Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 08-02-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Gerhardus Diephuis

Gerhard (Gerhardus) Diephuis (Farmsum 1817 - Groningen 1892) was een rechtsgeleerde, jurist, rechter en hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Biografie

Gerhardus Diephuis werd geboren in Farmsum als zoon van Marcus Cornelius Diephuis en Cornelia Palmer. Hij volgde het lager onderwijs in zijn geboorteplaats en ging daarna naar de Latijnse school in Appingedam.

In 1832 werd hij ingeschreven als rechtenstudent aan de Rijksuniversiteit Groningen (toen nog de Rijkshogeschool Groningen). Hij promoveerde in 1840 in de rechten op het proefschrift De matrimonio (Het huwelijk). Datzelfde jaar trouwde hij met Alagonda Geertruida Hemmes, geboren in 1818. In 1842 promoveerde hij nogmaals, dit maal in de wijsbegeerte en letteren op een literaire uiteenzetting over de eedaflegging bij recht en rede van scheiding in het antieke Rome.

In 1844 werd hij tot rechter benoemd in de arrondissementsrechtbank in Winschoten.

Zijn benoeming tot schoolopziener volgde in 1848.

Hij werd in 1850 in het kiesdistrict Windschoten verkozen tot lid van de Provinciale Staten van Groningen. Deze functie vervulde hij tot en met 1855. Dat jaar werd hij benoemd tot raadsheer in het provinciaal gerechtshof van Groningen.

Sedert de wetsherziening voor het lager onderwijs is hij inspecteur van dat onderwijs in de provincie Groningen. Eind 1857 werd hij (met ingang van 1 januari 1858) benoemd. Daarmee kwam er aan einde aan zijn functie als schoolopziener.

Zijn definitieve bestemming bleek het hoogleraarschap aan de RUG te zijn. Hij werd de opvolger van R. van Boneval Faure, toen die in 1859 naar Leiden vertrok. Zijn leeropdracht omvatte het burgerlijk recht, handelsrecht, burgerlijke rechtsvordering en Nederlands privaatrecht. Hij aanvaardde dit ambt met de rede De wetenschap des regts in betrekking tot de wetgeving.

Gedurende het collegejaar 1864-1865 vervulde hij de functie van rector magnificus.

In 1880 werd hij lid van de Staatscommissie tot herziening van het Burgerlijk Wetboek en werd in 1887 op eigen verzoek van deze functie ontheven. Datzelfde jaar ging hij met emeritaat. Ook werd hij dat jaar benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Hij kwam in 1892 op 75-jarige leeftijd te overlijden in Groningen.

Hij heeft door zijn geschriften het Nederlands privaatrecht beslissend beïnvloed. Tussen 1844 en 1855 verscheen in negen delen zijn commentaar op het Burgerlijk Wetboek van 1838 getiteld Het Nederlandsch Burgerlijk Regt naar de volgorde van het Burgerlijk Wetboek. De tweede, geheel herziene druk verscheen tussen 1856-1859. De derde druk beschouwt men als zijn levenswerk; hij werkte eraan van 1868 tot 1891. Het werk besloeg toen dertien delen. Men kan het in ieder juridisch instituut onder handbereik vinden. Het is een breed opgezet, helder, zakelijk en nauwgezet werk, naar het model van Toulliers Franse commentaar op de Code Civile.

Men noemde Diephuis ook wel spottend Breedhuis, maar Diephuis' invloed op de burgerlijke rechtspraak is groter geweest dan van enig ander auteur aan het eind van de 19de eeuw.

Ook schreef hij een Handboek voor het Nederlandsch burgerlijk regt (1862-1864, 3 delen) en een Handboek voor Nederlandsch handelsregt (1865-1876).

De wet stond bij hem, als vertegenwoordiger van het legisme, voorop. Wet en recht beschouwde hij echter niet als
synoniemen. Hij beval daarom alle denkbare methoden aan om de bedoeling van een wetgever vast te stellen, omdat nu eenmaal 'de wet altijd antwoord moet geven.'

Van 1868 tot 1876 was Diephuis redacteur van het Tijdschrift voor Nederlandsch Regt.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Pageviews vandaag: 19.