Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 25-06-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

gevangenis

Bij rechtspraak hoort een gevangenis. Als de wedman (deurwaarder), geholpen door de roroede (politie) en soms bijgestaan door daartoe gevorderde ingezetenen een verdachte gearresteerd hadden, dan moest daar plaats voor zijn tot de dag van de rechtszitting. En als de zitting er geweest was en het vonnis uitgesproken, moest de veroordeelde zijn straf ondergaan. Dit spreekt te meer omdat plaatselijk ook de zware misdadigers berecht werden.

In heel oude tijden zal er niet veel zorg besteed zijn aan verdachte of veroordeelde. Hij werd in de boeien geklonken en aan een zuil in schuur of kelder vastgebonden. Wanneer er torens bij kerken gebouwd werden, werden daarin vaak de gevangenen opgesloten. De toren van Zuidbroek wordt in oude stukken wel gevangentoren genoemd. In 1713 werden er vier cellen in afgetimmerd, twee beneden en twee boven. In een rekening van 1812 wordt ook nog van een geselkamer in de toren gesproken.

Na 1814 is de toren een tijdlang niet meer gebruikt als gevangenis. Er waren toen ook cellen in de schuur achter het Oude Rechthuis, te weten cellen voor het opsluiten van gevangenen en ook een apart lokaal voor passanten, doortrekkende reizigers, aan wie een nacht onderdak werd verstrekt. In 1841 werden de gevangenen weer verhuisd naar de toren. De cellen werden genummerd 1,2,3 en 4, te beginnen bij het oostelijk vertrek beneden. Die cellen waren ongeveer twee en een halve meter in het vierkant. Cel nummer 1 werd bestemd voor personen die wegens schulden gegijzeld, vastgezet werden; nummer 2 was voor doortrekkende personen ingevolge het reglement voor de huizen van bewaring; de nummers 3 en 4 waren voor hen die door de kantonrechter veroordeeld waren.

In maart 1846 zat een zekere J.C. Hardenach in de toren gevangen. Hij wist klaar te krijgen van de dokter, dat die voorschreef dat hij meer buitenlucht moest krijgen.Voorzichtigheidshalve werd aan de gouverneur gevraagd of Hardenach twee maal per week gedurende een half uur, vergezeld van de cipier, van buitenlucht mocht genieten. Dit werd toegestaan, Maar Hardenach zag kans op een van zijn wandelingen te ontvluchten.

Op februari 1853 zat Berend Markema in de toren. Hij wist zich tussen de ijzeren staven door te wringen en te ontvluchten. Er werden nog tweeëntwintig staven aangebracht. Op 4 april daaropvolgende werd Markema weer gepakt en weer opgesloten. Hij deed toen andermaal een poging om uit te breken, maar toen hij zich door de tralies wrong, werd hij betrapt door de nachtwacht.

Hoe een eeuw geleden ongeveer het leven was van een gevangene is uit het volgende af te leiden. In elke cel was een tafel, een bank, een zandbakje, een ijzeren privaat, een hangmat, een gevulde linnen strozak met hoofdpeluw, twee wollen dekens, twee beddenlakens, een handdoek en een stuffer. Bij de cipier aan huis, om zo nodig te gebruiken, was nog: acht wollen beddendekens, acht beddenlakens, vier linnen handdoeken, vier linnen strozakken met hoofdpeluw, vier omklede blikken waterstoven, acht blikken etensbakjes, vier blikken drinkbekers, vier blikken wasbakken, drie grijze mans bovenbroeken, drie grijze mans bovenbuizen en zes katoenen onderhemden. Het voorgeschreven menu voor de gevangenen was: tweemaal per week vleessoep, tweemaal toebereide gort, eenmaal toebereide erwten, tweemaal toebereide aardappelen met groenten. Er was voorgeschreven hoeveel rundvlees, rundvet en andere ingrediënten gebruikt moesten worden. Ook de hoeveelheid brood en melk voor 's-morgens en brood, melk en koffie voor 's-avonds.

In 1879 werd een rapport opgemaakt over de toren in verband met zijn functie als kantonnale gevangenis. Daarin werd naar voren gebracht dat het een bezwaar was dat in de toren de klokken hingen, die gebruikt werden voor de begrafenissen en voor het aankondigen van godsdienstoefeningen. En als tweede bezwaar werd genoemd dat de toren werd gebruikt voor het opbergen van gereedschappen.

In het jaar 1881 werden er nog drie honderd en twaalf mannen opgesloten in de toren, waarvan zeven beneden zestien jaar; verder negenenzeventig vrouwen, waarvan een beneden zestien jaar. Het totaal aantal verpleegdagen was achthonderd drieënveertig, dus gemiddeld zaten zij er twee dagen in.

De toren is tot 1886 als gevangenis bij het kantongerecht gebruikt. De laatste cipier was veldwachter K. Metzlar. Hij woonde in het huis ten noorden van de toren, het tegenwoordige perceel Torenstraat 1. De toren zal nog wel eens gebruikt zijn voor personen die dronken bij de weg werden aangetroffen, maar hiervoor werden in 1895 een paar cachotten gemaakt achter het gemeentehuis.


Pageviews vandaag: 3.