Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 11-05-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

gevangenis

Bij rechtspraak hoort een gevangenis. Als de wedman (deurwaarder), geholpen door de roroede (politie) en soms bijgestaan door daartoe gevorderde ingezetenen een verdachte gearresteerd hadden, dan moest daar plaats voor zijn tot de dag van de rechtszitting. En als de zitting er geweest was en het vonnis uitgesproken, moest de veroordeelde zijn straf ondergaan. Dit spreekt te meer omdat plaatselijk ook de zware misdadigers berecht werden.

In heel oude tijden zal er niet veel zorg besteed zijn aan verdachte of veroordeelde. Hij werd in de boeien geklonken en aan een zuil in schuur of kelder vastgebonden. Wanneer er torens bij kerken gebouwd werden, werden daarin vaak de gevangenen opgesloten. De toren van Zuidbroek wordt in oude stukken wel gevangentoren genoemd. In 1713 werden er vier cellen in afgetimmerd, twee beneden en twee boven. In een rekening van 1812 wordt ook nog van een geselkamer in de toren gesproken.

Van een landelijk centraal georganiseerd gevangeniswezen was voor 1811 nog geen sprake. Per provincie waren er grote verschillen in aantal en aard van strafgestichten. De situatie in de provincie Groningen was als volgt. In de stad Groningen bevond zich een provinciaal tuchthuis. Een groot deel van de in de provincie opgelegde vrijheidsstraffen werd in dit gesticht uitgezeten. De stad Groningen telde behalve het tuchthuis nog een aantal andere gevangenissen. De meeste ervan waren bestemd voor tijdelijke opsluiting van personen gedurende de behandeling van hun zaak.
Volgens een rapport uit 1798 bevonden zich buiten de stad de volgende "gevangenissen" en "bewaarplaatsen". Te Zuidbroek, de "rechtplaats" van de jurisdictie van het Wold-Oldambt, waren in de toren van de dorpskerk enige gevangenvertrekken aanwezig. In het Huis te Wedde beschikte de drost van Westerwolde over een tweetal "gevangengaten". Beide waren "reeds lange" niet meer in gebruik. De jurisdictie van het Klei-Oldambt bezat een "bewaarplaats" in de toren van de dorpskerk van Termunten. Dergelijke torengevangenissen bevonden zich ook te Farmsum, Middelstum en Midwolde. De twee laatstgenoemde waren in 1798 niet meer in gebruik. Tenslotte valt te vermelden dat de in 1803 tot stand gekomen jurisdicties (die van het Westerkwartier, het Hunsingokwartier, het Fivelingokwartier, Gorecht en Sappemeer, de beide Oldambten en Wedde en Westerwoldingerland) elk over één of meerdere gevangenvertrekken beschikten. Al deze buiten de stad Groningen gelegen "gevangenissen" zullen hoofdzakelijk gebruikt zijn voor het insluiten van personen tijdens de behandeling van hun zaak.

Periode 1811-1826

Na de inlijving bij Frankrijk in 1810 kwamen ook op het gebied van het gevangeniswezen veranderingen tot stand, die na het herstel van de onafhankelijkheid bestendigd werden. Hoewel in oktober 1810 bepaald was dat wat betreft "les prisons" alles bij het oude zou blijven, besloot men in 1811 toch het eveneens in oktober van het voorgaande jaar vastgestelde "Arrête sur l'organisation des Prisons" ook in de Hollandse departementen in te voeren. Het "Arrête" schreef vijf soorten gevangenissen voor:

1. Maisons de Police Municipale (Politiehuizen), te vestigen in elk kanton en bestemd voor personen die door de Politiegerechten waren veroordeeld en personen tegen wie nog geen bevel tot inhechtenisneming was uitgevaardigd. Ook fungeerden deze gevangenissen als tijdelijke verblijfplaats ("depôts de s-rete") voor passanten (gedetineerden op transport naar een andere gevangenis).

2. Maisons d'Arrêt (Huizen van Arrest), te vestigen in elk arrondissement en bedoeld voor personen, aangeklaagd wegens strafbare feiten ter competentie van de Rechtbanken van Eerste Aanleg en de Hoven van Assisen. Zij die voor een Hof moesten verschijnen en tegen wie een arrest van terechtstelling was uitgevaardigd dienden overgebracht te worden naar een "Maison de Justice".

3. Maisons de Justice (Huizen van Justitie), te vestigen in elk departement en zoals gezegd bestemd voor gedetineerden die voor een Hof moesten verschijnen en tegen wie een "arrest van terechtstelling" was uitgevaardigd.

4. Maisons de Correction (Verbeterhuizen), één of meer per departement en bestemd voor de opname van:
- door de Rechtbanken van Eerste Aanleg tot maximaal één jaar veroordeelden;
- gegijzelden wegens schulden;
- op last van de "police administrative" ingesloten personen;
- kinderen, op verzoek van hun familieleden gevangengezet;
- publieke vrouwen die leden aan venerische ziekten

5. Maisons de Détention (Tuchthuizen), te vestigen op nader te bepalen plaatsen en bedoeld voor door de Hoven van Assisen veroordeelden en zij die door de Rechtbanken van Eerste Aanleg veroordeeld waren tot straffen van meer dan één jaar. Mits voldaan werd aan zekere voorwaarden, kon een Huis van Arrest gecombineerd worden met een Huis van Justitie en/of een Politiehuis. Verder was het bij wijze van uitzondering mogelijk in de Huizen van Arrest en in die van Justitie ook personen op te nemen die reeds veroordeeld waren.

De prefect van het departement van de Westereems (vrijwel overeenkomend met het grondgebied van de huidige provincies Groningen en Drenthe) kreeg in februari 1811 de opdracht het besluit voor 1 mei althans "provisoirement" te hebben uitgevoerd.

Pas in juli werd hieraan voldaan. De stand van zaken was wat betreft de provincie Groningen nu als volgt. De stad Groningen telde een Verbeterhuis, tevens functionerend als Tuchthuis, een Huis van Justitie, drie Huizen van Arrest, een Politiehuis en een "depôt de s- reté" (in de laatstgenoemde gevangenis nam men niet alleen passanten op, maar ook bijvoorbeeld aangeklaagde militairen, landlopers en smokkelaars).

In de arrondissementshoofdplaatsen Appingedam en Winschoten vestigde men Huizen van Arrest. In Hoogezand, Onderdendam, Zuidbroek en Wedde kwamen Politiehuizen. Meestal betrof het reeds bestaande gevangenissen, waarvan men al- leen de namen en de bestemmingen had gewijzigd. Na het herstel van de onafhankelijkheid bleef het "Arrêté" van kracht. Wel werden voor de "Maisons de Détention" oude namen als rasp-, tucht- en werkhuizen weer ingevoerd. De provincie Groningen telde in 1815 de volgende gevangenissen. In de stad Groningen bevonden zich een Tuchthuis (het vroegere Verbeter- en Tuchthuis) een Huis van Justitie, drie Huizen van Arrest en een "Huis van Zekerheid" (het "depôt de s-reté"). Laatstgenoemde gevangenis ging als "Provoosthuis" voor aangeklaagde militairen fungeren. Buiten de stad waren er Huizen van Arrest te Appingedam, Winschoten en Zuidbroek (het vroegere Politiehuis).

Het aantal Politiehuizen is niet bekend. In de praktijk werd ruim gebruik gemaakt van de mogelijkheid die het "Arrêté" bood om bij wijze van uitzondering personen die reeds veroordeeld waren op te nemen in Huizen van Arrest en -Justitie. Vanwege ruimtegebrek plaatste men in de stad Groningen door het Hof van Assisen veroordeelden behalve in het Tuchthuis ook in het Huis van Justitie, in één van de Huizen van Arrest en zelfs in het Huis van Zekerheid. Overigens was het in 1816 blijkens een circulaire van de Minister van Justitie een landelijk verschijnsel dat personen die wegens wanbedrijven tot kortdurende "correctionele" straffen veroordeeld waren, in Huizen van Arrest en -Justitie ondergebracht werden. Ter verduidelijking: de nog steeds van kracht zijnde Code Pénal kende een driedeling van strafbare feiten in misdrijven, wanbedrijven en overtredingen en een daarmee corresponderende driedeling in criminele, correctionele en politiestraffen.

In 1821 kwam een reorganisatie van het gevangeniswezen tot stand. De indeling der gevangenissen werd nu als volgt. Een algemeen onderscheid werd gemaakt tussen gevangenissen voor langdurig gestraften (Strafgevangenissen genoemd) en die voor voorlopig ingeslotenen, verdachten en kortgestraften. De eerste groep bestond uit:
1. Huizen van Correctie, bedoeld voor personen die wegens wanbedrijven veroordeeld waren tot straffen van meer dan vier a zes maanden;
2. Huizen van Reclusie en Tuchtiging, bestemd voor personen die wegens misdrijven veroordeeld waren en voor militairen die een onterende straf moesten ondergaan;
3. Huizen van Militaire Detentie, bedoeld voor militairen die veroordeeld waren tot straffen van meer dan vier ¿ zes maanden.
De vestigingsplaatsen van de gevangenissen behorende tot deze eerste groep werden bij K.B. aangewezen. De provincie Groningen kreeg er geen toegewezen

De tweede groep gevangenissen was als volgt samengesteld:
1. Huizen van Arrest;
2. Huizen van Justitie;
3. Provoosthuizen;
4. Huizen van Bewaring
Van de drie eerstgenoemde werd nu gezegd dat ze "bepaaldelijk" bestemd waren voor het in verzekerde bewaring stellen van personen die van misdrijven of wanbedrijven werden beschuldigd (in de Provoosthuizen, gevestigd bij Krijgsraden, werden alleen militairen opgenomen). Kwamen de drie Huizen voor in één gemeente, dan werden ze zo mogelijk samengevoegd tot een "Burgerlijk en Militair Huis van Verzekering". Er moesten dan wel "behoorlijke inwendige af- scheidingen" zijn tussen de diverse afdelingen. In een dergelijk Huis van Verzekering konden ook burgerlijke en militaire gedetineerden met straffen van minder dan vier zes maanden en disciplinair gestrafte militairen worden opgenomen. De Politiehuizen werden omgedoopt in Huizen van Bewaring. Het werd nu mogelijk "naar omstandigheden" ook burgerlijke gedetineerden met straffen van niet meer dan één maand, gegijzelden wegens schulden en personen die op verzoek van familieleden ingesloten moesten worden, er in op te nemen. Wat de populaties en vestigingsplaatsen van deze gestichten betreft bleef verder alles bij het oude. In de stad Groningen werd de wenselijk geachte combinatie van Provoosthuis, Huis van Justitie en Huis van Arrest tot een Huis van Verzekering pas in 1826 gerealiseerd.

Periode 1826-1886

In 1833 werd het mogelijk gemaakt in de Huizen van Verzekering burgers en militairen met straffen tot één jaar op te nemen en in de Huizen van Arrest burgers en militairen met straffen tot drie maanden. Disciplinair gestrafte militairen konden nu in beide worden ondergebracht.

Het jaar 1841 bracht een reglement voor de Huizen van Bewaring, een tot dan toe in de regelgeving verwaarloosde categorie. Opnieuw werd voorgeschreven dat elk kanton een dergelijke gevangenis diende te bezitten. Combinatie met een Huis van Verzekering of -Arrest was mogelijk, mits gezorgd werd voor een "inwendige afscheiding". De populatie van de Huizen van Bewaring omschreef het reglement als volgt:
- veroordeelden door de kantonrechter;
- aangehoudenen, niet behorende tot beklaagden bij een Arrondissementsrechtbank of personen tegen wie een arrest van terechtstelling was uitgevaardigd;
- passanten;
- naar omstandigheden: burgerlijke gevangenen met straffen tot een maand, gegijzelden wegens schulden en personen die wegens verkwisting of wangedrag op verzoek van familieleden waren ingesloten.

Uit de bouwactiviteiten die naar aanleiding van dit reglement in de provincie Groningen werden ontplooid, blijkt dat de Huizen van Bewaring op dat moment een enigszins ingeslapen bestaan leidden. Veelal werden de categorieën gedetineerden die in dergelijke gevangenissen moesten worden ondergebracht, geplaatst in Huizen van Arrest. Na verbouwing konden bestaande lokaliteiten te Groningen, Hoogezand, Onderdendam en Zuidbroek als Huis van Bewaring in gebruik worden genomen. In Appingedam en Winschoten combineerde men de Huizen van Bewaring met de bestaande Huizen van Arrest. Ondanks vergevorderde plannen zag men uiteindelijk af van het bouwen van een dergelijke gevangenis voor het kanton Zuidhorn. Dit kanton was het enige dat het zonder een eigen Huis van Bewaring moest stellen. Anderzijds werden in de jaren vijftig te Veendam en Vlagtwedde Huizen van Bewaring gebouwd in kantons waar al dergelijke gevangenissen bestonden. Deze waren vooral bedoeld voor het onder- brengen van passanten.

De populatie van de Huizen van Arrest mocht vanaf 1842 in bijzondere gevallen worden uitgebreid met veroordeelden tot straffen van drie maanden tot één jaar. In 1856 onderging ook de bevolking van de Huizen van Verzekering een uitbreiding: mannelijke veroordeelden tot straffen van meer dan één jaar en minder dan 19 maanden konden er nu ook geplaatst worden. In 1857 ging dit ook gelden voor vrouwelijke delinquenten.

De opheffing van het Gerechtshof te Groningen en de Arrondissementsrechtbank te Appingedam in 1877 had gevolgen voor de aldaar gevestigde gestichten. Het Huis van Verzekering te Groningen, sinds 1872 tevens Huis van Bewaring, werd nu bestemd tot Huis van Arrest en Huis van Bewaring. Het Huis van Arrest en Bewaring te Appingedam werd nu een (cellulaire) Strafgevangenis, tevens Huis van Bewaring. In de periode 1870-1886 nam het aantal Huizen van Bewaring in de provincie Groningen sterk af: die te Hoogezand, Onderdendam, Veendam, Vlagtwedde en Zuidbroek werden opgeheven.

In 1886 werd de algehele organisatie van het gevangeniswezen herzien in verband met de invoering in dat jaar van het nieuwe Wetboek van Strafrecht. De Gestichtenwet van 1884 (in 1886 van kracht geworden) deelde de gevangenissen als volgt in:
1. Strafgevangenissen, onderverdeeld in:
a. gewone Strafgevangenissen, bestemd voor de tenuitvoerlegging van burgerlijke en militaire gevangenisstraf;
b. bijzondere Strafgevangenissen, bedoeld voor tot meer dan vijf jaar gevangenisstraf veroordeelden en voor personen ouder dan 60 dan wel jonger dan 18 jaar of ongeschikt voor cellulaire opsluiting, voorzover deze straffen moesten uitzitten van meer dan drie maanden;
2. Huizen van Bewaring, bestemd voor personen veroordeeld tot hechtenisstraf (het nieuwe Wetboek onderscheidde twee hoofdstraffen, namelijk gevangenis- en hechtenisstraf) of militaire detentie, passanten en onveroordeelden wier vastzetting, aanhouding, gevangenneming of -aanhouding was gelast;
3. Passantenhuizen, alleen bedoeld voor opname van passanten

Naast deze gevangenissen onderscheidde men Rijkswerkinrichtingen en Rijksopvoedingsgestichten. De term "gestichten" werd als verzamelnaam voor het geheel gekozen. In principe konden Strafgevangenissen niet tevens fungeren als Huis van Bewaring of als Passantenhuis. Uitzonderingen op die regel werden voorlopig geduld. In iedere arrondissementshoofdplaats moest een Huis van Bewaring zijn en indien nodig een Strafgevangenis. De vestigingsplaatsen van andere Huizen van Bewaring of Passantenhuizen werden bij K.B. bepaald.

Na de reorganisatie telde de provincie Groningen de volgende gestichten: in de stad Groningen bevond zich een Strafgevangenis, voorlopig tevens (hulp)Huis van Bewaring (een in 1884 nieuw gebouwde cellulaire gevangenis) en een Huis van Bewaring (het oude Huis van Arrest en van Bewaring). Buiten de stad was er een Strafgevangenis te Appingedam en een Huis van Bewaring, voorlopig tevens (hulp)Strafgevangenis te Winschoten.

Na 1814 is de toren van Zuidbroek een tijdlang niet meer gebruikt als gevangenis. Er waren toen ook cellen in de schuur achter het Oude Rechthuis, te weten cellen voor het opsluiten van gevangenen en ook een apart lokaal voor passanten, doortrekkende reizigers, aan wie een nacht onderdak werd verstrekt. In 1841 werden de gevangenen weer verhuisd naar de toren. De cellen werden genummerd 1,2,3 en 4, te beginnen bij het oostelijk vertrek beneden. Die cellen waren ongeveer twee en een halve meter in het vierkant. Cel nummer 1 werd bestemd voor personen die wegens schulden gegijzeld, vastgezet werden; nummer 2 was voor doortrekkende personen ingevolge het reglement voor de huizen van bewaring; de nummers 3 en 4 waren voor hen die door de kantonrechter veroordeeld waren.

In maart 1846 zat een zekere J.C. Hardenach in de toren gevangen. Hij wist klaar te krijgen van de dokter, dat die voorschreef dat hij meer buitenlucht moest krijgen.Voorzichtigheidshalve werd aan de gouverneur gevraagd of Hardenach twee maal per week gedurende een half uur, vergezeld van de cipier, van buitenlucht mocht genieten. Dit werd toegestaan, Maar Hardenach zag kans op een van zijn wandelingen te ontvluchten.

Op februari 1853 zat Berend Markema in de toren. Hij wist zich tussen de ijzeren staven door te wringen en te ontvluchten. Er werden nog tweeëntwintig staven aangebracht. Op 4 april daaropvolgende werd Markema weer gepakt en weer opgesloten. Hij deed toen andermaal een poging om uit te breken, maar toen hij zich door de tralies wrong, werd hij betrapt door de nachtwacht.

Hoe een eeuw geleden ongeveer het leven was van een gevangene is uit het volgende af te leiden. In elke cel was een tafel, een bank, een zandbakje, een ijzeren privaat, een hangmat, een gevulde linnen strozak met hoofdpeluw, twee wollen dekens, twee beddenlakens, een handdoek en een stuffer. Bij de cipier aan huis, om zo nodig te gebruiken, was nog: acht wollen beddendekens, acht beddenlakens, vier linnen handdoeken, vier linnen strozakken met hoofdpeluw, vier omklede blikken waterstoven, acht blikken etensbakjes, vier blikken drinkbekers, vier blikken wasbakken, drie grijze mans bovenbroeken, drie grijze mans bovenbuizen en zes katoenen onderhemden. Het voorgeschreven menu voor de gevangenen was: tweemaal per week vleessoep, tweemaal toebereide gort, eenmaal toebereide erwten, tweemaal toebereide aardappelen met groenten. Er was voorgeschreven hoeveel rundvlees, rundvet en andere ingrediënten gebruikt moesten worden. Ook de hoeveelheid brood en melk voor 's-morgens en brood, melk en koffie voor 's-avonds.

In 1879 werd een rapport opgemaakt over de toren in verband met zijn functie als kantonnale gevangenis. Daarin werd naar voren gebracht dat het een bezwaar was dat in de toren de klokken hingen, die gebruikt werden voor de begrafenissen en voor het aankondigen van godsdienstoefeningen. En als tweede bezwaar werd genoemd dat de toren werd gebruikt voor het opbergen van gereedschappen.

In het jaar 1881 werden er nog drie honderd en twaalf mannen opgesloten in de toren, waarvan zeven beneden zestien jaar; verder negenenzeventig vrouwen, waarvan een beneden zestien jaar. Het totaal aantal verpleegdagen was achthonderd drieënveertig, dus gemiddeld zaten zij er twee dagen in.

De toren is tot 1886 als gevangenis bij het kantongerecht gebruikt. De laatste cipier was veldwachter K. Metzlar. Hij woonde in het huis ten noorden van de toren, het tegenwoordige perceel Torenstraat 1. De toren zal nog wel eens gebruikt zijn voor personen die dronken bij de weg werden aangetroffen, maar hiervoor werden in 1895 een paar cachotten gemaakt achter het gemeentehuis.

Periode 1886-1961

De zogenaamde "Noodwet" van 1918, bedoeld om de toestroom van gedetineerden tijdens de eerste wereldoorlog (veel smokkelaars en dergelijke) te kunnen verwerken, betekende een eerste inbreuk op het organisatieschema van 1886. Deze wet stond toe dat alle soorten straf in alle soorten gestichten konden worden uitgezeten, mits de sexen van elkaar gescheiden waren en zoveel mogelijk ook de categorieën ingeslotenen. De wet greep vooruit op een beoogde herziening van de organisatie van het gevangeniswezen en het strafstelsel. Deze werd echter pas in de jaren vijftig van deze eeuw gerealiseerd.

In de dagelijkse praktijk greep men in het interbellum grotendeels weer terug op de situatie zoals die voor de Noodwet was geweest. Wel werd bijvoorbeeld het principe dat gevangenisstraf cellulair moest worden ondergaan, doorbroken * . Tijdens de tweede wereldoorlog was er van een normaal functionerend gevangeniswezen uiteraard geen sprake. De reguliere gestichten raakten overbelast door het grote aantal door de bezetter ingeslotenen, zo onder meer de gevangenissen te Groningen.

Ook kwam het voor dat bestaande gestichten geheel of gedeeltelijk door de bezetter werden overgenomen. In 1944 gebeurde dit met de Groningse gevangenissen: het Huis van Bewaring werd ter beschikking gesteld van de Sicherheitspolizei en een deel van de Strafgevangenis werd ingericht tot Kriegswehrmachtgefängnis. Ook in de eerste jaren na de oorlog was er sprake van een grote overbelasting, nu vanwege het groot aantal personen dat in het kader van de bijzondere rechtspleging werd ingesloten. Onmiddellijk na de oorlog begon men met het arresteren van personen die feiten hadden begaan, strafbaar gesteld in het in 1943 door de Nederlandse regering in Londen vastgestelde "Besluit Buitengewoon Strafrecht" en diegenen op wie het in 1944 afgekondigde "Tribunaalbesluit" van toepassing was (dit besluit voorzag in een tuchtrechtelijke straf voor onvaderlandslievend gedrag).

In juli 1945 bevonden zich reeds meer dan 100.000 politieke delinquenten in voorlopige hechtenis. Ze werden ondergebracht in zogenaamde bewarings- en interneringskampen, maar ook wel geplaatst in reguliere gestichten. De provincie Groningen telde in juni 1945 tien bewarings- en interneringskampen, terwijl ook de gevangenissen in de stad Groningen onderdak boden aan politieke delinquenten.

De kampen vielen tot 1 januari 1946 onder het Militair Gezag. Vanaf die datum ressorteerden ze onder het directoraat-generaal Bijzondere Rechtspleging van het Ministerie van Justitie. Per 1 juli 1948 werd het beheer over de toen nog aanwezige kampen overgedragen aan het reguliere gevangeniswezen. Ook voor die datum waren op incidentele basis kampen overgenomen door het gevangeniswezen, zo bijvoorbeeld in de provincie Groningen de kampen te Marum en Westernieland, die beide de bestemming kregen van Strafgevangenis en Rijkswerkinrichting. Door strafkwijtschelding op grote schaal liep het aantal politieke gedetineerden snel terug.

De in 1953 ingevoerde nieuwe Beginselenwet Gevangeniswezen, bracht de langverbeide reorganisatie van het gevangeniswezen en herziening van het strafstelsel. Men onderscheidde nu de volgende gestichten:

1. Gevangenissen, bestemd voor tot gevangenisstraf veroordeelden en in bijzondere gevallen voor delinquenten die hechtenisstraf of militaire detentie moesten ondergaan.

2. Huizen van Bewaring, bestemd voor dezelfde categorieën als genoemd in de Gestichtenwet van 1884 én voor personen die veroordeeld waren tot gevangenisstraffen tot en met drie maanden.

3. Rijkswerkinrichtingen, bestemd voor personen die tot de bijkomende straf van plaatsing in een dergelijk gesticht waren veroordeeld.

4. Rijksasyls voor Psychopaten, bestemd voor met name ter beschikking van de regering gestelden. In iedere arrondissementshoofdplaats of in een onmiddellijk aangrenzende gemeente moest tenminste één Huis van Bewaring zijn. Het verdere vestigingsbeleid was een zaak van het Ministerie. Ten aanzien van de Gevangenissen werd een systeem van differentiatie ingevoerd, gebaseerd op een nieuwe lezing van de artt. 11 en 12 van het Wetboek van Strafrecht (art. 11 luidde nu: "Gevangenisstraf wordt naar gelang van de persoonlijkheid van de veroordeelde in algehele of in beperkte gemeenschap dan wel in afzondering ondergaan" en art. 12: "Iedere gevangene wordt zoveel mogelijk geplaatst in een gesticht, welks regime het meest met zijn persoonlijkheid strookt, waarbij zowel op de duur der straf als op de reclasseringsmogelijkheden voor de gevangene wordt gelet").

Iedere Gevangenis kreeg dus een eigen regime en populatie. Welk karakter een bepaalde Gevangenis zou krijgen was ter bepaling van het ministerie. Voor de nog aanwezige gestichten in de provincie Groningen (de Appingedamse Strafgevangenis was in 1922 opgeheven en ook de als tijdelijk bedoelde kampen voor politieke delinquenten bestonden in 1953 al niet meer) betekende de nieuwe Beginselenwet het volgende. De Strafgevangenis te Groningen kreeg de bestemming van Gevangenis, evenals het Huis van Bewaring te Winschoten. Het Groningse Huis van Bewaring bleef als zodanig voortbestaan. Het regime en daarmee de populatie van de twee Gevangenissen in de provincie is na 1953 steeds aan veranderingen onderhevig geweest. De omvorming per 1 januari 1962 van de Groninger Gevangenis tot Rijksasyl voor Psychopaten reduceerde het aantal Gevangenissen in de provincie tot één.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Pageviews vandaag: 15.