook de vervoersstroom beïnvloed worden. In de Regiovisie Groningen-Assen wordt daarom gewerkt aan een klein aantal hoogwaardige vervoersassen tussen de stedelijke centra. Onderdeel hiervan is het OV-netwerk Kolibri. Het huidige convenant is ondertekend in 2004 en loopt tot 2030.

Bronnen:
landschapsgeschiedenis.nl


Pageviews vandaag: 3.