Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 11-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Gockinga

De eerste Gockinga's komen reeds in de tweede helft van de 13e eeuw in Reiderland en in het begin van de 15e eeuw voor te Zuidbroek, waar zij een sterke burcht bezaten, de "Gockingaheerd", later genoemd "De Drostenborgh". Zij leefden bijna voortdurend in onmin met de bewoners der stad Groningen, die tevergeefs trachtten het kasteel te vermeesteren. - (Inventaris van het familiearchief Gockinga)

Elde of Eijolt Gockinga had als aanhanger der Vetkopers deelgenomen aan de twisten met Groningen, doch zich in 1399 met de stad verzoend en beloofd de wetten des lands te zullen eerbiedigen. De gesloten zoen werd echter spoedig verbroken en Elde werd voor de rechter gedagvaard. Om dit tegen te gaan deed hij alles wat hem gelast werd: hij slechtte de wallen van zijn kasteel, dempte de grachten, dankte zijn lieden af en bood zichzelf aan als gijzelaar. - (Inventaris van het familiearchief Gockinga)

Op 29 april 1401 werd een nieuwe overeenkomst gesloten, waarbij o.a. bepaald werd dat hij de bezetting van zijn slot naar goeddunken mocht kiezen en dat zijn broer Tammo Gockinga, in vervanging van zijn zoon Eppo Gockinga die toen in Westerwolde was, zich in pandschap zou stellen. - (Inventaris van het familiearchief Gockinga)

Elde reisde naar Westerwolde om zijn zoon naar Groningen te geleiden, doch in zijn afwezigheid belegerden de Oldambster boeren zijn kasteel. - (Inventaris van het familiearchief Gockinga)

Dit kasteel moet men zich voorstellen als een eenvoudige, rechthoekige toren met een zadeldak, bestaande uit een kelder en een zolder en daartussen één, twee of drie verdiepingen. De afmetingen van het kasteel van de Gockinga's te Zuidbroek waren 8,50m bij 11,40m. Dit zijn de afmetingen buitenwerks. De muren zelf waren 2 à 4 stenen dik, dus 65 à 130 cm, soms zelfs nog meer. Het dak sprong waarschijnlijk zover terug dat er plaats was voor een ommegang met kantelen van waaraf men de belegeraars kon bestoken. Het kasteel diende primair voor de verdediging. De omvang was verder zodanig dat men er kon wonen.
In 1955 heeft men onder leiding van de Oudheidkundige Dienst te Groningen een onderzoek ingesteld naar de resten van "De Drostenborch" te Zuidbroek. - (Inventaris van het
familiearchief Gockinga)

Elde, die met zijn zoon inmiddels teruggekeerd was, trachtte boden naar Groningen te zenden om zich te beklagen over het schenden van de overeenkomst, doch dezen vielen in handen van de belegeraars, die vervolgens de hulp van de stad inriepen en daarmede het slot innamen. - (Inventaris van het familiearchief Gockinga)

De Gockingaborg en de Martinitoren
In 1401 werd de borg dus veroverd en afgebroken. Volgens overlevering werden de stenen van de afbraak gebruikt voor de bouw van de Martinitoren. (Westendorp vermeldt, dat de bouwstoffen van de Gockingaborg weggevoerd werden. De Martinitoren werd voltooid in 1482).

Elde en zijn zoon werden naar Groningen vervoerd en tot 1405 gevangen gehouden op de A-poort.
Elde Gockinga was gehuwd met Wernel, gravin van Kauwenborg en Stemborg * en had daarbij één zoon, de bovengenoemde Eppo Gockinga.
Eppo herbouwde het vaderlijk slot en versterkte het zoveel mogelijk. Eppo Gockinga, steunend op de hulp van zijn zwager, Edzard Cirksema, de graaf van Oost-Friesland, stelde alles in het werk om de handel van de stad Groningen te benadelen. - (Inventaris van het familiearchief Gockinga)

Toen Philips de Goede, hertog van Bourgondië, Eppo Gockinga aan zijn hof verbond begonnen de Groningers te vrezen voor de toeneming van zijn macht; zij belegerden zijn slot te Zuidbroek in 1438. Door tussenkomst van graaf Edzard werd een overeenkomst gesloten waarbij Eppo Gockinga zijn slot terugkreeg. Hij overleed in het begin van 1444. - (Inventaris van het familiearchief Gockinga)


De Gockinga's I
In bovengenoemd proces is een van de meest markante punten de verovering door de stad van de de burcht van de Gockinga's te Zuidbroek. Nu was het in het verleden niet duidelijk waar die burcht heeft gestaan. Van de kant van de Gockinga's is geprobeerd hier klaarheid in te brengen. Wij hebben de uitgebreide correspondentie met Prof. P.J. Blok en vele anderen nagelezen. Het slot was dat de heer A.J. Smith op 2 februari 1904 schreef: 'De geschiedenis van de omverwerping der burgen is niet duidelijk.' Wij menen nu echter, dat er ten aanzien van de hoofdzaken wel klaarheid is. Er is namelijk inmiddels een opgraving geschied en een kaart, aanwezig in het stadsarchief, vult de beschikbare gegevens prachtig aan. In 1955 bouwde de heer R.L. Buringh een schuur achter zijn boerderij Uiterburen 19, Zuidbroek. Hij stootte toen op een breed fundament van kloosterstenen en was zo vriendelijk het gemeentehuis te waarschuwen. Het Biologisch-Archaelogisch Instituut van de Rijksuniversitiet van Groningen werd ingeschakeld. Dit stelde een onderzoek in naar vorm en afmeting van het fundament. Aan het verslag in de Groningse Volks-almanak 1957 ontlenen wij het volgende:
'het bleek al spoedig dat het fundament op verschillende plaatsen geheel of gedeeltelijk was verdwenen. Wel was veel puin aanwezig, hetgeen de graafwerkzaamheden zeer belemmerde.
De noordelijke schuur had men ten dele gesloopt. De noordwestelijke hoek was niet meer intact. Het westelijke muurfundament bleek in westelijke richting te hellen. het hellingshoek bedraagt circa dertig graden. Men moet aannemen, dat deze muur indertijd naar buiten toe omver gehaald werd. In dit verband moet er op gewezen worden, dat de heer Buringh meedeelde, dat ten westen van deze muur altijd veel puin gevonden werd. Van de zuidwestelijke hoek lagen nog slechts enkele stenen in situ. Van het zuidelijke muurfundament was het westelijk gedeelte praktisch geheel weggebroken. Het oostelijk gedeelte was minder geschonden. Het oostelijk muurfundament werd niet geheel nagegraven. De noordoostelijke hoek, het gedeelte dat bij het bouwen van de kapschuur werd aangetroffen, was nog geheel intact.
De afmetingen van de voor dit bouwwerk gebruikte kloosterstenen bedragen 32x15x9 cm. De muurfundamenten zijn niet over de gehele breedte uit deze stenen opgebouwd. Slechts aan binnen- en buitenzijde zijn gave stenen gebruikt, terwijl het binnenste gedeelte van de muren uit puin, vermengd met kalkspecie, bestaat. Even onder het maaiveld (circa 2.50 meter boven N.A.P.) bedraagt de breedte van de muren circa 1.62 meter. Het onderste gedeelte van dir muurfundament is enigszins breder doordat de muren aan de buitenzijde een vertanding vertonen. Aan de binnenzijde der muren is dit niet het geval. Bij het noord- en zuidoostelijke hoekpunt ligt de basis van het muurfundament op 1.53 meter + N.A.P., bij het zuidwestelijke hoekpunt op 1.49 meter + N.A.P. Als resultaat van de opgraving kan worden gesteld dat hier een uit kloosterstenen opgetrokken bouwwerk heeft gestaan waarvan de afmetingen binnenmaats 5.30 meter bij 8.30 meter bedragen hebben.
Enige bij de opgraving aangetroffen grijze, geglazuurde scherven dateren volgens de heer J.G.N. renaud, conservator bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort uit de tijd omstreeks 1400 tot in de tweede helft van de vijftiende eeuw. het overige schervenmateriaal was niet nauwkeurug te dateren.
De omvang van dit fundament wijst geheel op een versterkte woontoren of stins, zoals er thans te Veenwouden (FR.) en te Bunde en Leer (Oost-Friesland) nog te vinden zijn.'
Hiervoor hebben wij gesproken over een kaart in het stadsarchief, die de gegevens prachtig aanvult. Hiermee bedoelen wij de volgende kaart. Hierop zijn een aantal heerden getekend, die de weg Uiterburen kruisen en die in 1724 nog eigendom waren van de stad Groningen. Ten zuiden van deze heerden, links van de weg, ligt het fundament van de stins van de Gockinga's. Zoals ook uit het slot van dit hoofdstuk blijkt, verkocht de stad telkens land, als daarvoor gelegenheid was. Aangenomen kan worden, dat deze kaart aangeeft de heerden, die de Stad in 1724 nog in eigendom had van de Gockinga-goederen.


Voor wij nu komen tot de grote botsing tussen Groningen en de Gockinga's, in 1401, moeten wij een terugblik werpen in de geschiedenis. De toestand in het Oldambt was, evenals in de aangrenzende gouwen, in het algemeen anders dan in de naburige gewesten. De meeste tijden ontbrak een landsheer of er werd weinig van hem gemerkt, omdat dit land op het einde van zijn gebied lag. Nu was er vanouds in bestuur en rechtzaken een grote macht bij de grondbezitters, de eigenerfden. Deze zorgden voor dijken en wegen, spraken recht en voerden vonnissen uit. De functie van rechter, redger, ging jaarlijks om van de ene heerd op de andere.
Vanouds zal men ook de volksvergaderingen gehad hebben, maar na de stichting van de kerken trad het kerspelverband meer op de voorgrond. Vrijwel iedereen ging naar de kerk. Daar kwam men bij elkaar en dit bracht mee, dat men gemeenschappelijke zaken in kerspelverband ging behandelen. Bij het sluiten van verdragen en bij het regelen van het dijkwezen komt men herhaaldelijk uitdrukkingen tegen als 'meenheid der meente', 'mene meente' en 'kerspelluden'.
In de steden vond in die tijd een belangrijke vergadering plaats. Burgers legden zich op allerlei handwerk toe. Er werd meer geproduceerd dan voor plaatselijke behoefte nodig was. Het overtollige moest ergens anders worden verkocht. ook moesten grondstoffen worden aangevoerd. Belanghebbenden organiseerden zich in gilden. de belangen van de verschillende partijen liepen niet altijd parallel. Aan het bezit van meer grond was meer macht verbonden. Hoeveel te meer land, des te vaker was men rechter en des te meer 'ruters' kon men huren om het gezag te handhaven of om macht uit te oefenen. Zodra er dan van recht of macht misbruik gemaakt werd, kwam er botsing met de andere bewoners. De stad Groningen had, evenals de andere steden, behoefte, dat haar kooplieden ongestoord konden reizen en niet gestoord en belemmerd werden door tollen en roverijen. Verder kwam bij haar steeds meer het streven op om de bewoners van de omliggende landschappen te dwingen, hun voortbrengselen bij haar naar de markt te brengen.


In de dertiende, veertiende en vijftiende eeuw was er herhaaldelijk sprake van twist en botsing en strijd. In het algemeen kon men twee grote partijen onderscheiden: de Schieringers en de Vetkopers. De vetkopers waren hoofdelingengeslachten, die zich boven andere grondbezitters hadden uitgewerkt en sterke stinzen hadden gebouwd. de schieringers vond men vooral onder de burgers van de steden, soms gesteund door de kleine grondbezitters.
in 1250 en 1251 was er hevige strijd tussen Fivelingoërs, Hunzingoërs en Oldambsters tegen de stad Groningen. De stad moest het onderspit delven. De muren werden geslecht en de stenen huizen tot de kelders afgebroken. In de jaren 1333 tot 1338 vond er iets soortgelijks plaats. Weer moest de stenen muur worden afgebroken en vervangen door de vroegere houten omheining.
Daar tussendoor komt men ook weer andere tijden tegen waarin partijen beter met elkaar konden opschieten. Zo sloten de Stad en het Wold-Oldambt in 1287 een verdrag ter waarborging van het vrije marktverkeer. ook in 1386.


Tegen het eind van de veertiende eeuw kwamen in het Oldambt sterk naar boven de hoofdelingengeslachten van Houwerda en Gockinga. De Houwerda's hadden een sterke stins te Termunten en de Gockinga's te Zuidbroek, onder Uiterburen.
Tegen 1400 spitste de spanning zich toe tussen de Stad en de hoofdelingen. In 1398 zochten Tammo Gockinga en Menno Houwerda steun bij Albrecht, graaf van Holland. Zij droegen al hun eigendommen op aan de graaf van Holland en beloofden hem, de grenzen van Friesland, waartoe toen ook de tegenwoordige provincie Groningen hoorde, te helpen beschermen. Daar tegenover gaf Albrecht alle goederen weer in leen terug en beloofde hij hen te sterken als iemand hen wilde hinderen of krenken. De oorspronkelijk akten zijn nog aanwezig in het archief van de graven van Holland (Algemeen Rijksarchief). Hieronder laten wij nog volgen een vrije weergave van deze akte:


'Wij, Tammo Gockinga en Menno Houwerda, hoofdelingen tussen de Lauwers en de Eems in Oost-Friesland, maken alle mensen bekend, dat wij voor ons en voor onze nakomelingen met onze vrije wil opgedragen hebben en opdragen aan de hooggeboren vorst, onze lieve, genadige heer hertog Albrecht van Beieren, graaf van Henegouwen, van Holland, van Zeeland en heer van Friesland en zijn nakomelingen de rechte eigendom van de landen van Oldambt met alle heerlijkheden, goederen en sloten, als wij nu hebben, houden en bezitten tussen de Lauwers en de Eems, verder alle andere landen, die wij nu hebben, houden en bezitten en nog verkrijgen zullen binnen de voornoemde grenzen of daarbuiten, met huizen, sloten, heerlijkheden, en daarbij behorende rechten, renten, vervallen en profijt, benevens het standrecht.
Welke landen, huizen, sloten, heerlijkheden en rechten onze lieve, genadige heer, hertog Albrecht voornoemd, ons weer vergunt te houden als een onsterfelijk erfleen.
En als het mocht gebeuren, dat wij of een van ons sterft zonder wettige erfgenamen na te laten, dan mogen wij de voorschreven heerlijkheden en goederen vermaken aan degene of degenen, die ins behagen zullen.
En als een van onze erfgenamen dit verzoeken zal, zal onze lieve heer, de hertog voornoemd, of zijn nakomelingen, aan hem de voornoemde heerlijkheden en goederen in leen geven, zoals onze lieve heer dit aan ons gedaan heeft.
En daar wij ver verwijderd zijn van het land van onze lieve heer, heeft hij een tijd van drie jaar na onze dood toegestaan voor het indienen van dit verzoek.
En wij hebben met onze vrije wil onze lieve, genadige heer voornoemd hulde, eed en manschap gedaan als mannen hun heren schuldig zijn en wij hebben beloofd, onze lieve heer in goede trouw te dienen en hem te helpen om de grenzen van Friesland te behouden en te versterken tegen al degenen die hem daarin hinderen willen; behoudens dat wijniet verplicht zullen zijn om hem te dienen buiten de grenzen van Friesland, tenzij wij dit uit vrije wil doen.
En onze lieve heer voornoemd heeft ons beloofd, ons te sterken in de goederen, landen en heerlijkheden voornoemd, als iemand ons hinderen of krenken wil, zo als een heer zijn leenmannen verschuldigd is.
Als onze erfgenamen na onze dood de heerlijkheden en goederen van onze lieve heer ontvangen zullen, dan zullen die erfgenamen alle voornoemde voorwaarden vernieuwen.
In oorkonde deze brief bezegeld met ons zegel, hieraan gehangen. geschreven op de elfde dag van de maand september in het jaar 1398.'


Het zegel aan deze leenakte vertoont een ridder te paard; in de rechterhand houdt de ridder een lans met een vaantje. Als randschrift is aangegeven: TAMMO.


Het leek wel of de Gockinga's en de Houwerda's een goede zet hadden gedaan door zich onder bescherming van de graaf van Holland te stellen. Deze stak namelijk in 1398 met een leger van 20.000 man over van Enkhuizen naar Stavoren en bezette al deze gebieden. De vetkopers voelden zich weer veilig op hun stinzen. Maar Groningen, het middelpunt van de Schieringers, zette alle kracht bij en in 1400 was er al weer een keerpunt gekomen. De Hollanders moesten het land ruimen en nu zou de dag der wraak komen voor de adellijke geslachten. Er moest afgerekend worden met de Gockinga's, Houwerda's, Cammingha's, Heemstra's, Donia's, Ripperda's, met de Snelgers en de Wibbens.
Schotanus geeft in zijn 'De Geschiedenissen, Kerkelijke en Wereldlijke van Friesland, Oost en West', verschenen in 1658 twee lezingen van de verovering van de stins van de Gockinga's. De ene lezing is ontleend aan Ubbo Emmius en komt op het volgende neer: Van Farmsum gingen de bondgenoten terstond naar Termunten en verwoestten het huis van Menno Houwerda. Voorts naar Oosterbroek, aldaar slechtende het huis van Ayolt Gockinga. Toen zijn de Friezen en Groningers van elkander gescheiden, elk zijns weegs naar huis trekkende, hun moed en haat of toorn gekoeld hebbende, of de vijanden van het gemeen gestraft. De raad en het volk van Groningen heeft met dank en goede wil van de naburige staten de rechten en privilegiën van Houwerda, Gockinga en andere ballingen in het Oldambt aan zich getrokken. Omdat de stad hierdoor zo zeer in kracht toegenomen is, is de dag van de verwoesting van Gockinga-huis (namelijk de drieëntwintigste april 1401) tot gedachtenis van de zaak tot een eeuwigdurende, heilige dag gewijd.


De andere lezing is ontleend aan aantekeningen en memoriën van Ayolt en zijn erven:
Ayolt, gehaat door en in gevaar van de Stad en de staten tussen Eems en LAuwers, verzoende zich op de dag voor Sint Michiel in het jaar 1399 met hen allen. Hij beloofde, de vonnissen en wetten van het land te zullen nakomen. Deze verzoening werd na korte tijd geschonden en Ayolt werd, onder bedreiging met vernietiging door de Stadd en de anderen, gedagvaard voor de werf of rechtbank.
Hem werd opgedragen om de wal en de grachten van het huis te Oosterbroek te slechten en de soldaten af te danken. Daaraan voldeed hij. Toen de gemoederen van de Oldambsters die hem het meest vijandig gezind waren, nog niet gekalmeerd waren, bood hij, om verder kwaad te voorkomen, hun rechters verschillende billijke voorstellen aan. Hij wilde handelen overeenkomstig de wetten en vonnissen van de Groningers, indien de tegenpartij dit ook deed. Hij wilde zijn huis geven in handen van vier rechters van Broek en andere bekwame lieden, te benoemen door twee priesters, onder beding dat het hem na het sluiten van een verdrag geheel en ongeschonden teruggegeven zou worden. Verder was hij bereid op aandrang en volgens goedvinden van de priesters de vastigheden van het huis ten dele neer te werpen. Ook mochten er, als zij dat liever wensten, twee bewaarders worden aangesteld van het huis totdat alles bijgelegd was.
Een van de bewaarders zou zijn een rechter, benoemd door de naburige staten, de andere zou benoemd worden door Ayolt. Alles werd afgeslagen door de tegenpartij.
Daarna zond Ayolt tot meerdere voldoening twee mannen naar de werf of gerechtsbijeenkomst te Midwolda. Deze beloofden onderpand, borgtocht of gijzelaars, alle publieke of particuliere schade te boeten en niet te zullen streven naar een heerschappij die nadelig was voor de vrijheid.
Toen dit weer geweigerd werd, kwam Ayolt nog tot andere aanbiedingen. het laatst bood hij aan om naar Groningen in gijzeling te komen en niet te ontvluchten voordat een volkomen gelijk getroffen was.
Tenslotte werd Ayolt gedagvaard in Appingedam. Daar werd overeengekomen tussen de zoenslieden Albert Wigbolds, Adolf Schelge, beide van Grningen, en de voorlezer van Appingedam, dat Ayolt vredig zou leven, de wetten en gerichten onderdanig zou zijn, de vrijheid niet krenken en uit het volk zou huren wie hem beliefde, als bewaarders van het slot. Zijn zoon, die toen in Westerwold was, zou hij binnen acht dagen als gijzelaar naar Groningen zenden.
Toen ayolt naar Westerwolde reisde om aan het verdrag te voldoen, kwamen voor het huis enige oproerige naburen uit het Oldambt en uit Duurswold; zij eisten het huis op van Ayolts moeder. Daar hieraan niet werd voldaan, werd het huis met aller instemming belegerd. Ayolt kwam ternauwernood met zijn zoon des nachts op het huis en trachtte zijn lieden de een na de ander naar Groningen te zenden om te klagen over het geweld en de schending van de overeenkomst, maar zij vielen alle in handen van de belegeraars.
Toen de belegeraars echter zagen dat zij niet vorderden en vergeefs wachten op hulp van anderen namen zij het goud en het zilver uit de kerken en zonden dit met de gijzelaars naar Groningen. Toen werden zij gesteund door de stad en alle staten tussen Lauwers en Eems, in strijd met de overeenkomst. De Groninger donderbussen werden voor het his opgesteld en daarop afgevuurd. Ayolt gaf zich toen noodgedwongen over op voorwaarde dat hij en zijn zoon Haye naar Groningen in gijzeling zouden gaan, maar in vrije bewaring worden gehouden bij een burger tot de tiende april. Intussen zouden zij borgen geven tot betaling van hetgeen de Stad en de landstaten zouden oordelen. Als de gijzelaars dit binnen de overeengekomen tijd niet deden, zou de Stad hen in verzekerde bewaring stellen. De andere gewapenden zouden vrijuit gaan.
Maar Albert Wigbolds en Frederik Asto, dienaren van de Stad, drongen met de soldaten de stins binnen, plunderden en verwoestten alles en lieten de mensen naakt en berooid weggaan. Elf doodden zij, sommige verwondden zij en andere jaagden zij in de gracht van de stins. Ayolt en Haye bleven te Groningen in hechtenis.
Intussen werd de Utrechtse wapenstilstand gesloten. Op grond hiervan vroegen de moeder en de vrouw van Ayolt diens vrijlating onder borgtocht van de gpouverneur van de vesting Blankeweer bij Groningen. De bisschop van Utrecht verleende zijn bemiddeling. Alles vergeefs. De Groningers en hun bondgenoten zochten altijd uitvluchten. Daardoor werd Ayolt eerst vrijgelaten in het vijfde jaar, toen met de bisschop vrede gesloten werd. Maar het slot is met de grond gelijk gemaakt.


Hoe ging het nu verder met de Gockinga's? Na 1405 nam Ayolt Gockinga blijkbaar wel weer bezit van zijn goederen te Zuidbroek. Na zijn overlijden, plusminus 1425 volgde zijn zoon Eppo hem op. Men leefde echter niet lang in vrede met de stad Groningen. De Gockinga's belemmerden de handel van de Stad door geen kooplieden in hun gebied te dulden. Toen de twist hoog opliep, werd de hoofdeling Edsard van Greetsiel, zwager van Eppo Gockinga er in gekend.
In 1435 wist de stad Groningen een overeenkomst te sluiten met de gewone hovelingen, de rechters en de meenten van de kerspels en buurtschappen Midwolda, Oostwold, Finsterwolde, Veenhuizen, Scheemda, Eexta, Meeden, Aver-meedem, Zuidbroek, Noordbroek en Wagenborgen. Er zou twaalf jaar vrede zijn tussen de partijen. De mogelijkheid van beroep werd ingesteld van de vonnissen van de landrechters op de Landswerf in de stad. Hiermee waren Eppo Gockinge en Ailko Houwerda het niet eens. Ook legden zij de handel van de stad allerlei beletselen in de weg. De Groninger kooplieden mochten in hun gebied zelfs niet kopen of verkopen. En zij namen allerlei maatregelen tegen hen die het verbond met de Stad gesloten hadden.


De spanning nam weer toe tussen Groningen en de Gockinga's. Zwager Edsard probeerde nog te bemiddelen, maar in 1438 viel de definitieve beslissing. Groningen kwam weer met een leger naar Termunten en overrompelde de stins van de Houwerda's. Daarna werd afgerekend met de Gockinga's. Eerst werd hun huis te Zuidbroek genomen en daarna hun sterke toren te Bellingwolde, van waaruit de handel belemmerd werd. Aangenomen kan worden dat deze toren gestaan heeft dichtbij de Westerwoldse A, waar in 1952 de plattegrond van een stins is blootgelegd. Alle materialen waren weggevoerd. Alleen werd vlakbij nog een brok muur gevonden van plusminus een kubieke meter, waarin resten van een verbrande balk. Als men let op de door Emmius gebruikte woorden 'huis' te Zuidbroek en 'sterke toren' te Bellingwolde, kan men aannemen, dat de sterke toren te Zuidbroek niet weer is opgebouwd, maar dat de familie Gockinga toen in een van haar boerderijen te Uiterburen woonde.


De slag was gevallen, maar onmiddellijk kwam Edsard weer voor zijn zwager op. In 1439 kwam men tot het volgende accoord: Gockinga zou alle geroofde goedeeren (vee, koren, enzovoort) terugkrijgen; hij mocht zijn goederen en zijn bezittingen tot zijn dood gebruiken; alle beledigingen van weerszijden zouden vergeven en vergeten zijn; zwager Edsard zou borg zijn voor de goede trouw van Eppo Gockinga.


Eppo Gockinga overleed op elf januari 1444. Al zijn goederen, landerijen, venen en rechten kwamen toen, overeenkomstig het accoord aan de stad Groningen. Ze werd dus, zoals de Blécourt het uitdrukt, de ambgenoot der Oldambster redgers. Als zodanig plaatste zij in een van de huizen van de Gockinga's te Uiterburen een ambtenaar. Deze moest haar bezittingen beheren en in haar naam recht spreken, als haar boerderijen aan de beurt waren.


Nu was het pad geëffend voor verdere opbloei van de stad en van het omliggende gebied. Er was een grote mate van samenwerking.


De Gockinga's II


Aan het eind van dit hoofdstuk moeten wij nog iets meedelen over het Gockinga-geslacht en de Gockingagoederen.
Toen de botsing plaats vond met de stad Groningen, hadden de Gockinga's reeds een lang verleden. In 1260 woonde er een Eppo Gockinga te Zuidbroek. Zijn wapen was de zilveren lelie. Volgens Polvliet was hij ook de stichter van het klooster te Heiligerlee. Zijn opvolgers in rechte linie waren:
Ayolt gehuwd met Hinne van Lingen; Tammo gehuwd met N. Abdena; Tammo, gehuwd met Benelopa, gravin van Diepholt; deze Tammo stelde zich in 1398 onder bescherming van de graaf van Holland; overleden 1399; Ayolt, gehuwd met Wemele, gravin van Kauwenborg en Sternborg; deze Ayolt moest het in 1401 aanzien, dat zijn stins te Zuidbroek werd vernietigd door een Gronings leger; Eppo, gehuwd met Frouw Cirkzena; deze Eppo heeft de tweede botsing met Groningen doorgemaakt; hij overleed 1444; Ayolt, gehuwd met Wemele Huninga van Oostwold; Tammo, in 1483 gehuwd met N. Bauckens van Farmsum; Eppo, gehuwd met Herens; Eppo BAuckens Gockinge, in 1566 gehuwd met Hille Enthens van Mentheda; Scato, geboren 1566, gehuwd met Luurtje Edzama en later met Agnes de Mepsche overleed in 1641; Eppo, in 1633 gehuwd met Catharina Clant en later met Clara Eyssinge.


Bovengenoemde Scato, geboren in 1566, is secretaris geweest van Gedeputeerde Staten van Stad en LAnde en syndicus van de Ommelanden.


Het geslacht Gockinga is in de mannelijke lijn uitgestorven. Alle latere Gockinga's stammen af van Hille, dochter van genoemde Scato. Deze Hille is getrouwd geweest met Ludolf Henrici Werumeus. Van dit ouderpaar komen wij nog de volgende nakomelingen tegen (de stamnaam van de moeder werd aangehouden): Scato Gockinga, drost van de Oldambten van 1679 tot 1687; Henric Gockinga, landschrijver der Oldambten van 1731 tot 1747, daarna syndicus van Groningen; Joseph Gockinga, landschrijver der beide Oldambten van 1750 tot 1763; Mr. Campegius HArmannus Gockinga, van 1777 tot 1797 secretaris van Groningen; deze had een buitenverblijf te Noordbroek; Mr. Jan Gockinga, in 1844 kantonrechter te Zuidbroek; deze woonde ook te Noordbroek.


Het verloop met de Gockinga-goederen is niet volledig bekend. Zoals blijkt uit de hiervoor opgenomen kaart, behoorden er in 1724 nog drie heerden toe waarop een boerderij of ander gebouw stond. Maar de oorspronkelijke Gockinge-goederen beperkten zich niet tot Uiterburen, want in 1526 behoorde daar ook nog bij land bij de Oudeweg, in de Lage Meeden en bij de Edeweg. In 1576 verkocht de stad aan Arijs Tonkens een heerd, waarop tot dat jaar de ambtman woonde. In 1581 begeerden de Oldambten Joh. van Ballem als ambtman en ook, dat hij de Gockinga-heerd met de behuizing mocht gebruiken evenals de vorige ambtman. In 1629 was de drost Wolter Siegers eigenaar van een behuizing. De stad kocht die, besteedde er vierduizend guldeen aan voor verbetering en verhuurde het huis toen weer aan de drost, die jaarlijks honderdenvijftig gulden huur moest betalen en het huis onderhouden. Ruim honderd jaar later, in 1734, was het huis zover afgetakeld, dat de drost H. Berghuis er niet meer in kon wonen. In 1787 ging men over tot verbetering van het oude huis. Er werden vier ramen in de grote zaal aangebracht, de schoorsteen werd vernieuwd en de bomen op de brink werden gekapt.
Toen op drie november 1788 de nieuwbenoemde drost E.W. Uchtman kwam, reed deze eerst naar de drostenborg en toen naar het rechthuis. Hiermee wordt bedoeld het latere café Het Oude Rechthuis, Kerkstraat 86 (afgebroken in 1987).
In 1789 zocht men een gewone man of arbeider die voor een kleine toelage het drosthuis wilde bewonen en oppassen. Op 22 november 1798 vroeg de drost R. Pruimers, of hij er in mocht wonen, maar op 20 januari 1800 deed hij afstand van het gebruik van de borg.
Inmiddels begon de stad met het verkopen van de bomen. In 1799 tweehonderd zware eiken en in 1802 nog tweehonderd en tachtig eiken staande op een der akkers achter de drostenborg. In 1857 deed de Stad alles van de hand wat zij nog bezat van de Gockinga-goederen. Er waren nog zestien percelen samen 31 ha en 87 are. Hiervan kocht weduwe Onno Reint van Iddekinge, rentenierse te Uiterburen, de volgende peercelen; huis en erf groot 16.70 are, tuin 68 are, boomgaard 28.10 are, grond tot vermaak 16.6 ha, water tot vermaak 32.7 are, bos 2.9 are en bouwland 76 are.
Mevr. van Iddekinge deed de borg weer over aan Mr. Joseph Gockinga, procureur te Winschoten en deze weer aan Mr. Jozef Gockinga, rechter te Groningen.
Deze Gockinga's kochten deze borg vanwege de oude herinnering, want zij hebben er Zzelf nooit op gewoond. In 1872 verkochten zij het huis van de herinneringen aan aannemer Wubbo Bos, die het liet slopen.

Aan de noordzijde van de borg was het schathuis. Daar heeft het laatst op gewoond Ludolf Brink.



Een achter-achterkleinzoon van Eppo was Scato Gockinga (1566-1641). Hij werd in 1595 benoemd tot secretaris van Gedeputeerde Staten van Groningen, in 1602 tot raad en syndicus der Ommelanden en in 1618 tot lid der Staten-Generaal. In 1619 behoorde hij tot de rechters in het proces tegen Van Oldenbarneveld, De Groot en Hoogerbeets. Voorts was hij curator van de Groninger universiteit van 1615 tot 1640.
Een dochter van Scato Gockinga, Hille, huwde met Ludolf (Henrici) Werumeus, secretaris van de Hoge Justitiekamer van Stad en Lande. Zijn kinderen namen de naam Gockinga aan. Ludolf (Henrici) Werumeus wordt beschouwd als de stamvader van het tweede, thans nog levende geslacht Gockinga. Het eerste geslacht Gockinga is in het midden van de 18e eeuw in de mannelijke lijn uitgestorven. - (Inventaris van het familiearchief Gockinga)

Het geslacht Gockinga is voor de provincie Groningen, ja zelfs voor de geschiedenis van ons vaderland zeer belangrijk geweest. Gedurende meer dan vier eeuwen vervulden leden van deze familie functies bij de rechterlijke macht en namen deel aan politieke gebeurtenissen, wat in dit familiearchief duidelijk tot uiting komt. - (Inventaris van het familiearchief Gockinga)

Enkele personen wil ik met name noemen, niet omdat zij belangrijker zijn dan de overige familieleden, maar enkel om een indruk te geven welke functies o.a. door leden van de familie Gockinga bekleed zijn.
Scato Gockinga, 1624-1683, was raadsheer te Groningen, secretaris van Gedeputeerde Staten en werd in 1672 lid van de Staten-Generaal. In de hachelijke omstandigheden waarin ons vaderland in dat jaar verkeerde werd hij door de staten onder de eed van geheimhouding gemachtigd om gezamenlijk met prins Willem III, Van Beuningen en Van Beverningk met de Engelse gezanten Arlington en Buckingham te onderhandelen. In 1665 was hij wegens Groningen lid van de admiraliteit van Amsterdam en in de jaren 1680, 1682 en 1683 curator van de Groninger universiteit. * Zijn beeltenis komt voor op een gedenkpenning geslagen ter herinnering aan het beleg van Groningen van 9 juli-17 augustus 1672. * - (Inventaris van het familiearchief Gockinga)

Campegius Hermannus Gockinga, 1748-1823, studeerde rechten in Groningen en verwierf in 1768 zijn doctorsgraad na de verdediging van zijn dissertatie "De mitigatione poenarum". In 1792 werd hij benoemd tot lid van Gedeputeerde Staten. In 1802 werd hij verkozen tot lid van het Staatsbewind van de Bataafse Republiek en in 1805 tot lid der provinciale staten van Groningen. Koning Lodewijk benoemde hem op 27 april 1808 tot kwartierdrost van Winschoten en lid van de Raad van State en schonk hem de Orde der Unie. Bij de inlijving bij Frankrijk werd Gockinga benoemd tot onderprefect, maar hij wilde dit ambt niet aanvaarden. - (Inventaris van het familiearchief Gockinga)

Na de bevrijding van ons vaderland behoorde hij tot de notabelen die in 1814 de Grondwet aannamen. Hij werd vervolgens tot lid der Staten-Generaal gekozen en nam deel aan de samenstelling der Nederlandse wetboeken. - (Inventaris van het familiearchief Gockinga)

De voornaamste redevoeringen door hem in de Staten-Generaal gehouden zijn in een bundel uitgegeven onder de titel "Het tegenwoordig stelsel van belastingen in het Koninkrijk der Nederlanden." In de jaren 1805 tot 1808 was hij curator van de Groninger universiteit. *- (Inventaris van het familiearchief Gockinga)

Campegius Hermannus Gockinga, 1804-1882, werd reeds als student te Groningen met goud bekroond wegens zijn geschrift "Commentatio de poena stigmatis". In 1827 werd hij advocaat, in 1829 griffier van het vredegerecht te Groningen, 16 september 1838 rechter te Winschoten, 14 juni 1844 lid van de Hoge Raad, 7 november 1877 Vice-President en op 6 april 1878 President van dat College. Hij was Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw en Commandeur in de Groot Hertogelijke Luxemburgse Orde der Eikenkroon. Van zijn hand verschenen o.a. "Brieven over het recht van Beklemming." - (Inventaris van het familiearchief Gockinga)

Bronnen:
http://www.archieven.nl


Pageviews vandaag: 4.